ECLI:NL:TGZRZWO:2025:149 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7677

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:149
Datum uitspraak: 14-11-2025
Datum publicatie: 20-11-2025
Zaaknummer(s): Z2024/7677
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een GZ-psycholoog deels gegrond. Geen maatregel. Verweerster was als regiebehandelaar betrokken bij de behandeling van klaagsters psychische klachten die waren ontstaan na de geboorte van de zoon van klagers. Hierbij is onder meer gesproken over de spanningen tussen klagers. Uiteindelijk is de behandeling op verzoek van klaagster gestopt. Vlak na beëindiging van de behandeling heeft verweerster een melding gemaakt bij Veilig Thuis in verband met zorgen over de veiligheid van hun zoon. Klagers maken verweerster diverse verwijten over de melding. Het college besluit geen maatregel op te leggen ondanks het deels gegrond verklaren van een klachtonderdeel. Het feit dat verweerster alvorens het doen van de melding bij VT niet eerst contact heeft gezocht met klager en hem heeft uitgenodigd voor een gesprek is in deze zaak van onvoldoende gewicht om tot oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel over te gaan. Het gaat om een relatief geringe tekortkoming bij een overigens verder (inhoudelijk) zorgvuldige doorlopen procedure. Daarbij komt dat het afhouden van contact door klagers de situatie extra lastig maakte.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 14 november 2025 o p de klacht van:

A , klager,
en

B , klaagster,

wonende in C,

gemachtigde: mr. I.P.C. Sindram, werkzaam in Nijmegen,

tegen

D ,

gezondheidszorgpsycholoog,

destijds werkzaam in E,

verweerster, hierna ook: de GZ-psycholoog,

gemachtigde: mr. Y.R. Koorevaar, werkzaam in Amersfoort.


1.
De zaak in het kort

1.1 Verweerster was als regiebehandelaar betrokken bij de behandeling van klaagster, die psychische klachten ontwikkelde na de geboorte van de zoon van klagers. Hierbij is onder meer gesproken over de spanningen tussen klagers. Uiteindelijk is de behandeling op verzoek van klaagster gestopt. Vlak na beëindiging van de behandeling heeft verweerster een melding gemaakt bij Veilig Thuis (VT) in verband met zorgen over de veiligheid van hun zoon.

1.2 Klagers maken verweerster diverse verwijten over de melding bij VT.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is, maar legt aan verweerster geen maatregel op. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 26 september 2024;
-het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 20 december 2024;
-de repliek van klagers, ontvangen op 21 januari 2025;
-de dupliek van verweerster, ontvangen op 10 februari 2025.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 10 oktober 2025. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van klagers heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.

  1. De feiten

3.1 Klagers zijn getrouwd. Op 18 juli 2019 is klaagster bevallen van een zoon.
Klaagster kreeg postpartum psychische klachten. Nadat klaagster hiervoor eerder tot medio 2021 elders psychologische hulp had gehad, is zij op 20 januari 2022 door de huisarts verwezen naar F met ernstige stemmingsklachten.

3.2 Op 24 februari 2022 heeft verweerster in de hoedanigheid van regiebehandelaar samen met een uitvoerend psycholoog een intakegesprek met klaagster gevoerd en diagnostisch onderzoek verricht. Wat betreft de diagnose en de voorgenomen behandeling is in de voortgangsrapportage het volgende genoteerd (alle citaten zijn overgenomen inclusief taal- en typefouten en bij weergave van namen degene die het betreft):

“MDO na intake, LW-TM Diagnose: depressieve stoornis,met begin post partum, persisterende depressieve stoornis ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis Vcodes Beleid: positieve gezondheid emotieregulatietraining IPT (rolverandering moederschap) SCID.”

3.3 Tijdens een adviesgesprek op 11 maart 2022 is de beschrijvende diagnose doorgenomen en heeft klaagster aangegeven zich hierin te herkennen en akkoord te zijn met het voorgestelde beleid.

3.4 Hierna is een multidisciplinaire behandeling gestart. Er was een psychiater betrokken vanwege de medicatie die klaagster gebruikte (op dat moment 150 mg venlafaxine per dag). Verder vonden er individuele sessies plaats met de uitvoerend psycholoog (soms in aanwezigheid van klager) en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige (hierna: spv). Vanaf 19 mei 2022 nam klaagster daarnaast deel aan groepstherapie.

3.5 Omdat klagers niet tevreden waren over de betrokken psychiater en de adviezen over de medicatie, is op 11 juli 2022 een andere psychiater betrokken. Op 25 juli 2022 hadden klagers hiermee een eerste gesprek. In overleg is afgesproken dat klaagster haar medicatie zou afbouwen, te beginnen met een halvering naar 75 mg per dag. Per
1 augustus 2022 is dit verder gehalveerd naar 37,5 mg per dag met het verdere beleid om daarna te stoppen of eventueel nog een keer te halveren. Hiervoor was een evaluatiemoment gepland op 8 augustus 2022 bij de spv. Deze afspraak werd door klaagster echter afgezegd.

