ECLI:NL:TGZRZWO:2025:156 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7221

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:156
Datum uitspraak: 28-11-2025
Datum publicatie: 04-12-2025
Zaaknummer(s): Z2024/7221
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg die als deskundige heeft gerapporteerd in een letselschadezaak naar aanleiding van een ongeval waarbij klager was aangereden. De in de rapportage van de chirurg opgenomen conclusie is – kort gezegd – dat er wel sprake is van beperkingen aan de heup van klager maar dat het onwaarschijnlijk is dat deze het gevolg zijn van het ongeval. Klager is het met de (wijze van) totstandkoming van de rapportage van de chirurg niet eens en meent dat de conclusie van de chirurg is gebaseerd op een gebrekkig onderzoek.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 28 november 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

gemachtigde: C,

tegen

D, orthopedisch chirurg,

destijds werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de chirurg,

gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort

1.1 Klager heeft na een verkeersongeval klachten aan zijn linkerheup. De chirurg heeft in het kader van een door klager gevoerde letselschadeprocedure een (deskundigen)onderzoek verricht en rapport uitgebracht. De in de rapportage van de chirurg opgenomen conclusie is – kort gezegd – dat er wel sprake is van beperkingen aan de heup maar dat het onwaarschijnlijk is dat deze het gevolg zijn van het ongeval. Klager is het met de (wijze van) totstandkoming van de rapportage van de chirurg niet eens en meent dat de conclusie van de chirurg is gebaseerd op een gebrekkig onderzoek.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat dat de chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 mei 2024;
  • het verweerschrift met de bijlagen;
  • het proces-verbaal van het op 24 oktober 2024 gehouden mondelinge vooronderzoek;
  • de van de zijde van verweerder op 21 november 2024 ontvangen röntgenfoto’s;
  • de van de zijde van klager op 23 januari 2025 ontvangen cd-roms met beeldvormend materiaal.

2.2 Bij brief van 11 februari 2025 is partijen meegedeeld dat de zaak zou worden verwezen naar het college voor een beoordeling in raadkamer. Bij brief van 31 maart 2025 is partijen meegedeeld dat het college in raadkamer heeft besloten de zaak te verwijzen voor een behandeling op een openbare zitting. De zaak is behandeld op de openbare zitting van 31 oktober 2025. De partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klager heeft daarnaast nog een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten

3.1 Begin 2018 werd klager, destijds zeventien jaar oud, op een kruispunt aangereden door een automobilist. De auto raakte klager en zijn scooter aan de linkerkant. Klager is daarna gevallen op zijn linkerzijde. Klager werd dezelfde dag nog door zijn vader naar het ziekenhuis gebracht, waar een hersenschudding werd vastgesteld. Klager moest vier tot zes weken rust houden.

3.2 Klager had na het ongeval ook klachten aan de linkerheup. Na de rustperiode ging klager op wintersport. Tijdens deze vakantie had klager pijn in/aan zijn linkerheup.

3.3 In verband met de klachten aan de heup werd klager door de huisarts verwezen naar het E. Daar werd op 4 september 2018 een MRI van het bekken gemaakt. Op 5 november 2018 werd een MRI gemaakt met artrografie. Bij een second opinion in F werd op basis van de MRI van 5 november 2018 geconstateerd dat mogelijk sprake was van een labrumletsel. Na eerst een conservatieve behandeling te hebben geprobeerd werd klager door de fysiotherapeut terugverwezen naar een orthopeed. Op 17 januari 2020 werd klager geopereerd en werd een labrumfixatie c.q. chondroplastiek uitgevoerd. Hierna volgde een revalidatietraject. In verband met aanhoudende klachten werd klager op 25 maart 2021 nogmaals geopereerd. Bij deze operatie werd een chondropatie graad 3 tot 4 van het kraakbeen gezien over het laterale deel van het acetabulum. Het labrum werd bijgewerkt en (verder) gestabiliseerd. Een bestaande CAM laesie werd verwijderd. Ook na deze operatie bleven klachten aan de linkerheup bestaan.

3.4 Tussen (de medisch adviseur van de rechtsbijstandsverzekering van) klager en de WAM-verzekeraar van de automobilist bestond een verschil van inzicht over het causale verband tussen het ongeval en de heupklachten van klager. De chirurg is met instemming van de betrokken partijen verzocht te adviseren over – kort gezegd – het oorzakelijk verband tussen de heupklachten en het ongeval.

3.5 Klager werd op 9 augustus 2023 door de chirurg gezien en onderzocht. Ook werden röntgenfoto’s van de heup gemaakt. Eerder gemaakt beeldvormend onderzoek werd opgevraagd en opnieuw beoordeeld door de chirurg, hetgeen echter enige technische (softwarematige) beperkingen met zich meebracht die optreden bij het importeren van beeldvormend materiaal van cd-roms.

