ECLI:NL:TGZRZWO:2025:161 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8659
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:161 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-12-2025 |
| Datum publicatie: | 18-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8659 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een orthopedisch chirurg kennelijk ongegrond. Klaagster werd vanwege een cyste in haar knieholte doorverwezen naar verweerder. Zij verwijt verweerder, samengevat, dat hij onvoldoende zorg heeft verleend en haar ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een MRI-centrum. Het college komt tot het oordeel dat verweerder ten aanzien van beide klachtonderdelen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 12 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
orthopedisch chirurg,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de orthopedisch chirurg,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster werd vanwege een cyste in haar knieholte doorverwezen naar verweerder. Zij verwijt verweerder, samengevat, dat hij onvoldoende zorg heeft verleend en haar ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een MRI-centrum.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 juni 2025;
- de brief van de secretaris van 1 augustus 2025, met het verzoek de klacht aan te vullen;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Op grond van de stukken gaat het college uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.2 Klaagster werd bij brief van 24 april 2024 door de neuroloog van D verwezen naar de de polikliniek Orthopedie. Bij klaagster was een Bakerse cyste (een met vocht gevulde zwelling in de knieholte) ontdekt in haar linker knieholte van 3 x 3,5 cm groot.
3.3 Verweerder had op 3 mei 2024 een eerste consult met klaagster. Verweerder nam
een anamnese af en verrichtte lichamelijk onderzoek. De conclusie die verweerder in
het dossier noteerde was (alle citaten letterlijk weergegeven en bij weergave van
namen degene die het betreft):
“uitgebreide chronische pijn linker been bij st na operatie slijmbeurs linker heup,
vraag heden of evt Bakerse cyste oorzaak is van de klachten danwel indien aanwezig
secundair is aan de problemen rondom de heup”.
Verweerder besprak het beleid met klaagster en vroeg een MRI-scan aan van haar linkerknie.
Daarna zou klaagster weer bij verweerder op consult komen. Op de röntgenfoto van de
linkerknie werden geen ossale afwijkingen gezien.
3.4 Op 16 mei 2024 had verweerder, op verzoek van klaagster, een telefonisch consult
met haar. Gelet op de notitie die verweerder maakte van dit consult, poogde hij meermaals
aan haar uit te leggen dat er een MRI nodig was om niet alleen te zien of er sprake
was van een Bakerse cyste, maar vooral of er in de knie zelf een oorzaak gevonden
zou kunnen worden van een eventuele cyste. Hij vertelde dat als in de knie geen andere
oorzaak gevonden kon worden iets doen met de cyste zinloos leek, omdat het dan het
meest waarschijnlijk secundair was aan het heupprobleem dat klaagster al ruim tien
jaar had. Verweerder noteerde:
“Dus ik wil haar niet helpen, ik mag erin stikken, telefoon verbinding wordt verbroken.
Klaarblijkelijk idem met collega’s in het [RTG: naam ander ziekenhuis] en gisteren
met collega’s in [RTG: naam ziekenhuis waar verweerder werkzaam is].”.
Verweerder liet de geplande MRI-afspraak staan, en gaf geen verwijzing naar een
MRI-centrum conform de eis van klaagster.
3.5 Klaagster had op 31 mei 2024 wederom een consult bij verweerder op de polikliniek.
Over dit consult schreef verweerder:
“Speciële anamnese
zie eerdere verslaglegging, pte begint te zeggen dat ze andere specialist wenst, afspraak
bij assistent, uitleg dat zij dan alsnog met mij zal overleggen, patiente eist dat
via radiologie de cyste wordt leeggezogen, ik luister niet, cyste drukt op de zenuw,
moet per 1-7-2024 beginnen met nieuwe baan, gaat niet zo, stemverheffingen, ik doe
mijn werk niet, ik moet de MRI vervroegen, ik moet spoed MRI elders regelen”
En:
“elke poging tot een weloverwogen gesprek te komen gaat niet, patiente laat mij niet
uitpraten, waarna ze zover gaat dat ik wordt uitgemaakt voor een LUL, gesprek beeindigd,
bewaking wordt gebeld, ik beeindig hiermee de behandelrelatie, dit ook aan patiente
meegedeeld.”