3.6 Op 15 augustus 2022 hadden klagers contact met zowel de spv als de psychiater. Het ging op dat moment niet goed met klaagster. Door de psychiater is hierover het volgende genoteerd:
“Verzoek of ftf afspraak via karify of telefonisch. Het eerste leidt niet tot contact, het wteede na 2 x bellen tot oversture echtgenoot aan de lijn die enkele keren herhaald “het kan zo niet verder.” Is net zijn vrouw aangevlogen (in bijzijn van driejarige zoon?) omdat zij de telefoon niet op wilde nemen. Is alleen maar instabieler geworden na afbouw venlafaxine, hij gaat eraan kapot, heeft ook een leven, met zo’voruw is niet te leven.” Pte aan de lijn gekregen, geëmotioneerd: aanvankelijk werd ze rustiger na verlaging venlafaxine, ook minder transpireren, maar sinds vorige (?) week onrustige, somber, emotioneel instabiel, wanhopig met doodsgedachten “en mijn man zeurt ook aan mijn hoofd.” Weet niet of er een verband is met afbouw venlafaxine. Weet niet hoe het verder moet, maar dit kan geen moment langer Besproken dat er nu evidente crises is, waarbij laagfrequente poliklinische zorg onvoldoende is. Er is meer stabiliteit en rust nodig en veiligheid voor alle huisgenoten, waarbij structurering, dempende medicatie en veiligheidsafspraken voorop staan, en dus (gezien woonachtig in C) inzet Crisisdienst G. Pte akkoord, ik hou haar op de hoogte van mijn overleg met Crisisdienst Man belt terug [RTG: naam en telefoonnummer klager] en vraagt wat er besproken is, want dat wil pte niet zeggen. hem bovenstaand voorstel meegedeeld. Vraagt zich af of deze reactie normaal is na afbouw venlafaxine. Noch normaal, noch veelvoorkomend, ook niet onmogelijk, we zorgelijk. Vraagt zich tevens af hoe deze hele escalatie nu heeft kunnen ontstaan, na geboorte van hun zoon en wie er waar steken heeft laten vallen, gaat dat (tzt) uitzoeken. Overlegd met [RTG: naam], Crisisdienst G. Zij doen vandaag huisbezoek, tijdstip nog onduidelijk. Tevens is mij desgevraagd onduidelijk of de situatie zo is dat gebiedsteam de hele zorg moet overnemen of dta te na stabilisatie hier op de poli weer verder kan. 11.00 Patiente geinformeerd dat Crisisdienst vandaag, ws vanmiddag langs komt, dat structuur, veiligheidsafspraken en medicatie onderdeel van gesprek zijn en dat ook nu of later de vraag aan de orde kan komen of opname noodzakelijk is en of het wenselijk is dat Gebiedsteam de zorg overneemt gezien de korte lijnen met de Crisisdienst aldaar, maar dat zij daar ook keuzevrijheid in hebben.”

3.7 Hierna heeft verweerster contact gehad met klaagster om door te geven dat de crisisdienst die middag tussen 13.00-13.30 uur zou komen. Verder heeft verweerster het volgende genoteerd:

“Stilgestaan bij de huidige situatie/onrust. Cle is erg in de war, komt ook wat lastiger uit haar woorden. Het is nu thuis weer enigszins rustig, cle is beneden met haar zoon, man boven. Cle geeft aan dat zoontje erbij was toen het vanmorgen zo escaleerde, wat ze heel naar vond. Afgesproken dat ze zometeen met de crisisdienst bespreken wat er nu nodig is, en daarbij ook de veiligheid voor hun zoon meenemen. Cle bedankt me nadrukkelijk voor het telefoontje, ze benoemt dat ze de betrokkenheid op prijs stelt.”

3.8 Door de crisisdienst is de situatie van klaagster beoordeeld. Dit heeft geleid tot de volgende beschrijvende conclusie/diagnose:

“Het betreft een 38 jarige vrouw bekend met PTSS waarvoor 2x EMDR, postnatale depressie en borderline/afhankelijke persoonlijkheidstrekken, nu aangemeld door poliklinische behandelaren vanwege escalerende ruzie vanochtend waarbij partner van patiënt haar heeft vastgegrepen, met verzoek tot een veiligheidsinschatting. Het beeld is passend bij systeemproblematiek waarbij de spanning tussen patiënt en partner oploopt door het inadequate copingstijl van patiënt waardoor er steeds sneller ook overvraging bij partner ontstaat. Tevens is bijdragend de slaapproblematiek van patiënt. De mate van suïcidaliteit wordt licht ingeschat op basis van het ontbreken van concrete plannen en dat de suïcidaliteit vooral bestaat uit een uitspraak in opwelling. Er is bij patiënt en partner vooral een sterke wens niet (weer) een wisseling van behandelaren te krijgen. Derhalve werd IHT overwogen en besproken maar niet ingezet.”

