ECLI:NL:TGZRZWO:2025:152 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8284
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:152 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-11-2025 |
| Datum publicatie: | 20-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8284 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts kennelijk ongegrond. Klager verwijt de arts in de penitentiaire inrichting dat hij heeft nagelaten een juiste behandeling in te zetten voor zijn rugklachten. Daarnaast verwijt klager de arts dat hij ten onrechte niet is doorverwezen. Het college is van oordeel dat verweerder heeft gehandeld conform de professionele standaard. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 18 november 2025 op de klacht van:
A,
verblijvende te B,
klager,
gemachtigde: mr. M.C.W. Houtepen,
tegen
C,
arts,
(destijds) werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de arts.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de arts in de penitentiaire inrichting (PI) dat hij heeft nagelaten
een juiste behandeling in te zetten voor zijn rugklachten. Daarnaast verwijt klager
de arts dat hij ten onrechte niet is doorverwezen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 20 maart 2025;
- de brief van de secretaris van 24 april 2025, met het verzoek de BIG-registratie op te vragen bij de PI;
- de e-mail van de gemachtigde van klager van 13 mei 2025, met het BIG-registratienummer van verweerder;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 juli 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 23 september 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Het college gaat bij de beoordeling, op basis van het medisch dossier, uit van
de volgende feiten en omstandigheden.
3.2 Vanaf juni 2024 verbleef klager in detentie, op verschillende locaties. Klager
verbleef vanaf november 2024 in de PI te B. Verweerder is als arts werkzaam binnen
deze PI. Voor zijn verblijf in detentie had klager al een tijd pijnklachten in zijn
onderrug.
3.3 Vanaf 27 november 2024 was verweerder betrokken bij de behandeling van klager.
Hij schreef op dat moment naproxen voor, voor een periode van drie maanden, in verband
met chronische rugproblematiek. Klager was op dat moment al door een andere inrichtingsarts
verwezen naar de neuroloog en wachtte op een afspraak.
3.4 Op 4 december 2024 werd contact opgenomen met verweerder, omdat klager nog niet
naar de arbeid was geweest. Het arbeidsprotocol werd op dat moment pro-forma opgestart,
en zou na het bezoek aan de neuroloog worden afgerond. Klager zou na twee weken retour
komen op het spreekuur. Verweerder verwees klager verder door naar de fysiotherapeut.
3.5 Op 18 december 2024 kwam klager weer bij verweerder, om de bevindingen van
de neuroloog te bespreken. De neuroloog had naar aanleiding van klagers bezoek aan
het ziekenhuis op 10 december 2024 geconcludeerd dat sprake was van lumbago zonder
afwijkingen op MRI-LWK. Het advies was om de pijnstilling in overleg met de huisarts
door te zetten en in beweging te blijven en niet te overbelasten. Er was geen sprake
van een hernia of stenose. Verweerder noteerde in het medisch dossier dat klager wel
een kandidaat voor de rugpoli zou zijn. Verder adviseerde verweerder zo spoedig mogelijk
het eerste consult met de fysiotherapeut te plannen, en dan met deze therapeut een
plan op te stellen voor beweging binnen de PI.
3.6 Klager bezocht verweerder weer op 15 januari 2025, en verweerder verrichtte
rugonderzoek. Verweerder noteerde een bewegingsbeperking, met name aan de rechterzijde
op niveau L1-2 en een hoge spierspanning. Hij sprak met klager af dat hij eerst het
advies van de fysiotherapeut wilde horen voor een vervolgstap, en klager zou over
twee weken terug komen.
3.7 Op 29 januari 2025 bleek tijdens een consult met verweerder dat het beter ging
met de lage rugklachten, klager leek uit de negatieve spiraal te komen. Op verzoek
van verweerder was contact gezocht met de afdeling om klager meer gelegenheid te bieden
te bewegen, klager kon in recreatietijd gebruik maken van de loopband. Verder noteerde
verweerder dat klager door moest gaan met de fysiotherapie en dat hij geen indicatie
meer voor de rugpoli had en Viagra kreeg voor bezoek zonder toezicht.
3.8 Tijdens een bezoek van klager aan verweerder op 26 februari 2025 deelde verweerder hem mee dat hij geen Viagra meer kreeg. Verder vertelde hij klager dat er waarschijnlijk een psychische component achter zijn rugklachten zat, en stelde voor om met de fysiotherapeut en psycholoog te overleggen, om te horen wat de opties waren bij een somatiserende cliënt. Verweerder noteerde op 19 maart 2025 dat klager gepikeerd was over het weigeren van de Viagra, het niet doorverwijzen en de afhankelijkheid van pijnstilling. Verweerder legde uit dat er geen anatomische afwijkingen waren en dat conservatieve therapie (fysiotherapie en bewegen) de beste opties waren. Klager liet op 24 maart 2025 weten niet meer naar verweerder te willen.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat hij:
- een juiste behandeling van zijn rugklachten heeft nagelaten;
- klager ten onrechte niet heeft doorverwezen voor behandeling van zijn rugklachten.
4.2 De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De arts
stelt te hebben gehandeld volgens de NHG-standaard ‘Aspecifieke lagerugpijn’ en er
was geen anatomisch substraat voor de klachten.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
en zal dat hieronder nader uitleggen. Klachtonderdelen a) en b) onjuiste behandeling
rugklachten en nalaten doorverwijzing
5.3 Vanwege de samenhang zal het college de klachtonderdelen gezamenlijk behandelen.
De klachten komen er, samengevat, op neer dat verweerder klagers rugklachten verkeerd
heeft behandeld. Voor zover klager betoogt dat het lang duurde voordat hij werd opgeroepen
en dat de inrichting was gestopt met het verschaffen van pijnmedicatie, overweegt
het college dat het tuchtrecht uitgaat van persoonlijke verwijtbaarheid van de zorgverlener.
Nu verweerder geen invloed had op het systeem binnen de PI van de medische dienst,
kan hem dit niet persoonlijk verweten worden zodat dit verwijt niet slaagt. Verder
oordeelt het college dat verweerder conform de professionele standaard heeft gehandeld
door te adviseren vooral in beweging te blijven. Dat dit lastig vorm te geven is binnen
de situatie waarin klager verkeert, is een omstandigheid die verweerder niet te verwijten
valt. Verweerder heeft nog contact gezocht, althans laten zoeken met de afdeling waar
klager verbleef om te bespreken wat de mogelijkheden waren voor meer beweging. Vanaf
het moment dat verweerder betrokken was, heeft hij (pijn)medicatie voorgeschreven
en klager gezien op het spreekuur. Ook heeft hij conform de NHG-standaard ‘Aspecifieke
lage rugpijn’ klager doorverwezen naar de fysiotherapeut en uiteindelijk ook naar
een psycholoog voor de aanpak van psychosociale belasting. Tijdens het mondeling vooronderzoek
legde verweerder nog uit dat de rugpoli op dat moment weliswaar uit beeld was, maar
dat dit niet wilde zeggen dat klager daarvoor in het geheel niet in aanmerking kwam
maar dat eerst het ingezette beleid werd afgewacht. Klager behoefde naar het oordeel
van het college op dat moment ook nog niet doorverwezen te worden naar een (andere)
specialist. Dat een collega van verweerder dat na aandringen van klager wel heeft
gedaan, maakt de situatie niet anders. De klachtonderdelen zijn, gelet op het voorgaande,
kennelijk ongegrond. Slotsom
5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 18 november 2025 door W.P. Claus, voorzitter, A.D.J. van Empel en N.M. Dreteler-Rademaker, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.