ECLI:NL:TGZRZWO:2025:157 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/7994

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:157
Datum uitspraak: 05-12-2025
Datum publicatie: 11-12-2025
Zaaknummer(s): Z2025/7994
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager heeft een aanvraag gedaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Deze aanvraag is afgewezen. Klager heeft hiertegen geprocedeerd. De Centrale Raad van Beroep heeft DUO opgedragen een medisch adviseur over de zaak van klager te laten oordelen. Verweerder heeft als medisch adviseur op verzoek van DUO medische rapportages uitgebracht. Klager beklaagt zich over deze rapportages. Het college is van oordeel is dat de rapportages voldoen aan de daaraan te stellen eisen en verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 5 december 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

gemachtigde: C, werkzaam in B,

tegen

D,

arts,

destijds werkzaam in E/F,

verweerder, hierna ook: de arts,

gemachtigde: mr. D. Kuijken, werkzaam in Groningen.

1. De zaak in het kort

1.1 Klager heeft een aanvraag gedaan op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Deze aanvraag is afgewezen. Klager heeft hiertegen geprocedeerd. De Centrale Raad van Beroep heeft DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) opgedragen een medisch adviseur over de zaak van klager te laten oordelen. Verweerder heeft als medisch adviseur op verzoek van DUO medische rapportages uitgebracht. Klager beklaagt zich over deze rapportages.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is, maar kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 9 januari 2025;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlagen per e-mail op 1 april 2025 en per post op 2 april 2025;
  • de volledige versie van bijlage 1 van het klaagschrift, ontvangen op 8 april 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 juni 2025.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten

3.1 Klager stond in het studiejaar 2010-2011 ingeschreven voor de wo-opleiding G aan de Universiteit H. In het studiejaar 2011-2012 stond klager voor dezelfde opleiding ingeschreven aan de I. Klager kreeg in december 2010 gezondheidsproblemen waardoor hij uiteindelijk zijn wo-studie niet heeft voortgezet. Klager heeft daarom in 2011 bij de minister een Verzoek Voorziening prestatiebeurs ingediend. Daarbij heeft hij op grond van artikel 5.16, vierde lid van de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF) verzocht om een nieuwe aanspraak op studiefinanciering voor een voor hem meer passende studie (J), waar hij zich in september 2012 voor heeft ingeschreven. Deze aanvraag is in eerste instantie afgewezen. Klager heeft hierover geprocedeerd. Zijn bezwaar en vervolgens zijn beroep bij de rechtbank zijn allebei ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de rechtbank heeft klager hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Op 27 mei 2015 heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden bij de CRvB. De CRvB oordeelde dat er nader onderzoek moest worden gedaan om tot een oordeel te komen. De CRvB heeft, bij brief van 1 februari 2016, DUO verzocht om een arts in te schakelen om te beoordelen of er sprake was van bijzondere omstandigheden van medische aard als bedoeld in artikel 5.16, lid 4 WSF 2000. In deze brief staat vermeld dat uit de beoordeling van de door DUO ingeschakelde arts deugdelijk onderbouwd zal moeten blijken of klager al dan niet als gevolg van handicap/ziekte genoodzaakt is geweest de opleiding G te beëindigen en of de nadien aangevangen opleiding J al dan niet passender is gelet op de handicap/ziekte van klager.

3.2 DUO heeft verweerder als medisch adviseur verzocht om deze beoordeling te geven. Bij brief van 10 februari 2016 heeft verweerder klager verzocht om hem nader in te lichten over zijn medische situatie. Hij heeft klager gevraagd om een eigen beschrijving van zijn medische situatie en om een ondertekende machtiging te sturen waarmee verweerder medische informatie bij de behandelaar/behandelaren van klager kon opvragen. Klager heeft hier geen gehoor aan gegeven maar heeft de CRvB verzocht om een beoordeling van verweerder achterwege te laten en zelfstandig te beoordelen of klager in aanmerking zou komen voor de voorziening. De CRvB heeft geen aanleiding gezien tot een wijziging van de vraagstelling genoemd in de brief van 1 februari 2016. Verweerder heeft bij brief van 15 maart 2016 klager opnieuw verzocht om een zelfbeschrijving en een ingevulde machtiging te sturen.

3.3 Klager heeft vervolgens een toestemmingsverklaring gestuurd waarin hij zijn huisarts machtigt om inlichtingen aan verweerder te verstrekken. Ook heeft hij een zelfbeschrijving toegestuurd. Verweerder heeft de huisarts van klager meerdere brieven gestuurd met het verzoek om medische informatie. Klager heeft verweerder per e-mail van 27 november 2016 laten weten dat hij de CRvB heeft verzocht om DUO opdracht te geven om verweerder op basis van de al beschikbare documenten een oordeel te geven. Het betreft het (bij de aanvraag verplicht over te leggen) formulier van 19 juli 2012 met medische informatie van de huisarts, een brief van de huisarts van 7 november 2014, een foto van de medicijndoos met de datum 12 december 2011. Op basis van de feitelijke informatie uit deze documenten zou verweerder volgens klager een antwoord moeten kunnen geven op de gestelde vraag.