Als beleid is overwogen het voorschrijven van slaapmedicatie (e.g. een lage dosering quetiapine). Ook is genoteerd:

“Kindcheck/ veilig thuis melding is niet besproken i.v.m. reeds oplopende spanning in gesprek. Wel is besproken met eigen behandelaren om situatie te monitoren en melding te maken indien er blijvende zorgen zijn omtrent het aanwezige kind.”

3.9 Na contact met de crisisdienst heeft de psychiater klaagster diezelfde dag een e-mail gestuurd om te overleggen over haar medicatie. Ook heeft diezelfde dag een multidisciplinair overleg (mdo) plaatsgevonden over het vervolgbeleid.

3.10 Een afspraak met de spv op 16 augustus 2022 werd door klaagster afgezegd. Later die dag belde klager met de spv. Volgens hem werden afspraken niet nagekomen en was één keer per week contact te weinig. Afgesproken werd dat de spv met klaagster contact zou opnemen. Zij heeft hiertoe meerdere keren geprobeerd klaagster telefonisch te spreken, echter het lukte haar niet om contact te krijgen. De spv heeft dit per e-mail teruggekoppeld aan klager.

3.11 Verweerster heeft klaagster op 16 augustus 2022 per e-mail benaderd. Hierin heeft zij aangegeven op korte termijn een wat uitgebreidere afspraak te willen plannen met klagers om verder in kaart te brengen wat nodig en wenselijk was voor verdere hulp. Verder heeft op 16 augustus 2022 e-mailcontact plaatsgevonden tussen klaagster en de psychiater. Klaagster liet weten dat contact die dag niet mogelijk was, waarop de psychiater een aanbod voor een nieuwe afspraak heeft gedaan. Op een e-mail van klager met vragen over de eerdere afbouw van de venlafaxine heeft de psychiater nog diezelfde dag uitgebreid gereageerd.

3.12 Op 18 augustus 2022 hebben klagers via beeldbellen met de psychiater gesproken. Onder meer is gesproken over de afbouw van de venlafaxine en over het voorschrijven van slaapmedicatie. Aan klaagster is op proef temazepam voorgeschreven.

3.13 Ook heeft op 18 augustus 2022 beeldbelcontact plaatsgevonden tussen verweerster en klagers. Hierover heeft verweerster onder meer het volgende genoteerd:
“(…). Voor nu willen zij hulp thuis afhouden. Hen aangesproken op hoe zij van de week zelf hun zorgen uitspraken over (emotionele) veiligheid zoontje, dit bekrachtigd en vertrouwen uitgesproken dat zij dit blijven doen. Met de mogelijkheid dat, bij meer signalen, zij zelf of evt wij kunnen beslissen tot inzet Veilig Thuis, al dan niet via OKC, met als doel thuisbegeleiding/opvoedondersteuning. Rustig en constructief gesprek, met vervolgafspraak over 2 weken In vervolgafspraken beslissen of evt traumatherapie urgentie heeft boven huidige ingezette behandeling. En evt verwijzing H (bijv hybride vorm/express?), waartegenover met name partner positief lijkt te staan. Wachttijd is rond 20 weken. Alternatief is binnen GGZ starten, maar dat zij dan in plaats van IPT staan om overvraging te voorkomen.”

3.14 Na verschillende contacten met de spv en de psychiater, hadden klagers op

1 september 2022 hun eerste sessie relatietherapie. Daarbij is onder meer aan de orde gekomen dat het moeilijk ging tussenbeide en dat er veel ruzies waren.

3.15 Op 2 september 2022 heeft verweerster klagers gesproken via beeldbelcontact. Gesproken is over een verwijzing van klaagster naar gespecialiseerde GGz voor traumabehandeling.

3.16 Op 6 september 2022 heeft klager verweerster een e-mail gestuurd over zijn gevoel en behoeften in relatie tot klaagster en haar therapie.

3.17 Op 8 september 2022 heeft verweerster een PTSS-beoordeling verricht bij klaagster. Hierna heeft verweerster klaagster op 14 september 2022 verwezen voor traumabehandeling.

