ECLI:NL:TGZRZWO:2025:155 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7464
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:155 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-11-2025 |
| Datum publicatie: | 24-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2024/7464 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een GZ-psycholoog deels gegrond. Maatregel: berisping. Klager en zijn ex-vrouw hebben twee kinderen. Op enig moment is de – op dat moment 15-jarige – dochter van klager in behandeling gekomen bij verweerster. Gedurende de behandeling heeft verweerster, vanwege zorgen over de situatie van de dochter in de thuissituatie bij klagers (vader en zijn nieuwe partner), een melding bij Veilig Thuis gedaan. De klacht heeft onder meer betrekking op de behandeling van klagers (stief)dochter en de Veilig Thuis melding. Het college komt tot het oordeel dat klagers deels ontvankelijk zijn in hun klacht en voor dat gedeelte de klacht gegrond is. Voor het overige worden klagers niet-ontvankelijk verklaard in hun klacht. Het college oordeelt dat verweerster door de wijze waarop en de aard van de gegronde verwijten ernstig is tekortgeschoten in haar verplichtingen als zorgverlener. Daarbij heeft het college de indruk gekregen dat verweerster zich niet voldoende bewust is geweest van de vereiste afwegingen en stappen en te snel – hoe goed bedoeld mogelijk ook – is overgegaan tot het doen van een VT-melding. Ook werden in het behandelplan op een gegeven moment andere doelen opgenomen, waar niet over is gecommuniceerd en klager onvoldoende bij werd betrokken. Berisping passend en geboden. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 21 november 2025 op de klacht van:
A
, klager,
en B
, klaagster,
wonende in C,
tegen
D ,
gezondheidszorgpsycholoog,
(destijds) werkzaam in E,
verweerster,
hierna ook: de GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. J. Huitema, werkzaam in Haarlem.
- De zaak in het kort
1.1 Klager en zijn ex-vrouw hebben twee kinderen. Op enig moment is de – op dat moment 15-jarige – dochter van klager in behandeling gekomen bij F. Onderdeel van deze behandeling was systeemtherapie, met verweerster als systeemtherapeut. Zowel klager, zijn ex-vrouw als hun zoon waren hierin betrokken. Gedurende de behandeling heeft verweerster, vanwege zorgen over de situatie van de dochter in de thuissituatie bij klagers (vader en zijn nieuwe partner), een melding bij Veilig Thuis (hierna: VT) gedaan.
1.2 De klacht heeft onder meer betrekking op de behandeling van klagers’ (stief)dochter
en de VT-melding.
Het college komt tot het oordeel dat klagers deels ontvankelijk zijn in hun klacht
en voor dat gedeelte de klacht gegrond is. Voor het overige worden klagers niet-ontvankelijk
verklaard in hun klacht. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1
Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 22 juli 2024;
-de brief van de secretaris van 19 augustus 2024;
-de aanvulling van de zoon van klager, ontvangen op 15 oktober 2024;
-het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 23 oktober 2024;
-aanvullende stukken van klagers, ontvangen op respectievelijk 5 december 2024 en
3 januari 2025;
-het proces-verbaal van het op 4 februari 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
-aanvullende stukken van verweerster, ontvangen op 5 februari 2025 naar aanleiding
van het mondelinge vooronderzoek;
-aanvullende stukken van klagers, ontvangen op respectievelijk 10 februari 2025
en
29 april 2025;
-een aanvullend klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2025;
-een reactie van verweerster op het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek,
ontvangen op 2 juni 2025;
-een reactie (met bijlage) van verweerster op het aanvullende klaagschrift, ontvangen
op 10 juni 2025.
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 10 oktober 2025. Het verzoek van
verweerster om de zaak achter gesloten deuren te behandelen is aan het begin van de
zitting afgewezen. De behandeling heeft vervolgens in het openbaar plaatsgevonden.
De partijen zijn verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De
partijen en de gemachtigde van verweerster hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
De gemachtigde van verweerster heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college
en de andere partij overhandigd.
- De feiten
3.1 Klager en klaagster zijn gehuwd. Uit een vorig huwelijk heeft klager twee
kinderen:
dochter G en zoon H. Zij verbleven afwisselend bij klager en bij hun moeder toen
in 2022 een conflict ontstond tussen de kinderen en hun moeder. Hierna verbleven de
kinderen bij klagers in huis.
