ECLI:NL:TGZRZWO:2025:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8231
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:147 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-11-2025 |
| Datum publicatie: | 13-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8231 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een huisarts. Klaagster was patiënte bij de huisartsenpraktijk van verweerder. Sinds haar bevalling in 2021 heeft klaagster rugklachten. Klaagster verwijt de huisarts, samengevat, dat hij onvoldoende zorg heeft verleend en onzorgvuldig heeft gehandeld rond de beëindiging van de behandelingsovereenkomst. Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en verklaart de klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 11 november 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. drs. Y.Y.J.M. Bonnet.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster was patiënte bij de huisartsenpraktijk van verweerder. Sinds haar
bevalling in 2021 heeft klaagster rugklachten. Klaagster verwijt de huisarts, samengevat,
dat hij onvoldoende zorg heeft verleend en onzorgvuldig heeft gehandeld rond de beëindiging
van de behandelingsovereenkomst.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 4 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 mei 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 oktober 2025. Klaagster
is verschenen, bijgestaan door haar partner. Verweerder werd bijgestaan door zijn
gemachtigde.
3. De feiten
3.1 Het college gaat bij de boordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden,
voor zover deze volgen uit het medisch dossier.
3.2 Klaagster was patiënte bij de huisartsenpraktijk van de huisarts. Op 6
maart 2020 belde klaagster met de praktijk, omdat zij twee weken na de laatste menstruatie
weer een bloeding had, haar buik was opgezet en ze was trillerig. Klaagster werd verteld
dat als de klachten aanhielden, ze op het spreekuur moest komen, liefst met volle
blaas. De huisarts zag klaagster op 13 maart 2020 op het spreekuur en vroeg lab-onderzoek
aan, daarna zou een echo volgen met een volle blaas. Op 17 maart 2020 kwam klaagster
bij de praktijk voor een echo. Op de echo zag de huisarts wat vocht in de ruimte achter
de baarmoeder en voor de endeldarm, wat kan duiden op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.
Op verzoek van de huisarts deed klaagster thuis een zwangerschapstest en deze was
positief. Klaagster werd doorverwezen naar de gynaecoloog en dezelfde dag werd klaagster
geopereerd wegens een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Klaagster nam op 19 maart
2020 weer contact op met de praktijk vanwege kortademigheid en misselijkheid sinds
de ingreep. De huisarts schreef vervolgens metoclopramide aan haar voor.
3.3 Enkele maanden later raakte klaagster zwanger en in maart 2021 beviel zij
van haar tweede kind. Drie weken na de bevalling meldde klaagster pijnklachten in
haar onderrug. Klaagster ging hiervoor eerst naar de fysiotherapeut, maar die verwees
haar door naar de huisarts voor verder onderzoek. Klaagster bezocht de huisarts op
9 april 2021 en zij vertelde sinds enkele maanden pijn midden in haar rug te hebben,
uitstralend naar beide benen en soms met tintelingen. De huisarts besloot een röntgenonderzoek
aan te vragen om een nadere oorzaak te kunnen bepalen. Op 12 april 2021 zag de huisarts
de foto’s. Hieruit volgde dat klaagster voor haar leeftijd wat meer slijtage had dan
je zou verwachten. Een dag later verwees de huisarts klaagster door naar de orthopedisch
chirurg. Klaagster belde op
22 april 2021 de huisartsenpraktijk weer en vertelde dat de orthopeed niets kon
met de klachten. Klaagster vroeg sterkere pijnstillers zodat ze zorg kon dragen voor
haar zeven weken oude dochter. De huisarts schreeft klaagster vervolgens Zaldiar (paracetamol
met tramadol) voor. In de brief van de orthopedisch chirurg aan de huisarts stond
dat orthopedische therapeutische opties bij rugklachten, zeker bij uitstraling, zeer
beperkt zijn. Voor de uitstralende pijn verwees de orthopedisch chirurg naar de neuroloog
om een neurologische component uit te sluiten. Als hier niets uit zou komen, zou een
verwijzing naar de revalidatiearts een optie zijn.
3.4 Klaagster werd op 8 en 30 juli 2021 gezien door de neuroloog. In zijn brief
staat onder ‘bespreking’ (alle citaten letterlijk weergegeven en bij weergave van
namen degene die het betreft):
“Er is sprake van een aanvankelijke lumbago tijdens de zwangerschap, met later ook
een meer radiculaire pijn beiderzijds, dd oa kanaalstenose, HNP, toch myotendinogeen
,er volgt een mri-lwk,: er worden geen verklarende afwijkingen gevonden. Bij controle
vooral alge rugpijn, wisselend in de benen, weinig belastbaar, loopt vast. In overleg
volgt een verwijzing naar de revalidatie voor ene multidisciplinair traject.”