3.18 Op 16 september 2022 heeft klager verweerster wederom per e-mail benaderd waarin hij dringend heeft opgeroepen tot hulp. Hij was gefrustreerd over de frequentie en voortgang van de behandeling van klaagster. Diezelfde dag heeft verweerster via beeldbellen contact gehad met klagers. Er was sprake van oplopende spanningen, waarbij klager benadrukte dat er wat moest gebeuren. Verweerster heeft onder meer genoteerd:

“Ik vraag naar de veiligheid, die volgens hen voldoende gewaarborgd is ([RTG: naam klager] zou weglopen bij hoog oplopende ruzie).”

Volgens de verdere aantekening van verweerster heerste er de hele sessie een vijandige sfeer, waarbij de spanning hoog opliep bij klager.

3.19 Kort hierna heeft klager met de teamleider gebeld om zijn onvrede te uiten over het gesprek met verweerster. Door de teamleider is hierna (in overleg met klager) gebeld met verweerster en ook met klaagster om haar verhaal te horen. In een telefoongesprek op

20 september 2022 tussen de teamleider en klager is wederom de onvrede van klager jegens verweerster besproken.

3.20 Hierna vonden weer verschillende sessies plaats (zowel met de spv als relatietherapie). Een op 22 september 2022 geplande afspraak met de psychiater werd door klaagster afgezegd.

3.21 Op 26 september 2022 heeft verweerster klaagster in een bericht gevraagd naar haar ideeën over de betrokkenheid van klager bij de behandeling. Ook had klaagster die dag een consult bij de spv.

3.22 Op 29 september 2022 is tijdens relatietherapie aan de orde gekomen dat de situatie tussen klagers niet erger was geworden. Gesproken is over het vinden van een nieuw evenwicht.

3.23 Een op 3 oktober 2022 geplande afspraak met de spv is door klaagster afgezegd vanwege ziekte. Tijdens een mdo op 4 oktober 2022 is gesproken over de rol van klager in de behandeling van klaagster. Geconcludeerd werd dat het in het belang van de behandeling van klaagster was om afspraken te maken over wanneer klager tijd en ruimte zou krijgen om zijn zorgen en aandachtspunten bespreekbaar te maken. Verweerster zou dit nogmaals met klaagster bespreken.

3.24 Op 6 oktober 2022 hadden klagers weer relatietherapie. Hierover is genoteerd dat sprake was geweest van een moeilijke week tussen beide. Diezelfde dag heeft klaagster, in antwoord op een e-mail van de psychiater, laten weten dat zij geen nieuwe afspraak meer wilde maken en dat zij verder wilde zonder medicatie.

3.25 Op 10 oktober 2022 is samen met de spv een crisissignaleringsplan ingevuld ter voorbereiding op de start van IPT (Interpersoonlijke Therapie) een week later.

3.26 Tijdens een mdo op 11 oktober 2022 is afgesproken dat klager alleen nog in de behandeling zou worden betrokken voor wat betreft de relatietherapie. Om ruis te voorkomen en klaagster maximaal te blijven betrekken zou klager worden verwezen naar de relatietherapie.

3.27 Op 17 oktober 2022 had klaagster de eerste IPT-sessie bij de spv. Hierbij is de levensloop van klaagster aan de orde gekomen en ook de rol van klager bij haar behandeling en het begrenzen van klager daarin. Besproken werd dat verweerster klager een e-mail zou sturen waarin staat dat klager alles kan bespreken bij relatietherapie. Verweerster heeft de betreffende e-mail diezelfde dag nog aan klager (en in cc aan klaagster) gestuurd.

3.28 Eind oktober/begin november 2022 heeft klaagster meerdere sessies afgezegd vanwege corona. Ook heeft zij laten weten te willen stoppen met de relatietherapie.

3.29 Op 10 november 2022 is door klaagster en verweerster telefonisch gesproken over het stoppen met de relatietherapie. Volgens de aantekening van verweerster leverde het klaagster teveel spanning op, met name ook de houding van klager irriteerde haar. Thuis vermeed ze het contact. Verder noteerde verweerster:

“Ik spreek mijn zorgen uit voor [RTG: naam zoon]. Het opgroeien in een gezin waar spanning en ruzie aan de orde van de dag is, is bedreigend voor zijn ontwikkeling. En is datgene wat cle zelf heeft meegemaakt, en haar zo beschadigd heeft. Cle geeft aan zich ook veel zorgen te maken , en belang kind voorop te willen stellen. Ik stel voor dat zij contact opneemt met het consultatiebureau, om haar zorgen te bespreken. We spreken af dat zij dit deze week doet, en dat ze vraagt of het I contact opneemt met mij. Cle geeft aan dat ze dit een goed en helpend idee vindt. Extra helpend is de zorg die zij heeft om de bso rond te krijgen voor als [RTG: naam zoon] in juli naar school gaat (wachtlijsten). Ik benoem dat ik denk dat het voor [RTG: naam zoon] én ouders belangrijk is dat [RTG: naam zoon] goede opvang krijgt, om de spanning thuis niet hoger op te drijven. En dat I daarin wellicht iets kan betekenen, indicatie kan afgeven voor medische noodzaak.”