3.2 Om het contact tussen de kinderen en hun moeder te herstellen, heeft klager via een verwijzing van de huisarts contact gelegd met F. Hier heeft op 21 juni 2022 een intake plaatsgevonden en op 23 juni 2022 is een ondersteuningsplan opgemaakt. Omdat de zoon op dat moment al 18 jaar was en niet meer onder de Jeugdwet viel, was de behandeling enkel gericht op de dochter (op dat moment 15 jaar oud). Wel maakte systeembehandeling met het (oude) gezin onderdeel uit van de behandeling. Verweerster was als systeembehandelaar bij de behandeling betrokken.
3.3 Omdat een duidelijke omgangsregeling voor de praktijk een voorwaarde was
voor het starten van een behandeling en het niet lukte om te komen tot een omgangsregeling
waarin beide ouders zich konden vinden, is het dossier aanvankelijk gesloten op 23september
2022.
3.4 Nadat er nadere afspraken gemaakt waren tussen klager en zijn ex-vrouw, is op 1 november 2022 een vervolgdossier geopend.
3.5 Op 8 november 2022 is een behandelplan opgesteld waarin beide kinderen en ouders zich konden vinden. Op 29 november 2022 is een nieuw ondersteuningsplan opgesteld, waarmee klager ook akkoord was. Ingezet is op systeembehandeling, waarbij moeder en beide kinderen wekelijks op gesprek kwamen. Ook klager werd hierin betrokken. Hij kreeg gedurende de behandeling terugkoppelingen van verweerster over de systeemgesprekken en de behandeling van de dochter. Ook is er incidenteel met hem gesproken. Klager gaf op zijn beurt via de e-mail zijn zorgen en observaties over de dochter aan.
3.6 Op 16 mei 2023 werd de dochter 16 jaar. Inmiddels had contactherstel met haar moeder plaatsgevonden. Gaandeweg kwam de nadruk meer te liggen op de individuele behandeling van de dochter en minder op systemische behandeling.
3.7 In het kader van deze individuele behandeling heeft de dochter tijdens een sessie op 25 juli 2023 klager vanuit de praktijk gebeld om met hem een afspraak te maken. Klager ging hiermee akkoord. Een concrete afspraak kon vanwege vakantie niet direct gemaakt worden. Per e-mail diezelfde dag aan de individuele behandelaar heeft klager de vraag voorgelegd wat ze met hem wilden bespreken.
3.8 De individuele behandelaar van de dochter heeft in reactie hierop bij e-mail van
26 juli 2023 onder meer de volgende toelichting gegeven:
“Wij zouden jou en jouw partner B graag meenemen in G haar proces en met jullie delen wat zij tot nu toe geleerd heeft en waar ze soms nog mee kan worstelen. Ze heeft met jullie samen doelen geformuleerd, waar ze hard aan heeft gewerkt. Wij hopen dat zowel jij als B betrokken wil zijn bij dit proces.
Het zou voor G fijn zijn als dit gesprek op korte termijn zou kunnen plaatsvinden, zodat ze deze goede ontwikkeling kan voortzetten.”
3.9 Klager heeft vervolgens bij e-mail van 27 juli 2023 laten weten dat, aangezien het traject gericht was op de dochter en haar moeder, het hem beter leek om geen afspraak in te plannen.
3.10 Op 8 september 2023 heeft de individuele behandelaar van de dochter klager uitgenodigd voor een belafspraak, teneinde haar eerdere e-mail verder toe te lichten. Klager heeft hierop laten weten verdere betrokkenheid van hem en informatieverstrekking naar hem niet nodig en wenselijk te vinden.
3.11 Vervolgens heeft verweerster op 27 september 2023 een e-mail aan klager gestuurd, onder meer inhoudende:
“Uit de terugkoppeling van de gesprekken van G en I [RTG: moeder] krijg ik aanhoudend signalen waar ik mij zorgen over maak en die ik wil bespreken met jou. Hiervoor wil ik je uitnodigen voor een gesprek op de praktijk.”
In zijn reactie hierop heeft klager aangegeven totaal geen vertrouwen te hebben in het verloop van het traject en dat hij verder niet benaderd wenste te worden.