3.5 Op 22 september 2021 belde klaagster met de praktijk, zij had behoefte aan copingstrategieën om de periode tot de afspraak met de revalidatiearts in november door te komen. De huisarts verwees haar naar de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg (POH-GGZ).
3.6 Klaagster bezocht op 9 november 2021 de revalidatiearts. Door de revalidatiearts
werden de klachten beschreven als tendomyogeen en de disbalans in belasting-belastbaarheid
leek een onderhoudende rol te spelen. Afgesproken werd dat klaagster zou starten met
rugrevalidatie, maar dat hiervoor een wachttijd was. Van 13 januari tot 9 mei 2022
volgde klaagster een revalidatietraject.
3.7 Op 12 januari 2024 meldde klaagster zich weer bij de praktijk van de huisarts
met de wens om een vervolgonderzoek voor de rugklachten die haar nog altijd beperkten.
In overleg met de huisarts werd besloten een verwijzing naar D te maken. Klaagster
belde de praktijk op 24 januari 2024 op en vertelde dat de wachttijd bij D 240 dagen
was en zij niet kon wachten. E had volgens haar zorgverzekeraar een kortere wachttijd,
dus klaagster verzocht om een verwijzing naar deze kliniek. De huisarts verwees klaagster
dezelfde dag.
3.8 Op 9 februari 2024 bezocht klaagster E. De conclusie van de orthopedisch
chirurg was, gelet op de brief aan de huisarts van 26 februari 2024:
“Sondylodiscartrose op niveau L5-S1. Geen raduculair conflict, noch kanaalstenose.
Conclusie en beleid
Conclusie: Chronische rugpijn. Op MRI LWK degeneratieve discus L5-S1. Geen kanaalstenose.
Geen wortelcompressie. Geen andere afwijkingen. Uitleg dat niet te stellen is dat
de discus L5-S1 de rugpijn veroorzaakt (..)
De milde scoliose die er is kan een reden zijn voor rugpijn echter zijn hier geen
invasieve opties voor. Een andere optie (anamnetisch niet onderzocht) zou een SpA
zijn. Voorstel overleg met reumatoloog. TC nadien. Wel verwachtingen uitgesproken
dat ik de kans klein acht dat er sprake is van een SpA en dat we de oorzaak van de
chronische pijn niet gaan vinden.”
3.9 Op 16 februari 2024 belde klaagster de praktijk. Ze was teleurgesteld
dat er niets op de MRI te zien was en had nog steeds pijn.
Door een collega van de huisarts werd oxycodon voorgeschreven.
3.10 Klaagster bezocht op 13 maart 2024 de polikliniek reumatologie van D. Er
werden geen aanwijzingen gevonden voor een inflammatoire reumatische ziekte.
3.11 Op 9 april 2024 belde klaagster weer met de huisartsenpraktijk. Zij wilde graag naar de pijnpoli. Volgens de huisarts had dit minder toegevoegde waarde zolang de diagnose niet rond was. Hij stelde voor te wisselen van pijnmedicatie.
3.12 Klaagster bezocht op 11 juli 2024 de polikliniek orthopedie bij D. Klaagster werd bewegingsadvies en therapie voorgesteld, bij toename van klachten eerst een pijnstiller. Ook werd klaagster verteld dat er geen operatieve opties waren. Wel was conservatief het pijnmanagementprogramma Real Health een optie. Klaagster wilde hier aan deelnemen. Klaagster doorliep het programma van 7 oktober 2024 tot en met 18 oktober 2024. Op de terugkomdag (18 november 2024) besloot klaagster de behandeling stop te zetten, omdat de handvatten die ze kreeg aangereikt niet nieuw waren.
3.13 Op verzoek van klaagster besprak de huisarts de pijnklachten verder. Hij
noteerde op 29 november 2024 in het dossier: “Het enige logische vervolg dat ik nog kan verzinnen is een terugverwijzing naar de
revalidatiearts in het F.”
3.14 In het medisch dossier werd vervolgens achtereenvolgens genoteerd:
“03-12-2024
S XX: Zou je mvr willen bellen, is het niet eens met het antwoord van 29-11.
Zegt dat
ze er niks aan heeft om weer terug verwezen te worden naar de revalidatiearts
en
wordt hier gek van. Graag contact [RTG: mobiel telefoonnummer].