3.30 In een mdo op 10 november 2022 is onder meer gesproken over de inzet van het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) voor de zoon van klagers.

3.31 Een afspraak met verweerster op 17 november 2022 is door klaagster afgezegd. Op 28 november 2022 heeft klaagster een e-mail aan verweerster gestuurd met de mededeling dat ze na lang overwegen had besloten te stoppen met de behandeling bij F. Als voornaamste reden hiervoor heeft ze aangegeven dat er totaal geen continuïteit was in de gesprekken met de spv. Ook vond klaagster de gesprekken vooral om klager draaien. Afsluitend gaf klaagster aan dat ze graag wilde dat de teamleider met haar contact zou opnemen. Hierna heeft verweerster verschillende keren vergeefs geprobeerd om in contact te komen met klaagster en een afspraak te maken om (met verweerster en de teamleider) klaagsters beslissing te bespreken.

3.32 Ondertussen heeft verweerster op 29 november 2022 contact opgenomen met VT om de situatie van klaagster anoniem te bespreken. Volgens haar notitie hiervan heeft ze daarbij de volgende signalen voorgelegd:

“Door cle en partner gerapporteerde ruzies en spanningen die continu aanwezig zijn. Geen signalen van fysiek geweld in gezin. Advies Veilig Thuis: Reden tot melden.”

3.33 Op 9 december 2022 heeft verweerster overlegd met de geneesheer-directeur. Geconcludeerd werd dat de volgende stap was om aan klaagster te melden dat er een melding bij VT zou worden gedaan en dat daarover dan nog wel een gesprek moest plaatsvinden met klaagster, of in ieder geval zou moeten worden aangeboden. Per e-mail van diezelfde dag berichtte verweerster klaagster als volgt:

“Beste [RTG: naam klaagster], Het is helder dat je wil stoppen. Ik zal daar ook gehoor aan geven, echter wel op een zorgvuldige manier. Ik wil je de mogelijkheid bieden om samen te kijken naar vervolghulp voor jou. Hiertoe ben je uiteraard niet verplicht. Zoals geschreven wil ik het ook met je hebben over de zorgen om [RTG: naam zoon] over zijn opgroeisituatie. Zorgen die we eerder besproken hebben. Het is jouw goed recht om te stoppen met behandeling. Echter is het mijn plicht om zorgen over veiligheid bespreekbaar te maken en deze ook te melden. Ik wil je nadrukkelijk uitnodigen om hierover met mij in gesprek te gaan. Het gesprek zal gaan over een melding bij Veilig Thuis die ik moet doen. Veilig Thuis zal dan beoordelen in hoeverre de zorg om [RTG: naam zoon] gegrond is. Graag ontvang ik je dinsdag 13 december om 9:30 uur, op de poli in E. Mijn collega [RTG: naam collega] zal aansluiten bij dit gesprek. Wil je vóór maandag 12 december laten weten of je gebruik wil maken van deze afspraak? Met vriendelijke groet, [RTG: naam verweerster].”

3.34 Op 12 december 2022 heeft klaagster hierop gereageerd. Volgens haar kwam de melding bij VT volledig onverwacht. Ook heeft zij verweerster gevraagd geen melding te doen.

3.35 Eveneens op 12 december 2022 heeft de waarnemend huisarts van klagers op verzoek van klager en met instemming van klaagster contact opgenomen met verweerster over de voorgenomen melding bij VT.

3.36 Vervolgens heeft verweerster diezelfde dag de VT-melding gedaan. Hierin heeft zij onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Stap 3: Gesprek met betrokkene(n) om zorgen te bespreken*: Niet gevolgd

Onderbouwing: Gesprek gevoerd met mevrouw/moeder (binnen therapie contact GGZ) over zorgen en het bespreekbaar maken van die zorgen bij het consultatiebureau. Vervolgens werd therapiecontact verbroken. Uitnodigingen om gesprek aan te gaan over zorgen/veiligheid werden afgewezen. Ook wanneer melding Veilig Thuis werd genoemd.

(…)

Heb ik op basis van stap 1 tot en met 3 een vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling: Ja

Heb ik een vermoeden van acute of structurele onveiligheid: Ja

(…)

Eventuele opmerkingen: Hulpverlening vanuit GGZ is stopgezet op initiatief van cle en haar partner. Beiden wensen geen enkele bemoeienis vanuit F , en zijn het niet eens met een melding bij Veilig Thuis. Een eerdere poging om consultatiebureau te betrekken is niet afgehouden.”