3.12 Nadat verweerster anoniem advies had gevraagd aan VT en aan haar geadviseerd was om een melding te doen, heeft zij dit op 11 oktober 2023 gedaan. De dochter verbleef inmiddels, in afwijking van de omgangsregeling, volledig bij haar moeder. In het meldingformulier van VT heeft verweerster de zorgen uiteengezet over de interactie tussen de dochter en klagers, met daarbij een lijst signalen op basis van de mededelingen van de dochter. In de melding is als grootste zorg benoemd dat de dochter emotioneel in hoge mate klem komt te zitten en dat zij bij hoge stress als uitweg kiest voor zelfbeschadiging of suïcide. Daarnaast dat de relatie van de dochter met klager voor langere tijd verstoord blijft en dat dit lijdt tot verdere verwijdering tussenbeide. Verder is in de melding vermeld dat geprobeerd is met klager over de zorgen omtrent de dochter in gesprek te gaan, dat hij daartoe tot driemaal toe is uitgenodigd, maar dat dit door hem werd afgehouden.
3.13 Verweerster heeft de dochter en haar moeder diezelfde dag op de praktijk
geïnformeerd over de bestaande zorgen en de melding bij VT. Daarnaast heeft zij klager,
eveneens diezelfde dag, per e-mail op de hoogte gebracht:
“Beste A,
Je hebt aangegeven geen contact meer te willen met de praktijk. Ik mail je echter toch om te vertellen dat I en ik zorgen hebben over een aantal punten die G met I heeft besproken en dat we onze zorgen vandaag hebben gemeld bij Veilig Thuis J. We hebben geprobeerd deze onderwerpen met jou te bespreken en stonden ervoor open om ook jouw ervaringen en zorgen te horen.
Onze zorgen betreffen de huidige interactie van G met jou en jouw partner. We hadden de melding eerst met jou willen bespreken maar waren nu genoodzaakt de melding te doen zonder een gesprek vooraf met jou.”
3.14 Klager is telefonisch en bij brief van 17 november 2023 door VT geïnformeerd over de melding. Daarbij is aan hem meegedeeld dat VT gelet op de aard en ernst besloten heeft om zelf geen onderzoek te doen maar de gemelde zorg over te dragen aan de klantmanagers Jeugd / WMO van de gemeente K.
3.15 De behandeling van de dochter bij F is afgesloten op 21 november 2023.
3.16 Op 27 december 2023 heeft klager nogmaals een brief van VT ontvangen. Geadviseerd
is onder meer om laagdrempelig en vrijblijvend contact te blijven houden/zoeken met
zijn dochter. Aan de dochter is geadviseerd om, wanneer zij daar klaar voor zou zijn,
onder begeleiding te werken aan het contactherstel. Verder is aan moeder aangegeven
dat het belangrijk is om contactherstel te blijven motiveren. De dochter stond op
dat moment echter niet meer open voor contact met klager.
3.17 Begin 2024 is de dochter na verwijzing van de huisarts opnieuw verwezen naar F. Deze verwijzing is niet aangenomen, met als reden dat systemische behandeling met onder meer klager door de praktijk voorliggend werd geacht en klager geen vertrouwen had in de behandelaren.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klagers verwijten verweerster - samengevat - het volgende: 1) het doen van een
onzorgvuldige melding bij VT:
-door het niet juist volgen van de Meldcode;
-door nooit een duidelijk signaal af te geven over de zorgen in de opvoeding bij
klagers;
-door in de afweging onvoldoende in te zien wat de gevolgen voor de gezinnen zouden
zijn en zich beschikbaar te stellen voor therapie na de melding terwijl dit niet meer
passend is;
-door de melding niet/onvoldoende met de dochter van klager door te nemen;
-door alternatieven onvoldoende te onderzoeken;
-waardoor de goede naam/imago van klager is aangetast in verband met zijn publieke
functie.