3.6 Op 17 september 2023 reageerde klager met een begeleidende brief van 16 september 2023. Bij deze brief was de concept-rapportage gevoegd met door klager daaraan toegevoegde opmerkingen.

3.7 De chirurg stuurde de concept-rapportage, met schriftelijke toestemming van klager (ondanks diens inhoudelijke bezwaren) op 4 oktober 2023 door naar de medisch adviseurs van de rechtsbijstandsverzekeraar van klager en de WAM-verzekeraar van de automobilist. De verzekeraars reageerden bij brieven van 10 oktober 2023 (de WAM-verzekeraar van de automobilist) en 20 november 2023 (de rechtsbijstandsverzekeraar van klager).

3.8 Op 29 november 2023 stuurde de chirurg de definitieve rapportage naar de medisch adviseurs. De eerder gegeven reacties van partijen stuurde hij mee.

3.9 De chirurg beschrijft in zijn concluderende beschouwing in het rapport dat sprake was van uitgebreide pre-existente afwijkingen in de zin van een overmatige overkapping van de heup en een CAM impingement die de kans op een pre-existent labrumletsel zeer groot maakte. De chirurg achtte het zeer onwaarschijnlijk dat het labrumletsel veroorzaakt was door, dan wel in causaal verband stond met het ongeval. Als conclusie op zijn vakgebied noteerde hij:

“Status na letsel van de linkerheup, gepaard gaande met een contusie zonder blijvende ongevalsgevolgen.”

3.10 Op de onderzoeksvraag over de situatie met ongeval “Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?” (vraag 1f) antwoordde de chirurg:

“De diagnose op mijn vakgebied luidt:

Status na letsel van de linkerheup, gepaard gaande met een contusie zonder blijvende ongevalsgevolgen.

Ik heb geen specifieke differentiaaldiagnostische overwegingen.”

4. De klacht en de reactie van de chirurg

4.1 Klager verwijt de chirurg:

  1. dat hij niet of onvoldoende is ingegaan op de opmerkingen van klager op het conceptrapport en dat hij het conceptrapport hier niet op aan heeft gepast;
  2. dat zijn rapport niet voldoet aan de eisen die het tuchtcollege daaraan stelt nu de chirurg onvoldoende deskundig is om zonder raadpleging van specialisten het onderzoek uit te voeren en het onderzoek ook verder op geen enkele wijze voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden.

4.2 De chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling

5.1
De chirurg heeft een rapportage opgesteld over het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de heupklachten van klager. Naar vaste jurisprudentie moet een dergelijke rapportage voldoen aan de volgende criteria:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust.
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden.
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen.
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen.
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het tuchtcollege toetst daarbij ten volle of het onderzoek uit een oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage vindt slechts een marginale toetsing plaats. Dat betekent dat wordt beoordeeld of de chirurg in redelijkheid tot zijn conclusies heeft kunnen komen.

5.2 Het handelen door de chirurg zal in dit geval mede moeten worden beoordeeld aan de hand van de NVSMR-Richtlijn Medisch Specialistische rapportage in bestuurs- en civielrechtelijk verband (april 2016).

Klachtonderdeel a) ingaan op/aanpassen rapport aan de opmerkingen van klager
5.3 In paragraaf 7.10 van de hiervoor genoemde NVSMR-richtlijn staat:
“De onderzochte wordt in de gelegenheid gesteld het verslag van het onderzoeksgesprek (de “anamnese”) te controleren op eventuele feitelijke vergissingen of onjuistheden. Indien de onderzochte van die mogelijkheid gebruik maakt, worden diens voorstellen voor correctie als bijlage bij het rapport gevoegd. In het rapport wordt verwezen naar de voorstellen voor correctie en wordt aangegeven welke wijzigingen door de deskundige zijn aangebracht. De onderzochte heeft geen ‘correctierecht’ op het professionele oordeel en de conclusies.
Wanneer de deskundige van mening is, dat de voorgestelde correcties geen betrekking hebben op objectiveerbare feiten (zoals bijvoorbeeld data of personen), maar op voor het onderzoek relevante antwoorden die op gerichte vragen zijn gegeven, dan kan de deskundige ervan afzien die veranderingen in zijn rapport aan te brengen. Hij vermeldt dan om welke redenen hij die specifieke verandervoorstellen niet heeft overgenomen.”