P Mijn voorstel zou zijn om de revalidatiearts die haar kent nog eens te
vragen om
breder naar haar klachten te kijken. IGelet op het feit dat ze al vaak
en veel
geanalyseerd is door meerdere specialisten maakt de kans dat daar iets
nieuws
wordt gevonden inderdaad niet erg groot maar dat geldt elders ook. Mw
is het
niet eens met mijn advies, vindt dat ik haar niet serieus neem en wil
een andere
huisarts zoeken.”
09-12-2024
S G: Mw. belt terug nav vraag of zij over mag stappen naar H. G heeft antwoord
H doorgegeven. Mw zegt dit een bijzondere gang van zaken te vinden,
want wij zijn
toch een huisartsenpraktijk met meerdere artsen. Heeft al contact gehad
met
praktijk I, mw. zegt dat ze daar geen nieuwe patienten aannemen. Vindt
J te ver. G heeft advies gegeven dat mw. dan contact opneemt met
zorgverzekering om te kijken of zij haar nog iets kunnen bieden. Hier
staat mw. wel
open voor, maar wil in ieder geval dat assistente overlegt over een
doorverwijzing
naar neuroloog K en een afspraak inplant voor een ecg. Aangengeven dat
dit
in overleg gaat, wat is mogelijk?
P A: Mw heeft het vertrouwen in mij opgezegd en zij heeft aangegeven zich
bij een
andere huisarts in te schrijven. Dat respecteer ik maar ik heb geen
invloed op het
aannamebeleid van mijn collega’s. Ze moet zich wel beseffen dat als
zij bij een
collega in deze praktijk terecht komt, zij in de waarneming nog steeds
met mij te
maken kan krijgen. Ik vind het overigens ook lastig om dan een advies
te geven aan
iemand die mij daarin niet vertrouwt. Ik heb overigens helemaal niet
geadviseerd dat
zij naar een neuroloog in het K moet dus ik kan daar ook geen verwijzing
voor
schrijven. Als zij moeite heeft met het vinden van een nieuwe huisarts,
kan haar
verzekeraar daar vaak wel bij helpen.”
12-12-2024
S Exitgesprek. Het consult is helaas al snel weer conflictueus. Mw vindt
dat ze
onvoldoende zorg heeft gekregen en wil dingen van mij waar ik niet achter
sta.
Daarom stapt ze uit mijn praktijk. (…) Nu zij uit mijn praktijk is maar
nog nergens
anders is aangemeld heeft ze het verzoek of ik de praktijk in J kan
bellen.
P Ik heb de praktijk in J gebeld [RTG: naam praktijk] of zij daar
terecht kan. Ik word daarover later teruggebeld, ze zitten vol en ze
kan daar niet
terecht. Als zij hier binnen de maatschap blijft (dus bij H of L) zal
er in
spoedsituaties nog door mij kunnen worden waargenomen. Ik kan daar wel
mee
leven maar wellicht kan M nog geprobeerd worden. Als dat ook
niet kan dan zou ze aan L moeten vragen of ze daar terecht kan. Als
dat ook niet
kan, zal ik het aan de HAGRO voorleggen waarbij opgemerkt dat ik wel
mijn best
voor haar kan doen dat ze ergens anders terecht kan maar dat dit niet
mijn
verantwoordelijkheid is omdat zij zelf uit de praktijk is gestapt.”
3.15 In de periode vanaf 17 december 2024 tot en met 3 januari 2025 waren er meerdere telefonische contacten tussen klaagster, haar partner, de zorgcoach van de zorgverzekeraar van klaagster en de huisartsenpraktijk. Op 23 december 2024 belde de zorgcoach dat klaagster pijn had in haar linkerarm. De huisarts noteerde op 3 januari 2025 in het dossier dat hij geen inschrijftarief meer inde van klaagster, omdat ze expliciet had aangegeven geen basiszorg meer af te nemen. Ook noteerde de huisarts dat hij beschikbaar was voor noodzakelijke huisartsenzorg zolang klaagster geen nieuwe huisarts had. Op 6 januari 2025 was er een bespreking met de HAGRO (huisartsengroep), waarbij besloten werd dat zij zich onder voorwaarden kon inschrijven bij een andere huisartsenpraktijk.
Op 17 januari 2025 belde klaagster de praktijk om te vertellen dat zij zich had ingeschreven bij een andere huisartsenpraktijk.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts, samengevat, dat hij:
- Onzorgvuldig heeft gehandeld rondom de beëindiging van de behandelingsovereenkomst.