3.4 Op 7 december 2016 heeft er opnieuw een zitting plaatsgevonden bij de CRvB. In het proces-verbaal is opgenomen dat het onderzoek door de medisch adviseur niet volledig is geweest en dat de minister wederom een medisch adviseur inschakelt. De vraagstelling aan de medisch adviseur blijft dezelfde. Nu gebleken is dat de huisarts van klager de door de medisch adviseur verzochte inlichtingen niet heeft verstrekt, wordt van de medisch adviseur verlangd dat hij advies uitbrengt op grond van de in het dossier aanwezige stukken en eigen onderzoek. Als hiermee geen deugdelijk onderbouwd advies kan worden gegeven dan ligt het op de weg van de medisch adviseur om een externe deskundige in te schakelen.

3.5 Verweerder heeft op 30 januari 2017 een rapportage uitgebracht waarin hij tot de conclusie komt dat er geen sprake is van een bijzondere medische omstandigheid van structurele aard zoals bedoeld in artikel 5.16, vierde lid WSF 2000. Klager is niet als gevolg van ziekte en/of gebrek genoodzaakt geweest de opleiding G te beëindigen. Er is geen argument van objectief medische aard op grond waarvan de J passender zou zijn.

3.6 Klager heeft naar aanleiding van deze rapportage een rapportage d.d. 13 april 2017 laten opstellen door K, neuroloog in opleiding. DUO heeft verweerder per e-mail van 2 mei 2017 verzocht een reactie op deze rapportage te geven. Verweerder heeft dit gedaan in zijn rapportage van 19 juni 2017. K heeft op verzoek van klager opnieuw een rapportage opgesteld en is hierin ingegaan op de rapportage van verweerder van 19 juni 2017. Klager heeft deze rapportage van K overgelegd aan de CRvB. Daarbij is tevens een brief van 4 augustus 2017 van psychotherapiepraktijk L overgelegd. In deze brief staat dat klager bij deze praktijk negen behandelingen heeft gevolgd tussen september 2010 en augustus 2011 in verband met een depressie. DUO heeft verweerder opnieuw gevraagd een rapportage op te stellen in reactie op het rapport van K. Verweerder heeft dit gedaan in zijn rapportage van 22 augustus 2017 waarin hij beschrijft dat hij geen aanknopingspunten ziet om zijn eerdere conclusie te herzien.

3.7 Op 15 november 2017 heeft de CRvB uitspraak gedaan en geoordeeld dat het hoger beroep niet slaagt.

3.8 Op 9 januari 2025 heeft klager onderhavige klacht ingediend.

4. De klacht en de reactie van de arts

4.1 Klager verwijt de arts dat hij:

  1. Medisch/wetenschappelijke onjuiste stellingen heeft gebruikt in zijn rapporten;
  2. Onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan;
  3. Onterecht heeft getwijfeld aan het oordeel van de behandelend arts;
  4. Conclusies heeft getrokken die op basis van de beschikbare informatie nooit getrokken had mogen worden.

4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Voor het opstellen van een medische rapportage gelden op grond van vaste rechtspraak de volgende eisen:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusies van de rapportage wordt beoordeeld of de arts in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.2 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.3 De klachten die door klager ter beoordeling zijn voorgelegd zien op de wijze waarop de rapportages tot stand zijn gekomen en de conclusies daarvan. Omdat klager een groot aantal klachtonderdelen heeft benoemd zal het college die onderdelen hierna bespreken, waarbij (gelet op die onderdelen) de criteria waaraan rapportages dienen te voldoen zoals hiervoor genoemd ook aan de orde komen.

5.4 De klachten hebben betrekking op twee rapportages: de rapportage van verweerder van 30 januari 2017 waarin hij zijn advies uitbrengt ten aanzien van de aan hem gestelde vraag door de CRvB en de rapportage van 19 juni 2017 waarin hij op verzoek van DUO reageert op het rapport van K en geen aanleiding ziet zijn in de eerdere rapportage geformuleerde conclusie aan te passen.

5.5 Klacht a over het hanteren van medisch-wetenschappelijk onjuiste stellingen bestaat uit vier verschillende onderdelen die beide rapporten betreffen. Het gaat hierbij kort gezegd om de wijze waarop in de rapportages stellingen zijn ingenomen over de (lage en niet verhoogde) dosering van de medicatie Fluxovamine en het verband tussen de hoogte van die dosering en de ernst van de klachten. Deze onderdelen overlappen elkaar deels en lenen zich voor gezamenlijke beoordeling.

5.6 Verweerder heeft in het verweerschrift goed onderbouwd uiteengezet dat hij in zijn rapportages feitelijke stellingen heeft ingenomen die op diverse medische bronnen (in de rapportages zijn benoemd: protocol depressie, Standaard onderzoek bij Psychische stoornissen, farmacotherapeutisch kompas) zijn gebaseerd. Dat die stellingen onjuist zijn of dat verweerder zich niet op die bronnen kon baseren is het college niet gebleken. Het college is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder medisch of wetenschappelijk onjuiste stellingen heeft ingenomen in zijn rapportages, waarmee deze klacht faalt.