Ter toelichting op de zorgen over de veiligheid van de zoon van klagers heeft verweerster genoteerd:

“Zorgen om opgroeisituatie kind (zoon 3,5 jr)

Op basis van verhaal van zowel moeder (bij ons bekend als cliënte) en vader (bij ons bekend geweest als systeem contact/cle in partner relatietherapie):

Continue spanningen en ruzies tussen ouders; er zijn momenten van hoog oplopende ruzies, met verbaal geweld. Geen signalen van fysiek geweld. Er is niet of nauwelijks sprake van positief contact tussen beiden. Wat extra zorgelijk is, is het feit dat moeder zich recentelijk onttrokken heeft aan de hulp van GGZ, vanuit onvrede over de geboden hulp. Voor zover bekend zijn de zorgen over de thuissituatie ook niet besproken met consultatiebureau of huisarts. Er is nauwelijks steunend netwerk.

NB: bij bespreken van zorgmelding ontkent moeder dat zij zorgen heeft om opgroeisituatie van zoon, of dit eerder zo benoemd heeft.”

3.37 In de middag van 13 december 2022 heeft de vaste huisarts van klagers contact opgenomen met verweerster naar aanleiding van een consult met klagers die ochtend. Vanwege de VT-melding was er veel spanning bij klagers. Verweerster heeft hierop aan de huisarts aangegeven dat de melding inmiddels gedaan was en dat het aan VT was om uit te zoeken of de gemelde zorgen al dan niet terecht waren. De huisarts zou dit doorgeven aan klaagster.

3.38 Ook heeft verweerster op die dag het dossier van klaagster gesloten en een ontslagbrief aan de huisarts gestuurd.

3.39 Klaagster had inmiddels haar dossier opgevraagd en ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft tussen klaagster en verweerster nog een e-mailwisseling plaatsgevonden.

  1. De klacht en de reactie van verweerster

4.1 Klagers verwijten verweerster:
1)dat zij heeft gemeld zonder deugdelijk voorafgaand onderzoek;
2)dat zij de verplichte meldcode in verschillende opzichten niet heeft nageleefd;
3)dat zij in het meldingsformulier onjuiste antwoorden geeft en daarmee de melding nodeloos zwaar aanzet;
4)dat zij verzwijgt dat klagers contact hadden opgenomen met hun huisarts en dat zij zelf de huisarts ook had gesproken;
5)dat zij niet, althans zeer onvolledig verslag heeft gelegd in het behandeldossier van de melding, van de afwegingen die daaraan ten grondslag lagen en van het contact met de huisarts;
6)dat zij in strijd met de waarheid op verschillende plaatsen in het behandeldossier noteerde dat zij de vermeende zorgen over hun zoontje met klagers besproken zou hebben.

4.2 De GZ-psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

  1. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

  1. 5.1 De vraag is of de GZ-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
  2. 5.2 Verder geldt als uitgangspunt dat het tot de zorgplicht en verantwoordelijkheid van een GZ-psycholoog behoort om bij een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling actie te ondernemen. Het toetsingskader voor de melding en voor een beslissing over gegevensverstrekking aan VT wordt gevormd door artikel 5.2.6 van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo) en de door de Rijksoverheid vastgestelde Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling en het daarin opgenomen stappenplan. Ook is er een Afwegingskader Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor psychologen, pedagogen, (psycho)therapeuten, sociaal werkers en jeugd- en gezinsprofessionals (2018) dat samen met het stappenplan uit de meldcode gebruikt moet worden. Volgens vaste tuchtrechtspraak is daarnaast de uitgewerkte KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld (in dit geval: versie 2018) van belang, ook voor andere beroepsgroepen dan artsen. Kort samengevat betekent dit, voor zover nu van belang, het volgende.

5.3 Op grond van artikel 5.2.6 van de Wmo mogen GZ-psychologen zonder toestemming gegevens verstrekken aan VT als dat noodzakelijk is om kindermishandeling te stoppen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. Het gaat hier om een meldrecht. Indien de GZ-psycholoog vermoedt dat er (mogelijk) sprake is van kindermishandeling dient deze het in de meldcode opgenomen stappenplan te volgen. Deze bevat de volgende stappen:

1) Het in kaart brengen van de signalen van kindermishandeling. De GZ-psycholoog die kindermishandeling vermoedt of vaststelt, verzamelt alle aanwijzingen die zijn vermoeden of constatering kunnen onderbouwen of ontkrachten en legt deze vast in het patiëntendossier;

2) Collegiale consultatie en zonodig overleggen met/raadplegen van VT of een deskundige op het gebied van letselduiding;

3) Gesprek met de betrokkene(n);

4) Wegen: het inschatten van de aard en de ernst van de situatie. Hierbij wordt het afwegingskader toegepast;

5) Beslissen over een melding aan VT en over het inzetten van noodzakelijke hulp.