2) tekortkomingen in het onderzoekplan en hulpverlening, door:
- klager onvoldoende te betrekken bij de behandeling;
- de verslaglegging en communicatie niet te evalueren met betrokkenen;
- onvoldoende te luisteren naar signalen over de kwaliteit van de samenwerking/relatie en nooit te reageren op meldingen rondom gebrek aan vertrouwen;
- onvoldoende duidelijkheid verschaffen over de aard van de behandeling, rol en positie van betrokkenen;
- te handelen vanuit aannames en partijdigheid voor moeder en dochter;
- informatie met betrekking tot dochter achter te houden/niet te delen;
- niet adequaat te reageren op meldingen rond zorg/welbevinden van dochter en geen aandacht te hebben voor het door verweerster vastgestelde uitspeelgedrag;
- onvoldoende aandacht te besteden aan het expliciet toestemming vragen voor deelname aan het behandeltraject van de zoon van klager;
3) het niet houden aan afspraken/niet consequent zijn, door:
- zich niet te houden aan de voorwaarde om niet in gesprek te gaan over een ander huishouden;
- af te wijken van het behandelplan (betrekken partner moeder en opa/oma);
-
druk te leggen om te komen tot een nieuwe omgangsregeling en aanpassing van de financiën
in plaats van zich alleen te richten op de doelstelling van het behandeltraject, te
weten contactherstel tussen moeder en kinderen.
- Verweerster heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt. Voor het overige heeft verweerster het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
- De overwegingen
van het college
Is klaagster ontvankelijk?
- 5.1 In artikel 65 lid 1 van de Wet BIG is vermeld dat een zaak in eerste aanleg bij het bevoegde regionale tuchtcollege aanhanging kan worden gemaakt door indiening van een klaagschrift door: 1. een rechtstreeks belanghebbende; 2. degene die aan de beklaagde een opdracht heeft verstrekt; 3. degene bij wie of het bestuur van een instelling waarbij de beklaagde werkzaam of voor het verlenen van individuele gezondheidszorg ingeschreven is; 4. de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
- 5.2 Gelet op deze bepaling kan klaagster alleen worden ontvangen in haar klacht als zij kan worden aangemerkt als ‘rechtstreeks belanghebbende’. Dit betekent dat sprake moet zijn van een belang dat rechtstreeks bij een behandeling op het gebied van de individuele gezondheidszorg is betrokken. Hierbij moet allereerst gedacht worden aan een patiënt van een BIG-geregistreerd zorgverlener. Bij uitzondering kunnen ook anderen dan de patiënt als rechtstreeks belanghebbenden worden aangemerkt. Het uitgangspunt is echter dat de patiënt die daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het al dan niet indienen van een klacht met betrekking tot zijn behandeling. Daarnaast kan iemand onder omstandigheden klagen over een door een zorgverlener opgestelde verklaring, wanneer in die verklaring ook uitlatingen worden gedaan over die betreffende persoon en diegene daarmee in diens belangen kan worden geschaad.
- 5.3 Het college stelt vast dat er geen sprake was van een zorgrelatie tussen klaagster en verweerster, omdat zij geen onderdeel was van de systeemtherapie. Nu een groot deel van de klachtonderdelen ziet op de systeemtherapie kan klaagster niet worden ontvangen in haar klacht, behalve voor zover het ziet op de melding bij Veilig Thuis. Deze melding is namelijk een door de zorgverlener opgestelde verklaring, waarin ook uitlatingen worden gedaan over klaagster en het huishouden van klagers, waarmee klaagster in haar belangen kan worden geschaad. Klaagster kan daarom wel (en uitsluitend) worden ontvangen in haar klachtonderdeel met betrekking tot de melding bij Veilig Thuis voor zover daarin uitlatingen worden gedaan over klaagster. Het college zal zich hierna beperken tot dat onderdeel van de klacht.
Is klager ontvankelijk wat betreft de klachtonderdelen over de behandeling van zijn dochter?
5.4 Het college overweegt hierover als volgt. Uit artikel 7:447 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vloeit voort dat de minderjarige patiënt die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, zelf bevoegd is een klacht in te dienen, zodat daarmee de bevoegdheid van de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige om als zodanig te klagen, komt te vervallen. In deze procedure heeft klager als vader van zijn klachtgerechtigde dochter de klacht ingediend. De dochter heeft niet zelf verklaard te willen klagen of zelf als klager te willen worden aangemerkt in deze tuchtprocedure. Uit de terugkoppeling per e-mail op 29 juli 2024 van de voorzitter van de klachtencommissie ‘Klachtenportaal Zorg’ aan klager blijkt dat de dochter in die klachtenprocedure expliciet heeft aangegeven dat zij niet betrokken wil worden bij de behandeling van de klacht. Gelet op die informatie ligt het dan ook niet voor de hand dat de dochter in deze procedure wél wil klagen. Het college oordeelt daarom dat klager als ouder niet-ontvankelijk is in zijn verwijten die zien op de behandeling van zijn dochter.