Zo heeft de huisarts onvoldoende gecommuniceerd, klaagster voortijdig uitgeschreven en haar onheus bejegend, onvoldoende meegewerkt bij een overstap en geen (spoed)zorg geboden. - Klaagsters gezondheidsklachten niet serieus heeft genomen.
Zo wilde de huisarts klaagster drie keer verwijzen naar een revalidatiekliniek, verwees hij niet tijdig door, wilde hij geen pijnmedicatie voorschrijven en volgde hij de adviezen van de orthopeed niet op. - Onvoldoende uitleg gaf omtrent zijn overwegingen en behandelkeuzes.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Hij was altijd van mening dat klaagster met haar klachtenpatroon beter geholpen kon worden in de tweede lijn. Daarnaast heeft hij klaagster altijd pijnmedicatie voorgeschreven, zelfs nadat zij was uitgeschreven in de praktijk. De specialistenbrief van de orthopeed zag hij pas nadat de behandelrelatie was beëindigd, zodat in redelijkheid niet van hem verwacht kon worden dat hij daar navolging aan gaf. Verder stelt de huisarts dat hij klaagster steeds respectvol heeft benaderd en haar klachten serieus nam. Tot slot stelt de huisarts dat hij zich heeft gehouden aan de vereiste zorgvuldigheidsnormen. Hij heeft met klaagster gecommuniceerd, is noodzakelijke zorg blijven bieden en heeft zich ruimschoots ingespannen om ervoor te zorgen dat klaagster als patiënte bij een andere praktijk ingeschreven kon worden.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen.
Klachtonderdeel a) onzorgvuldig beëindigen behandelingsovereenkomst
5.2 In het medisch dossier staat dat klaagster op 9 december 2024 het vertrouwen
in de huisarts opzegde en aangaf zich bij een andere huisarts in te willen schrijven.
Verder staat in dit dossier dat het gesprek op 12 december 2024 een ‘exitgesprek’
was. Klaagster stelt dat zij niet wist dat het een exitgesprek was en dit pas achteraf
hoorde. Niet in geschil is dat klaagster het gesprek op 12 december 2024 in eerste
instantie met de huisarts aan ging om binnen de huisartsenpraktijk te kunnen overstappen
naar een collega van de huisarts. Toen dat niet bleek te kunnen, uitte klaagster vervolgens
de wens over te stappen naar een andere praktijk. Op verzoek van klaagster heeft de
huisarts een andere huisartsenpraktijk gebeld, met de vraag of klaagster daar terecht
kon. Onder deze omstandigheden heeft de huisarts er vanuit kunnen gaan dat klaagster
zelf de praktijk wilde verlaten en de behandelingsovereenkomst op wilde zeggen. Dat
klaagster op dat moment niet expliciet verteld is dat het gesprek een ‘exitgesprek’
was, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Uit de hiervoor geschetste omstandigheden
en uit het medisch dossier kan het college genoegzaam afleiden dat de nadrukkelijke
bedoeling was van klaagster dat zij uit de praktijk zou worden geschreven. De huisarts
heeft hier dan ook vanuit mogen gaan. Vervolgens heeft de huisarts zich naar het oordeel
van het college voldoende ingespannen door contact op te nemen met andere huisartsen
met het verzoek of zij klaagster over wilden nemen. Ook heeft hij haar situatie besproken
in de HAGRO met als resultaat dat klaagster zich onder voorwaarden kon inschrijven
bij een andere praktijk.
5.3 Verder heeft de huisarts, door klaagster als ‘passant’ in het systeem te zetten, zorgvuldig gehandeld. Op deze manier werd er geen inschrijftarief geïnd en een vangnet voor klaagster gecreëerd. Zij kon de praktijk wel bezoeken met spoedklachten of verzoeken om een (herhaal)recept. Dat klaagster, zoals zij stelt, geen medicijnen meer kon bestellen omdat haar dossier was gesloten, volgt niet uit het medisch dossier. Ook na het gesprek op 12 december 2024 zijn er nog medicijnen aan klaagster voorgeschreven.