5.4 Het college zal de klachtonderdelen beoordelen met inachtneming van het hierboven uiteengezette kader.

Klachtonderdelen 1) t/m 3) melding Veilig Thuis

  1. 5.5 Klachtonderdelen 1 tot en met 3 lenen zich voor een gezamenlijke behandeling en gaan over de melding bij VT van 12 december 2022 betreffende de opvoedsituatie van de zoon van klagers, de aanleiding van die melding en de informatie die op het meldingsformulier is ingevuld. Verweerster heeft een melding gedaan bij VT in verband met een mogelijk emotioneel onveilige situatie rondom de zoon van klagers. Volgens klagers is de melding onterecht (niet gebaseerd op zorgvuldig onderzoek), is de meldcode niet gevolgd en is er in het meldingsformulier onjuiste informatie opgenomen.
  2. 5.6 Het college is van oordeel dat de stappen uit de meldcode door verweerster grotendeels zorgvuldig zijn doorlopen en de melding is voorzien van voldoende argumentatie die gebaseerd is op het medisch dossier. Een vermoeden van onveiligheid voor klagers’ zoon door spanningen en ruzies tussen klagers was de reden om een melding te doen.
  3. 5.7 Verweerster heeft volgens de KNMG-meldcode advies gevraagd aan de geneesheer-directeur en (anoniem) aan een een medewerker van VT, die haar heeft geadviseerd een melding te doen, en is er een afweging gemaakt. Ook heeft verweerster voorafgaand aan de melding de casus en haar zorgen meerdere keren in een mdo met collega’s besproken en daarvan notities in het dossier gemaakt. Verder heeft verweerster ook de andere onderdelen van de zogenaamde kindcheck gedaan.
    In de mail van 9 december 2022 heeft verweerster een vooraankondiging gedaan dat zij zich genoodzaakt voelde om een melding bij VT te gaan maken. Zij gaf aan daarover met klaagster in gesprek te willen op 13 december 2022. In die mail werd klaagster een deadline gegeven om vóór 12 december te laten weten of zij op gesprek wilde komen. Klaagster mailde op 12 december terug dat zij de volgende dag niet op het gesprek zou verschijnen. Hierna deed verweerster de melding. Stap 3 uit de meldcode schrijft voor om een gesprek te voeren met de betrokkenen. Daar kan alleen van worden afgezien als het bijvoorbeeld - ondanks redelijke inpanningen daartoe - niet is gelukt om contact te krijgen met de betrokkenen. Het college constateert dat stap 3 niet geheel juist is doorlopen door verweerster. Deze stap vereist dat alle betrokkenen, in dit geval beide ouders, geïnformeerd moeten worden over het voornemen om een melding te doen middels een gesprek. Verweerster heeft nagelaten om vader te informeren over de melding en uit te nodigen voor een gesprek hierover, terwijl zij wel zijn contactgegevens had en er ook eerder in het kader van de therapie met hem is gecommuniceerd via de telefoon en de e-mail. Klagers waren als ouders dus niet allebei ingelicht over het voornemen van verweerster om bij VT een melding te maken.
    De stappen die na het gesprek dienen te volgen – wegen van het huiselijk geweld of kindermishandeling en beslissen – zijn uitgevoerd. De nadere afweging volgt uit de melding waarin staat genoemd dat hulp vanuit F is gestopt en wordt afgehouden door klagers. Doordat klaagster geen contact meer met F dan wel met verweerster wenste was het niet mogelijk om over het bezwaar van klaagster tegen de melding in gesprek te gaan en dreigde het gezin uit beeld te raken. Verweerster heeft toegelicht dat zij daardoor geen hulp meer kon bieden of organiseren om de onveiligheid af te wenden en te monitoren. Uit de melding volgt dat deze was bedoeld om de veiligheid van de zoon van klagers rond de thuissituatie in kaart te brengen.
  4. 5.8 Overigens ligt niet ter beoordeling voor of er wel of geen melding had moeten worden gedaan bij VT. Voor de volledigheid merkt het college wel op dat het college verweerster kan volgen in haar beslissing om de melding te doen. Klagers zijn weliswaar niet overtuigd van de noodzaak daarvan (omdat in hun visie geen reden was tot zorgen over de veiligheidssituatie van hun zoontje), maar het college ziet in de omstandigheden van het geval voldoende basis voor het doen van een melding. Het is goed als zorgverleners, zeker ter bescherming van kinderen, een melding doen indien zij daarvoor een redelijke grond hebben. Dat was hier het geval. Het is vervolgens aan VT om op basis van informatie van de verschillende betrokkenen te beoordelen of er actie moet worden ondernomen of niet.
  1. 5.9 Klachtonderdelen 1 en 3 zijn ongegrond en klachtonderdeel 2 is deels gegrond.