5.7 Klacht b houdt in dat verweerder onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Deze klacht bestaat uit zeven onderdelen die ook weer beide rapporten betreffen. Voor zover de onderdelen gaan over de psychologische behandelingen waarnaar gevraagd had moeten worden of waaraan ten onrechte voorbij is gegaan (onderdelen 5, 6 en 11) stelt het college vast dat klager, hoewel hem die gelegenheid in de brief van 10 februari 2016 wel is geboden, verweerder geen machtiging heeft gegeven om informatie op te vragen bij een psycholoog. Daarnaast heeft klager in zijn zelfbeschrijving aangegeven een stuk of vier behandelingen te hebben ondergaan in 2010-2011. Verder heeft hij uitdrukkelijk verzocht het advies te baseren op de voorhanden zijnde informatie. Uit de rapportages blijkt dat verweerder aan deze psychologische behandelingen niet is voorbijgegaan. Of er nu vier of negen behandelingen zijn geweest, hier is geen sprake van een zodanig aantal behandelingen dat verweerders onderzoek zonder hier verder navraag naar te doen gelet op het voorgaande als onzorgvuldig moet worden beoordeeld.

5.8 De klachtonderdelen 7 en 10 zien op het door verweerder niet gebruiken van de criteria van de DSM om te bepalen of sprake was van een chronische depressie. Deze onderdelen miskennen dat het niet aan verweerder als medisch adviseur is om een diagnose te stellen. Verweerder diende op basis van de voorhanden stukken antwoord te geven op de vraag of sprake was van bijzondere omstandigheden van medische aard die maakten dat klager genoodzaakt was zijn G studie te beëindigen. Artikel 5.16 lid 4 van de WSF 2000 is een vangnetbepaling die uitsluitend ziet op zeer bijzondere gevallen. De medische gegevens die verweerder ter beschikking had waren ook niet zodanig dat verweerder een externe deskundige, zoals een psychiater, had moeten inschakelen om klager nader te beoordelen op dit vlak.

5.9 Klachtonderdeel 8 gaat over het sociaal maatschappelijk functioneren van klager dat verweerder in zijn tweede rapportage (de reactie op het rapport van K) over het hoofd zou hebben gezien. Omdat dat functioneren voor K geen rol speelde bij diens beantwoording van de vraagstelling, hoefde verweerder daar in zijn reactie dan ook niet meer op in te gaan.

5.10 Klachtonderdeel 9 betreft de beweerdelijk onjuiste interpretatie van de ‘Standaard onderzoek bij psychische stoornissen’. Anders dan klager stelt blijkt uit de rapportages niet dat verweerder zich op het standpunt stelt dat alle stappen uit het stappenplan moeten zijn doorlopen wil sprake zijn geweest van een adequate behandeling. In het verweerschrift heeft verweerder ter verduidelijking nog opgemerkt dat klager (in feite) geen enkele stap heeft doorlopen.

5.11 Uit het voorgaande volgt dat ook deze klacht niet slaagt.

5.12 Klacht c gaat er over dat verweerder ten onrechte getwijfeld heeft aan het oordeel van de huisarts, de behandelend arts, dat klager een depressie heeft. In de eerste rapportage heeft verweerder echter onder meer opgenomen dat sprake is geweest van klachten en verschijnselen geduid in het kader van een stemmingsstoornis en ook dat aannemelijk is dat klager als gevolg van een stemmingsstoornis vertraging in de studie kan oplopen. Verweerder heeft het bestaan van deze stoornis dus niet ontkend. De vraag was echter of die stoornis voldeed aan de (strenge) criteria van artikel 5.16 lid 4 van de WSF 2000. Deze klacht faalt derhalve ook.

5.13 Klacht d houdt in dat verweerder gelet op de aard, aantal en duur van de klachten en klagers beperkingen in redelijkheid niet tot de conclusie had kunnen komen dat er geen sprake was van een chronische depressieve stoornis maar van een tijdelijke depressieve periode. Het college stelt vast dat verweerder zelf geen diagnose heeft gesteld (dat is ook zijn taak niet) en ook geen oordeel heeft gegeven over het wel of niet bestaan van een chronische depressie. Hij is op grond van de hem ter beschikking staande gegevens wel tot de conclusie gekomen dat sprake moet zijn geweest van niet al te ernstige verschijnselen met een tijdelijk karakter. Gelet op de beschikbare gegevens (met name een betrekkelijk lage dosering medicatie door de huisarts en voorafgaand aan de depressie een gering aantal behandelingen van de psycholoog) en de medische bronnen waarop hij heeft gewezen, kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid tot die conclusie kon komen.

5.14 Het voorgaande betekent dat het college (net als de CRvB in haar beslissing van 15 november 2017) van oordeel is dat de rapportages voldoen aan de daaraan te stellen eisen zoals geformuleerd in 5.1.

Slotsom

5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klachten kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

De klachten zijn in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 5 december 2025 door F.P. Dresselhuys-Doeleman, voorzitter, A.S.M. Kraak en C.B.M. Dechesne, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

K.M. Dijkman, secretaris.

secretaris voorzitter



Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.