5.5 Het college zal de klacht hierna (in zoverre) inhoudelijk behandelen.
De criteria voor de beoordeling
5.6 Het college stelt voorop dat de zaak veel impact heeft gehad en nog steeds heeft op klagers. Desondanks moet het college de ingediende klacht beoordelen aan de hand van zakelijke criteria. Daarbij gaat het erom of verweerster als GZ-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Het beloop en kennis achteraf moeten buiten beschouwing bijven. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Kern van de verwijten
5.7 Het klaagschrift bevat een veelheid aan klachtonderdelen. Deze zijn vervolgens uitgebreid met aanvullende klachtonderdelen, welke deels met elkaar overlappen. Het college heeft kennis genomen van alle verwijten. Ter zitting is gebleken dat de klachtonderdelen in de kern zien op twee onderwerpen, namelijk de melding bij Veilig Thuis en de inzet van de hulpverlening (behandeling).
Klachtonderdeel 1) onzorgvuldige melding bij Veilig Thuis
5.8 De klachtonderdelen die zien op de melding bij VT lenen zich voor een
gezamenlijke behandeling. Zij betreffen de klacht over de melding bij Vellig Thuis
over de opvoedsituatie van de (stief)dochter van klagers. Klagers zijn van mening
dat de melding onzorgvuldig is gedaan, zonder klagers vooraf te informeren over de
zorgen en haar voornemen te gaan melden. Volgens hen zijn alternatieven onvoldoende
onderzocht en is de melding niet goed afgewogen. In de melding wordt uitgegaan van
eenzijdige informatie en niet-geverifieerde aannames. Verweerster is het daar niet
mee eens. Zij vindt dat zij aan haar inspanningsverplicht heeft voldaan en de stappen
uit de meldcode heeft gevolgd.
5.9 Vooropgesteld moet worden dat het tot de zorgplicht en verantwoordelijkheid van een GZ-psycholoog behoort om bij een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling actie te ondernemen. Het toetsingskader voor de melding wordt gevormd door de door de Rijksoverheid vastgestelde Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling en het daarin opgenomen stappenplan. In de Wegwijzer Wet en Regelgeving voor psychologen in de gezondheidszorg van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) uit 2023 is de meldcode toegelicht voor de beroepsgroep. Ook is er een Afwegingskader voor psychologen, pedagogen, (psycho)therapeuten, sociaal werkers en jeugd- en gezinsprofessionals (2018) dat samen met het stappenplan uit de meldcode gebruikt moet worden. Volgens vaste tuchtrechtspraak is daarnaast de uitgewerkte KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld (in dit geval: versie 2018) van belang, ook voor andere beroepsgroepen dan artsen. Kort samengevat betekent dit, voor zover nu van belang, het volgende.
Indien de GZ-psycholoog vermoedt dat er (mogelijk) sprake is van kindermishandeling dient hij het in de meldcode en in de Wegwijzer opgenomen stappenplan te volgen. Dit bevat de volgende stappen:
1) Het in kaart brengen van de signalen van kindermishandeling. De GZ-psycholoog die kindermishandeling vermoedt of vaststelt, verzamelt alle aanwijzingen die zijn vermoeden of constatering kunnen onderbouwen of ontkrachten en legt deze vast in het patiëntendossier;
2) Collegiale consultatie en zonodig overleggen met/raadplegen van Veilig Thuis of een deskundige op het gebied van letselduiding;
3) Gesprek met de betrokkene(n);
4) Wegen: het inschatten van de aard en de ernst van de situatie. Hierbij wordt het afwegingskader toegepast;
5) Beslissen over een melding aan Veilig Thuis en over het inzetten van noodzakelijke hulp.
De vraag die nu aan het college voorligt, is of verweerster bij de melding heeft voldaan aan de zorgvuldigheidseisen. Het college is van oordeel dat dit niet het geval is.
