ECLI:NL:TGZRZWO:2025:159 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8552
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:159 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-12-2025 |
| Datum publicatie: | 11-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8552 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een psychiater kennelijk ongegrond. Klaagster werd door de afdeling bemoeizorg verwezen naar het FACT-team. De psychiater was regiebehandelaar van klaagster. Klaagster verwijt de psychiater, samengevat, dat zij een onjuiste medische rapportage heeft opgesteld, een diagnose heeft gesteld die klaagster niet heeft on dat zij onheus bejegend is. Het college is van oordeel dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 5 december 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
psychiater,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. mr. A.C.I.J. Hiddinga.
1. Waar gaat het over?
1.1 Klaagster werd in november 2023 door de afdeling bemoeizorg verwezen naar
het D. Op 1 december 2023 vond de intake plaats, waarbij onder andere de psychiater
als regiebehandelaar aanwezig was. In de vragenlijst psychiatrisch onderzoek van 8
december 2023 werd door de psychiater vermeld dat klaagster een zeer uitgebreide voorgeschiedenis
van mishandeling en verwaarlozing had, waarvoor zij behandeling ging krijgen bij psychotrauma.
Bij de somatische voorgeschiedenis staat beschreven dat klaagster bekend is met problemen
met ogen en grote aften in de mond, waarvoor geen diagnose is gesteld. In de samenvatting/conclusies
psychiatrisch onderzoek staat (alle citaten letterlijk weergegeven):
“2 jaar geleden uitgeschreven na behandeling bij afdeling psychotrauma waarna zij een
lange periode zich heeft opgesloten in haar huis. Inmiddels heeft zij de praktische
zaken weer op orde. Somatisch is sprake van M Behcet waardoor haar gezichtsvermogen
gevaar loopt. Tevens vertelt zij dat zij soms veranderd in een veel jongere versie
van zichzelf en dat ze daar weinig invloed op heeft. Ook vertelt zij regelmatig de
dissocieren.”
Met klaagster werd afgesproken dat zij in zorg kwam bij D en dat zij modulair behandeling
zal volgen bij de afdeling psychotrauma.
1.2 Op 30 september 2024 informeerde de psychiater de huisarts schriftelijk dat
de behandeling van klaagster werd afgesloten. Uit deze brief volgt dat klaagster niet
in behandeling is gekomen bij D omdat het contact verzandde in een aaneenschakeling
van klachten. Klaagster was het niet eens met de rapportage, ook niet nadat deze op
haar verzoek was aangepast. Klaagster was niet goed te volgen in haar klachten en
ook niet tevreden te stellen met de afhandeling. Het lukte niet een behandelrelatie
op te bouwen, ook omdat klaagster regelmatig niet op afspraken verscheen. Klaagster
wilde niet in behandeling blijven en eiste uitgeschreven te worden. Omdat er geen
sprake was van gevaarscriteria, was het starten van verplichte zorg met een zorgmachtiging
niet mogelijk.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 mei 2025;
- de brief van de secretaris van 11 juli 2025, met het verzoek de klacht aan te vullen;
- de aanvullende informatie met de bijlagen, ontvangen op 17 juli 2025;
- het verweerschrift met de bijlage, ontvangen op 4 september 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De klacht en de reactie van de psychiater
3.1
Klaagster verwijt de psychiater dat zij:
a) een onjuiste medische rapportage heeft opgesteld;
b) de diagnose ziekte van Behcet heeft gesteld, terwijl klaagster die ziekte niet
heeft;
c) onheuse bejegening (dreiging, intimideren, discrimineren, lastigvallen);
d) valsheid in geschrifte, door zich voor te doen als het D-team.
3.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
3.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
4.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hieronder nader uitleggen.
Klachtonderdelen a) en b) onjuiste medische rapportage en diagnose stellen die klaagster
niet heeft
4.3 Vanwege de samenhang zal het college deze klachtonderdelen gezamenlijk
behandelen. Klaagster verwijt de psychiater een medisch incorrecte rapportage te hebben
opgesteld, waarin een diagnose vermeld staat die klaagster niet heeft. De psychiater
stelt dat zij na de intake van klaagster de diagnose posttraumatische stresstoornis
heeft gesteld, en dat het haar niet bekend is waarom dit onjuist zou zijn. Verder
heeft klaagster zelf over de diagnose ziekte van Behcet verteld, en is dit geen diagnose
die de psychiater zelf heeft gesteld. Deze mededeling is in de rapportage aan de huisarts
opgenomen.
4.4 Het college gaat er vanuit dat de klacht zich richt tegen de terugkoppeling van de psychiater aan de huisarts per brief van 19 december 2024. Door het college kan niet worden vastgesteld dat in dit geval sprake is van een onjuiste medische rapportage, omdat dit standpunt door klaagster onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast is een somatische aandoening zoals de ziekte van Behcet geen diagnose die een psychiater stelt, maar is deze wel relevant voor de psychiatrische diagnostiek. Het was zorgvuldiger geweest als de psychiater in de brief aan de huisarts duidelijk had beschreven dat klaagster zelf verteld had dat zij de ziekte van Behcet had, echter het college acht de beschrijving hiervan in deze brief niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klaagster heeft ook niet bestreden dat zij die mededeling aan de psychiater heeft gedaan. Deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) onheuse bejegening
4.5 Klaagster stelt dat sprake is van onheuse bejegening door de psychiater
en ook van intimidatie, discriminatie en lastig vallen op medisch gebied. Dit (verder
niet onderbouwde) standpunt wordt door de psychiater betwist. Het college is van oordeel
dat van onheuse bejegening, zoals door klaagster gesteld, niet is gebleken. In de
overgelegde stukken is hiervoor geen aanknopingspunt te vinden. Nu niet kan worden
vastgesteld dat sprake is van onheuse bejegening, is ook dit klachtonderdeel kennelijk
ongegrond. Klachtonderdeel d) valsheid in geschrifte
4.6 Verweerster is als psychiater verbonden aan D. In haar hoedanigheid van
regiebehandelaar heeft zij in ieder geval twee brieven naar de voormalig huisarts
van klaagster gestuurd, om hem te informeren over de behandeling. Onder de brief van
1 oktober 2024 staat expliciet vermeld dat de brief op elektronische wijze is vervaardigd,
en dat derhalve ondertekening ontbreekt. In de vragenlijst van 8 december 2023 staat
de AGB-code van de psychiater. Het is het college niet gebleken dat op enige wijze
sprake zou zijn van valsheid in geschrifte door de psychiater, zoals door klaagster
is gesteld. Het is duidelijk dat de psychiater de huisarts heeft geïnformeerd en verslagen
heeft opgesteld in de hoedanigheid van psychiater, werkzaam bij D. Dit laatste klachtonderdeel
is dan ook kennelijk ongegrond.
Slotsom
4.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
5. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 5 december 2025 door J. Sap, voorzitter, H.J. Kolthof en
T.P. Waning, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.