    Klachtonderdelen 4) t/m 6) dossiervoering
  2. 5.10 Klagers verwijten verweerster dat het behandeldossier onvolledig is en onwaarheden bevat wat betreft contact met de huisarts, de vastlegging van de melding bij VT en het bespreken van de zorgen over de zoon van klagers. Verweerster betwist dit en vindt dat zij naar waarheid en volledig verslag heeft gedaan van de gebeurtenissen en gesprekken met klagers.
  3. 5.11 Bij de beoordeling gaat het college in beginsel uit van de informatie en de juistheid van de inhoud daarvan in het medisch dossier tenzij het tegendeel blijkt of aannemelijk wordt gemaakt. Dat laatste is hier niet het geval. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling van klagers dat er sprake is van onjuiste verslaglegging door verweerster. Verweerster heeft toegelicht wat zij bedoelde met de opmerking in het meldingsformulier dat de zorgen rondom de thuissituatie niet besproken zijn met de huisarts, namelijk dat klagers de zorgen om de veiligheid van hun zoontje niet met de huisarts hebben besproken omdat zij zich juist geen zorgen maakten. Het college vindt deze uitleg aannemelijk. Bovendien wordt deze uitleg gesteund door de voortgangsrapportage van 12 december 2022 (voordat de melding was gedaan) waarin het contact tussen verweerster en de huisarts staat beschreven, inhoudende dat klagers bezwaar hadden tegen het doen van een melding bij VT. Van verzwijgen van het contact met de huisarts is dus geen sprake.
    Daarnaast volgt het college klagers niet in hun standpunt dat verweerster heeft nagelaten om de verschillende stappen uit de meldcode en haar afwegingen te noteren. Het college is van oordeel dat de notities van verweerster een afdoende weergave geven van de acties die hebben geleid tot de melding en omtrent de melding zelf. Zo volgt uit de rapportages dat op verschillende momenten vanaf de crisissituatie half augustus 2022 in toenemende mate aandacht was voor de zorgen in de thuissituatie, de spanningen tussen klagers en de mogelijke weerslag daarvan op hun zoon (veiligheid). Dat klagers die gesprekken mogelijk anders hebben geïnterpreteerd doet hier niet aan af. De meldcode vereist niet dat de melding zelf in het patiëntendossier wordt opgenomen. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat er in de verslaglegging tuchtrechtelijk verwijtbaar fouten zijn gemaakt of zaken onvolledig zijn weergegeven. Klachtonderdelen 4 tot en met 6 zijn ongegrond.

    Slotsom
  4. 5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gedeeltelijk gegrond is.

Maatregel

  1. 5.13 Nu de klacht deels gegrond is moet beoordeeld worden of een maatregel passend is, en zo ja, welke maatregel dat moet zijn. Het college besluit geen maatregel op te leggen ondanks het deels gegrond verklaren van klachtonderdeel 2. Het feit dat verweerster alvorens het doen van de melding bij VT niet eerst contact heeft gezocht met klager en hem heeft uitgenodigd voor een gesprek is in deze zaak van onvoldoende gewicht om tot oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel over te gaan. Het gaat om een relatief geringe tekortkoming bij een overigens verder (inhoudelijk) zorgvuldige doorlopen procedure. Daarbij komt dat het afhouden van contact door klagers de situatie extra lastig maakte. Verweerster heeft de melding gedaan vanuit zorg voor de zoon van klagers. Uit het dossier blijkt dat de zorgen met klager al eerder waren besproken en hoewel hij niet direct/rechtstreeks is benaderd door verweerster is het voornemen van de melding nog voor dat deze daadwerkelijk was ingediend, wel bij hem terechtgekomen. Klaagster was op 9 december 2022 per e-mail geinformeerd over de melding, waarna klagers op 12 december 2022 samen naar de huisarts zijn gegaan om de melding tegen te houden. Daaruit volgt dat klager kennelijk door klaagster op de hoogte was gesteld van het voornemen van verweerster om te gaan melden. Dat neemt uiteraard niet weg dat de meldcode voorschrijft beide ouders te informeren over de melding én uit te nodigen voor een gesprek. Dit geheel afwegende maakt dat het college de enkele constatering dat een tuchtrechtelijke norm is geschonden voldoende acht en dat geen maatregel wordt opgelegd.


Publicatie

5.14 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

  1. De beslissing

Het college:

  • verklaart klachtonderdeel 2 deels gegrond;
  • bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en Tijdschrift De Psycholoog.

Deze beslissing is gegeven door Th.A. Wiersma, voorzitter, C.A. Bol, lid-jurist,
M. Mostert-Uiterwijk, R. van der Ree, en L. Wittkampf, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025 .

secretaris voorzitter


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.