5.10 Het college oordeelt dat uit de stukken onvoldoende duidelijk blijkt wat precies de zorgen van verweerster zijn geweest over de opvoedsituatie bij klagers thuis. Verweerster heeft de signalen die zij ontving van de (stief)dochter van klagers niet (concreet) gedeeld met klagers en is daarin niet transparant geweest. Zij heeft alleen per e-mail van
27 september 2023 aan klager
laten weten dat zij zich zorgen maakte en de signalen wilde bespreken. Klager wees
dit gesprek af. Hierna werd nog een e-mail op 11 oktober 2023 aan klager gestuurd
over de VT-melding, die eerder die dag was gedaan. Voor klager was niet duidelijk
dat verweerster voornemens was om een melding te gaan maken bij VT en welke zorgen
zij had. Klagers waren dus niet in kennis gesteld van het voornemen van verweerster.
Dat is volgens de meldcode wel vereist. Het gesprek met klagers diende onder andere
om zorgen te uiten, de opvatting van hen te vernemen, informatie in te winnen, mogelijkheden
te bezien om eventueel maatregelen te treffen en zo nodig te overwegen een melding
te doen bij VT. Zowel klager
als klaagster hadden (beiden) moeten worden geïnformeerd en uitgenodigd moeten worden
voor een gesprek. Verweerster stelt dat een gesprek niet mogelijk was omdat klager
geen contact meer wilde, maar dat doet er niet aan af dat zij meer moeite had moeten
doen om klagers te betrekken bij haar zorgen en om contact te krijgen. Voorgenoemde
e-mail aan klager was daarvoor onvoldoende. Het verwijt dat ziet op het niet inlichten
van klagers is dan ook gegrond.
5.11 De stappen die na het gesprek met betrokkenen volgens de meldcode dienen te volgen, het wegen van het huiselijk geweld of kindermishandeling en beslissen, zijn feitelijk niet uitgevoerd en vastgelegd. De beslissing om te gaan melden was al genomen voor stap 3 (gesprek) en nadere afwegingen hebben niet plaatsgevonden. Ook volgt uit de melding niet dat is nagegaan of de daarin opgenomen informatie kloppend was. Op basis van de informatie verkregen uit de gesprekken met betrokkenen en uit de eerder gemaakte stappen dient te worden gewogen of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling en een beslissing te worden genomen of verdere actie noodzakelijk is en, zo ja, wat deze acties inhouden. In plaats daarvan heeft verweerster klagers, nadat stap 3 niet was gelukt, geconfronteerd met de mededeling dat er al een melding bij VT was gedaan en is een gesprek als hiervoor bedoeld niet op gang gekomen. Het was de verantwoordelijkheid van verweerster, juist nu de melding uitsluitend gebaseerd was op het verhaal van de (stief)dochter, om zelf informatie in te winnen en zorgvuldig te wegen en dat ook vast te leggen in het dossier.
Verder had verweerster de mogelijke
alternatieven om hulp te bieden of te organiseren buiten VT moeten overwegen en onderzoeken.
In dat kader had verweerster moeten beseffen dat zij mogelijk geen rol meer kon spelen
bij het bieden of organiseren van hulp vanwege de vertrouwensbreuk met klager. Het
was al eerder in september duidelijk dat klager niet meer met verweerster en de praktijk
wilde spreken wegens een gebrek aan vertrouwen. De continuïteit van de professionele
relatie is de verantwoordelijkheid van de psycholoog als zorgprofessional. Het is
aan de zorgprofessional om actief in te zetten op herstel van het vertrouwen dan wel
te zorgen voor een adequate overdracht. Partijen zijn het erover eens dat hun samenwerking
en werkrelatie vanaf half april verslechterde. Dat neemt niet weg dat er andere mogelijkheden
waren. In dat kader heeft verweerster niet genoeg tijd genomen om de alternatieve
mogelijkheden te bekijken en af te wegen, terwijl die ruimte wel bestond aangezien
er van een acute situatie geen sprake was.
Uit hetgeen hiervoor overwogen
volgt dat het Afwegingskader niet volledig en daarom niet op juiste wijze is gevolgd.
D e verwijten
die zien op het maken van een afweging en bekijken van alternatieven zijn gegrond.
- 5.12 Overigens is het college niet gebleken dat de melding de goede naam/het imago van klager heeft aangetast, zoals door klager is gesteld. Klager heeft dit niet onderbouwd. Het college is van oordeel dat de klacht op dit onderdeel niet kan slagen.