3.6 Op 4 juni 2024 diende klaagster telefonisch een klacht in naar aanleiding van
de behandeling op de afdeling Orthopedie. Deze klacht ging, volgens de e-mail van
12 juni 2024 van de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis over de behandelvoorstellen
van klaagster die door verweerder waren geweigerd. Verweerder heeft in de hiervoor
genoemde e-mail ook gereageerd op de klacht van klaagster. Hij schreef het te betreuren
dat hij niet in staat was om aan de verwachtingen van klaagster ten aanzien van de
behandeling te voldoen, en bereid te zijn klaagster te helpen bij de verwijzing naar
een andere kliniek of ziekenhuis voor haar verdere behandeling. Dezelfde dag stuurde
klaagster een e-mail naar de klachtenfunctionaris. In deze e-mail schreef klaagster
onder meer:
“Stuur me maar door naar [RTG: namen ziekenhuizen]. Maar ga niet zo triest zeggen dat
[RTG: naam verweerder] dit betreurt. Je had z’n tering houding moeten zien toen ik
6 juni in het ziekenhuis was. Hij probeerde me uit m’n tent te lokken en dan ben je
minstens HBO afgestuurd. Mega kinderachtige kut arts, heb dit nog nooit meegemaakt.
(…) Ik wil dat iemand beeldmateriaal beoordeeld of die cyste weggehaald kan worden,
moet het zo moeilijk zijn. En waarom kan die kut arts wel ene verwijzing naar een
andere kliniek geven, terwijl hij dit niet kon naar het mri centrum, gewoon treiter
gedrag! (…) We weten allemaal dat er niks mis is in die knie.”
3.7 Bij brief van 13 juni 2024 kreeg klaagster een toegangs- en contactverbod voor de polikliniek Orthopedie van het ziekenhuis voor een periode van zes maanden. In deze brief staat onder meer dat klaagster op 14, 15 en 16 mei 2024 telefonisch verbaal agressief is geweest en op 22 mei 2024 een waarschuwingsbrief heeft ontvangen. Ook in 2022 had klaagster al een waarschuwingsbrief ontvangen. Klaagster werd op haar verzoek doorverwezen naar een ander ziekenhuis. De afspraak voor een MRI werd geannuleerd vanwege het toegangsverbod.
4. De klacht en de reactie van de orthopedisch chirurg
4.1 Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij niet de zorg heeft verleend die klaagster nodig had, door:
- niets voor haar te willen doen behalve een MRI laten maken;
- te weigeren een verwijzing te maken naar een zelfstandig MRI-centrum.
4.2 De orthopedisch chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de orthopedisch chirurg de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende orthopedisch chirurg. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor een orthopedisch chirurg geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hieronder nader uitleggen.
Heeft de zorgverlener voldoende zorg verleend?
5.3 Vanwege de samenhang zal het college de in 4.1 genoemde klachtonderdelen
gezamenlijk beoordelen. Verweerder heeft aan klaagster uitgelegd dat de oorzaak van
de klachten in haar linkerknie de Bakerse cyste kon zijn, maar dat gelet op de langdurige
heupklachten die klaagster had, ook een heupprobleem de oorzaak kon zijn. Om de oorzaak
van deze pijnklachten te kunnen vaststellen, wilde verweerder eerst een MRI-scan van
de knie laten uitvoeren om te zoeken naar een eventuele oorzaak. Zonder een oorzaak
te vinden zou behandeling van de cyste neerkomen op symptoombestrijding en zinloos
zijn. Het college is van oordeel dat dit getuigt van zorgvuldig handelen door verweerder.
Van een verdere behandeling is het daarna, gelet op het door klaagster gepresenteerde
gedrag en het aan haar opgelegde toegangs- en contactverbod een ruime maand na het
eerste consult met verweerder, niet gekomen. Er bestond overigens geen indicatie voor
een spoed MRI-scan en verweerder heeft het verzoek van klaagster om door te verwijzen
naar een zelfstandig MRI-centrum niet hoeven te honoreren. De reden die verweerder
daarvoor gegeven heeft en ook aan klaagster zelf heeft uitgelegd op 16 mei 2024, kan
worden gevolgd. Namelijk om te voorkomen dat de behandeling verdere vertraging op
zou lopen, als vanwege de mogelijkheid van een minder goede kwaliteit van de MRI-scan
elders, alsnog geen diagnose gesteld kon worden. Gelet op het voorgaande heeft verweerder
ten aanzien van beide klachtonderdelen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Slotsom
5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 12 december 2025 door M.J.C. Dijkstra, voorzitter, P.C. Rijk en H.W.J. Koot, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.