5.4 Klager heeft met digitale opmerkingen bij de pagina’s 3 tot en met 6 gereageerd op de door de chirurg beschreven anamnese. De opmerkingen gaan vooral over volgens klager in de anamnese opgenomen feitelijke onjuistheden of zijn een aanvulling en toelichting op de anamnese. De chirurg is op pagina 4 van de definitieve rapportage ingegaan op de opmerkingen van klager over de anamnese. Over opmerking 3 bij pagina 3 schrijft de chirurg dat hij de term (namelijk het woord ‘beurs’) heeft opgeschreven die klager zelf tijdens de anamnese gebruikte. Over opmerking 3 bij pagina 4 schrijft de chirurg dat een anamnese niet de plaats is om bevindingen van de chiropractor te vermelden. Voor de overige opmerkingen over de anamnese verzoekt de chirurg daar kennis van te nemen, maar dat deze opmerkingen niet leiden tot een wijziging van de conclusies en bevindingen. Het college vindt deze opmerking navolgbaar en de gevolgde handelwijze niet onzorgvuldig.

5.5 Naast de opmerkingen over de anamnese heeft klager in zijn brief van 17 december 2023 en in de digitale opmerkingen bij de concept-rapportage opmerkingen gemaakt die niet gaan over feitelijke onjuistheden. Deze opmerkingen gaan – kort gezegd – over de volgens klager onvoldoende onderbouwing van de conclusie en het (te) beperkte onderzoek dat de chirurg volgens klager had gedaan. Ook de medisch adviseur van de rechtsbijstandsverlener van klager heeft bij brief van 20 november 2023 nog een reactie gegeven op de concept-rapportage. De chirurg is op pagina 4, 5 en 6 van de definitieve rapportage ingegaan op de opmerkingen en reacties en heeft uiteengezet waarom deze voor hem geen reden waren voor een andere weging van de beschikbare informatie of andere conclusies. Het college is van oordeel dat de chirurg hiermee afdoende heeft gereageerd op de opmerkingen van de zijde van klager.

5.6 Gelet op het voorgaande kan klachtonderdeel a) niet slagen.

Klachtonderdeel b) eisen aan de rapportage
5.7 Klager heeft in de eerste plaats naar voren gebracht dat de chirurg onvoldoende deskundig was en niet had mogen rapporteren zonder andere specialisten te raadplegen.

5.8 Het college volgt klager niet in dit standpunt. De chirurg is gebleven binnen de grenzen van zijn deskundigheid. Het rapporteren over het causale verband tussen het ongeval en de beperkingen van klager paste bij de deskundigheid van verweerder als orthopedisch chirurg met als (sub)specialisatie heupproblematiek. Bij de beantwoording van de onderzoeksvragen is de chirurg ook niet buiten deze deskundigheid getreden. Gezien de eigen deskundigheid van de chirurg was het niet nodig daarnaast nog andere specialisten te raadplegen. Dat betekent dat aan het onder 5.1 genoemde vijfde vereiste is voldaan.

5.9 De chirurg heeft in zijn rapportage op zorgvuldige wijze genoteerd welke feiten, omstandigheden en bevindingen zijn meegewogen bij de totstandkoming van zijn conclusies. Daarmee voldoet de rapportage aan de eis dat het de feiten, omstandigheden en bevindingen vermeldt waarop het berust (zie hiervoor onder 5.1, eis 1). Ook heeft hij een opsomming en samenvatting gegeven van de – naast anamnese en lichamelijk onderzoek – gebruikte bronnen (beeldvormend materiaal, brieven van behandelaars). Daarnaast heeft hij beschreven welke vakliteratuur door hem is geraadpleegd. Dat betekent dat de rapportage ook voldoet aan de eis dat daarin staat op welke bronnen de rapportage berust (zie hiervoor onder 5.1, eis 4). Uit het voorgaande volgt dat ook aan het onder 5.1 genoemde eerste en vierde vereiste is voldaan.

5.10 De chirurg heeft voor zijn onderzoek een anamnese afgenomen, lichamelijk onderzoek gedaan en röntgenfoto’s laten maken. Hij heeft daarnaast het beschikbare beeldvormend materiaal beoordeeld, brieven van behandelaars bestudeerd en relevante literatuur bestudeerd. Hiermee is normaal gesproken voldaan aan het vereiste van een geschikte methode van onderzoek in een medische expertise zoals hier aan de orde. Dat de chirurg gebruik heeft gemaakt van een overzichtsartikel (M. Groh: A comprehensive review of hip lateral tears. Curr Rev Muscoloskelet Med (2009) 2: 105-117) en niet ook de literatuur heeft geraadpleegd waarnaar in het overzichtsartikel wordt verwezen, is niet onzorgvuldig. Het overzichtsartikel bevat een uitgebreide beschrijving van de voor deze casus relevante wetenschappelijke inzichten. Dat betekent dat ook voldaan is aan de eis dat de rapportage blijk geeft van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden. Dat betekent dat ook aan het in 5.1 genoemde tweede vereiste is voldaan.