- Klachtonderdelen 2) en 3) tekortkomingen in onderzoeksplan en hulpverlening, niet houden aan afspraken
- 5.13 Klager maakt verweerster verschillende verwijten rondom de behandeling en de wijze waarop deze is verlopen. Zo is hij van mening dat verweerster hem onvoldoende betrokken heeft bij de behandeling, zij niet neutraal was en tekort is geschoten in de communicatie en informatieverstrekking. Verweerster bestrijdt dat en is van mening dat zij wel zorgvuldig te werk is gegaan bij het opstellen van het onderzoekplan, het betrekken van klager en het vastleggen van informatie in het dossier.
- 5.14 Het college is van oordeel dat verweerster onvoldoende zorgvuldig is geweest in de behandeling/het hulpverleningstraject ten opzichte van klager en wat betreft de dossiervoering.
- 5.15 Bij de behandeling ging het om een systeemgerichte therapie, waarin het (oude) gezin van klager, moeder, de dochter en de zoon centraal stond. De focus lag op contactherstel van dochter met moeder. Daarop zijn de behandeldoelen gebaseerd, wat is terug te lezen in het onderzoeksplan. Ook volgt uit het dossier dat er een intake met klager is geweest en hij akkoord is gegaan met de behandeling. Wat betreft de toestemming voor deelname van de zoon aan de systeemtherapie/behandeling op het moment dat de dochter nog 15 jaar was, blijkt uit de stukken
- voldoende duidelijk dat klager hiermee heeft ingestemd.
- 5.16 In het behandelproces is op een bepaald moment een verschuiving gekomen in de eerder vastgelegde focus. Het behandelplan, de stappen daarin, de rollen/taken in de begeleiding en de doelen moeten navolgbaar zijn gedurende het gehele proces. Daar was geen sprake meer van. Verweerster had de doelen moeten bijstellen en hierbij alle partijen moeten betrekken, zodat zij meegenomen werden in de aanpassing van het behandelplan en geïnformeerd waren. Dat klager het contact afhield en niet meer betrokken wilde worden doet daar niet aan af. Verweerster heeft het ontbreken van de betrokkenheid en de omslag in de werkrelatie van klager nooit besproken en daar verslag van gedaan. Dit kan verweerster tuchtrechtelijk worden verweten.
- 5.17 Naar het oordeel van het college kunnen de overige verwijten die hiervoor niet al besproken zijn en gaan over andere tekortkomingen in de hulpverlening en het niet houden aan afspraken, niet tot gegrondheid leiden. Het college ziet onvoldoende concrete aanknopingspunten op basis waarvan kan worden geoordeeld dat verweerster op die punten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Slotsom
-
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht deels gegrond is. Verweerster
heeft op meerdere momenten gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel
47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) jegens
klager(s) had behoren te betrachten.
- Maatregel
- 5.19 De vraag ligt nu voor welke maatregel dient te worden opgelegd. In artikel 48 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) staan de tuchtrechtelijke maatregelen beschreven. Het college oordeelt dat verweerster door de wijze waarop en de aard van de gegronde verwijten ernstig is tekortgeschoten in haar verplichtingen als zorgverlener. Daarbij heeft het college de indruk gekregen dat verweerster zich niet voldoende bewust is geweest van de vereiste afwegingen en stappen en te snel – hoe goed bedoeld mogelijk ook – is overgegaan tot het doen van een VT-melding. Ook werden in het behandelplan op een gegeven moment andere doelen opgenomen, waar niet over is gecommuniceerd en klager onvoldoende bij werd betrokken. Ter zitting gaf verweerster weinig blijk van zelfreflectie of inzicht in het verkeerde van haar handelen in deze zaak. Het college ziet onder de hiervoor geschetste omstandigheden aanleiding om de maatregel van een berisping op te leggen.
Publicatie
5.20 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
- De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in de klachtondelen 2 en 3;
- verklaart klagers niet-ontvankelijk voor zover de klacht ziet op de behandeling van de dochter van klager;
- verklaart klachtonderdeel 1 (deels) gegrond en klachtonderdelen 2 en 3 (deels) gegrond;
- legt verweerster de maatregel op van berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-
bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht,
Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en het tijdschrift De Psycholoog.
Deze beslissing
is gegeven door Th.A. Wiersma, voorzitter, C.A. Bol, lid-jurist,
M. Mostert-Uijterwijk, R. van der Ree, en L. Wittkampf, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op
21 november 2025
.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat
de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.