5.4 Ten aanzien van het standpunt van klaagster dat de huisarts ten onrechte geen spoedzorg heeft geboden, overweegt het college dat dit niet wordt gevolgd. Op 23 december 2024 belde de zorgcoach van de zorgverzekeraar van klaagster, dat klaagster bij haar had aangegeven dat zij pijn had in haar linkerarm, bekend was met hartritmestoornissen en de andere huisartsenpraktijk vertelde dat hij vol zat. De zorgcoach vroeg of klaagster toch een afspraak kon krijgen. Uiteindelijk stelde de zorgcoach voor dat klaagster een brief zou schrijven aan de praktijk van de huisarts met haar klachten. Klaagster heeft dit gedaan (productie 15 bij het verweerschrift). Op basis van de geschetste omstandigheden, namelijk een zorgvraag die gepresenteerd wordt via de zorgcoach en uiteindelijk via een brief van klaagster, door een bij de huisarts bekende patiënte van relatief jonge leeftijd, heeft de huisarts kunnen concluderen dat een hartprobleem onwaarschijnlijk was. De huisarts heeft de vraag van klaagster niet als acute (spoedeisende) zorg hoeven zien.
5.5 Tot slot is niet gebleken dat de huisarts onvoldoende heeft gecommuniceerd
of klaagster onheus heeft bejegend. Het college kan dit op basis van de stukken en
wat ter zitting is gebleken niet vaststellen.
Klachtonderdeel a is, gelet op het voorgaande, ongegrond.
Klachtonderdeel b) gezondheidsklachten niet serieus nemen
5.6 Vast staat dat de huisarts in november 2024 klaagster nog een keer wilde
verwijzen naar een revalidatiearts. Zijn insteek daarbij was om deze arts met een
brede blik mee te laten denken over mogelijke diagnostiek. Ter zitting legde de huisarts
uit dat revalidatiegeneeskunde het eerste aanspreekpunt is voor chronische rugklachten.
Klaagster erkent dat de huisarts had uitgelegd waarom hij juist een verwijzing naar
de revalidatiearts wilde geven, maar de wachttijd voor deze arts was volgens klaagster
te lang gelet op haar klachten. Het college oordeelt dat de huisarts geen invloed
heeft op de wachttijden van een revalidatiearts, en dat voldoende vaststaat dat de
huisarts aan klaagster heeft uitgelegd waarom hij een verwijzing naar de revalidatiearts
overwoog. Het college acht dit een verdedigbare beslissing, zodat niet kan worden
geoordeeld dat de huisarts hier tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.7 De huisarts heeft verder, nadat klaagster vroeg om een sterkere pijnstiller voor haar klachten, aan klaagster in 2021 Zaldiar voorgeschreven. Klaagsters verwijt dat de huisarts haar geen pijnstillers heeft voorgeschreven, slaagt dus niet. Verder was in het geval van klaagster geen sprake van acute, maar van chronische pijn. De huisarts heeft hiervoor geen extra medicatie hoeven voorschrijven, aangezien klaagster nog in het diagnostisch traject zat. Verder volgt uit het dossier niet dat de huisarts geweigerd heeft om aan klaagster pijnmedicatie voor te schrijven, zodat hieruit evenmin blijkt dat de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.8 Tot slot heeft klaagster op 10 december 2024 nog een e-consult gehad met een medisch specialist. De specialistenbrief van dit consult ontving de huisarts op 3 januari 2025, dus ruim nadat klaagster de behandelingsovereenkomst had beëindigd. Nu de huisarts op dat moment alleen nog spoedzorg behoefde te leveren, kon van hem niet worden verwacht dat hij actie ondernam op basis van deze specialistenbrief. Klachtonderdeel b is, gelet op het voorgaande, ongegrond.
Klachtonderdeel c) onvoldoende uitleg overwegingen en behandelkeuzes
5.9 Klaagster stelt dat de huisarts geen duidelijke en volledige uitleg heeft gegeven
over zijn overwegingen en behandelkeuzes. Voor zover dit standpunt gaat over de uitleg
die de huisarts heeft gegeven over de (derde) verwijzing naar de revalidatiearts,
verwijst het college naar wat onder overweging 5.6 staat. Verder ziet het college
in het dossier geen concrete aanknopingspunten op basis waarvan kan worden geoordeeld
dat de huisarts onvoldoende uitleg heeft gegeven over zijn overwegingen en behandelkeuzes.
Duidelijk is dat op een gegeven moment (in ieder geval vanaf december 2024) de consulten
van klaagster met de huisarts steeds conflictueuzer verliepen. Het college kan zich
voorstellen dat het dan ook lastiger wordt de patiënt mee te nemen in het voorgestelde
beleid. Hieruit blijkt echter niet van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen aan de
zijde van de huisarts. Klachtonderdeel c is ongegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door P.E.M. Messer-Dinnissen, voorzitter, S. Boersma, lid-jurist,
G.S.H. Vegt, A.H.M. van den Nieuwenhof en N.M. Dreteler-Rademaker, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 11 november
2025.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.