5.11 In de rapportage is gemotiveerd uiteengezet waarom de chirurg tot de conclusie komt dat het niet waarschijnlijk is dat het labrumletsel is ontstaan als gevolg van het ongeval. De chirurg heeft hierbij verwezen naar de literatuur waaruit volgt dat een traumatisch labrumletsel kan ontstaan bij luxatie of subluxatie van de heup. De chirurg heeft
daarover in het rapport aangegeven dat er geen luxatie of subluxatie van de heup is geweest. De chirurg heeft er in dit verband op gewezen dat klager zelf nog de bus naar school heeft genomen. In zijn reactie op het commentaar van de zijde van klager op de concept-rapportage heeft de chirurg onder verwijzing naar de gebruikte literatuur nog nader toegelicht dat bij een traumatisch labrumletsel een acute ernstige heuppijn bestaat en dat daarvan geen sprake is geweest. De chirurg heeft verder uiteengezet dat uit de literatuur volgt dat labrumletsel ook kan ontstaan bij pre-existente afwijkingen zoals de bij klager (onder meer) aanwezige overkapping en CAM impingement. Hiermee heeft de chirurg in zijn rapportage (voldoende) inzichtelijk en consistent uiteengezet op welke gronden zijn conclusies rusten. Ook aan de in 5.1 genoemde derde eis is voldaan.

5.12 Tot slot moet worden beoordeeld of de chirurg in redelijkheid tot zijn conclusies heeft kunnen komen. Klager is het niet eens met de conclusies in de rapportage. Volgens klager heeft de chirurg belangrijke feiten niet meegewogen of onjuist geïnterpreteerd en trekt de chirurg conclusies uit verbanden bij doelgroepen die niet kunnen worden vergeleken met klager. Klager vindt voorts dat de conclusies (deels) in strijd zijn met de literatuur waarnaar de chirurg verwijst.

5.13 Het college volgt klager niet in dit standpunt. De wijze waarop de chirurg de feiten en bevindingen over de situatie van klager voor en na het ongeval heeft betrokken en gewogen, is niet onzorgvuldig. De interpretatie van door de chirurg op basis van literatuur genoemde verbanden tussen pre-existente afwijkingen zoals bij klager aanwezig was en labrumletsel, was evenmin onzorgvuldig. Ook kan niet worden geconcludeerd dat een dergelijk verband niet paste bij de situatie van klager. Van een met de literatuur strijdige conclusie was evenmin sprake. De chirurg heeft ook voor het overige voldoende onderbouwd waarom en hoe hij tot zijn conclusies is gekomen en niet kan worden geoordeeld dat de chirurg in redelijkheid niet tot deze conclusies heeft kunnen komen. Wel mist het college in de uiteindelijke beantwoording van de vraagstelling (een verwijzing naar) de differentiaal diagnostische overwegingen die in de beschouwing op pagina 20 tot en met 22 van het definitieve rapport wél naar voren komen. In plaats daarvan heeft de chirurg bij de beantwoording van vraag 1f als conclusie genoteerd dat sprake was van een contusie van de heup zonder blijvende ongevalsgevolgen en dat hij geen specifieke differentiaaldiagnostische overwegingen had. Dit komt niet overeen met de beschouwing, waarin de chirurg wel degelijk andere diagnoses noemt als verklaring voor de beperkingen, zoals de pre-existente afwijkingen, het labrumletsel en de operatieve ingrepen. Het was beter geweest de differentiaaldiagnostische overwegingen - ook - op te nemen in de beantwoording van de vraagstelling, ook al was door de chirurg in de beschouwing uiteengezet waarom deze diagnoses naar zijn mening niet in relatie stonden tot het ongeval. De chirurg heeft zelf ter zitting ook aangegeven dat de beantwoording van vraag 1f op dit punt wat kort door de bocht was. Mede gezien de uitgebreide beschouwing en motivering van zijn conclusies, waarin de alternatieve verklaringen voor de klachten van klager aan bod komen, is dit onvoldoende voor de conclusie dat de chirurg op dit punt een (gegrond) tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.14 Gelet op het voorgaande kan ook klachtonderdeel b) niet slagen.


Slotsom

5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide klachtonderdelen ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door W.P. Claus, voorzitter, M. Mostert, lid-jurist,

H.W.B. Schreuder, H.W.J. Koot en F.J. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

M. Keukenmeester, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

secretaris voorzitter


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.