ECLI:NL:TGZRZWO:2025:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8443

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:141
Datum uitspraak: 07-11-2025
Datum publicatie: 10-11-2025
Zaaknummer(s): Z2025/8443
Onderwerp:
  • Geestelijke toestand
  • Lichamelijke toestand
Beslissingen: Gegrond, doorhaling inschrijving register
Inhoudsindicatie: Voordracht van de IGJ over een verpleegkundige vanwege het missen van de geschiktheid tot het uitoefenen van zijn beroep wegens zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid en een gewoonte van misbruik van middelen. Het college komt tot het oordeel dat de verpleegkundige de geschiktheid mist tot het uitoefenen van zijn beroep, beveelt de doorhaling van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register en treft een voorlopige voorziening.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 7 november 2025 op de voordracht van:

INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd in Utrecht,
vertegenwoordigd door A. Wijma, senior inspecteur,

(hierna ook: de inspectie),

gemachtigde: mr. A.W. de Haan,

tegen

A ,

verpleegkundige,

verweerder, hierna ook: de verpleegkundige.

  1. De zaak in het kort

1.1 In oktober 2024 en januari 2025 heeft de inspectie van twee zorgaanbieders
meldingen over de verpleegkundige ontvangen, (onder meer) inhoudende dat hij in de nachtdienst medicatie had ontvreemd. Naar aanleiding van deze meldingen heeft de inspectie onderzoek verricht. De inspectie heeft na afronding van dit onderzoek een voordracht ingediend om een voorziening te treffen tegen de verpleegkundige vanwege het missen van de geschiktheid tot het uitoefenen van zijn beroep wegens zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid en een gewoonte van misbruik van middelen.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de verpleegkundige de geschiktheid mist tot het uitoefenen van zijn beroep en dat de voorziening van doorhaling is aangewezen en treft een voorlopige voorziening. Hierna licht het college dat toe.

  1. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- de voordracht met bijlagen, ontvangen op 29 april 2025;
- de reactie van de verpleegkundige, ontvangen op 25 juni 2025;
- de aanvullende stukken van de inspectie, ontvangen op respectievelijk 21 juli 2025 en
31 juli 2025.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 26 september 2025. De inspectie werd vertegenwoordigd door A. Wijma, bijgestaan door mr. A.W. de Haan. De verpleegkundige is verschenen. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.4 Gelijktijdig met deze voordracht heeft de inspectie een tuchtklacht ingediend tegen de verpleegkundige. Die zaak is bekend onder nummer Z2025/8442. De tuchtklacht en de voordracht zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met inachtneming van artikel 83 lid 3 en 4 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG). In beide zaken wordt vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan. Deze beslissing gaat over de voordracht.

  1. De feiten

3.1 De verpleegkundige staat sinds 9 februari 2023 ingeschreven in het BIG-
register. Daarvóór was de verpleegkundige al bekend bij de inspectie, nadat de inspectie in 2019 een melding had ontvangen van een zorgaanbieder waar de verpleegkundige op dat moment als leerling-verpleegkundige werkzaam was. Volgens de melding had de verpleegkundige gedurende zijn werkzaamheden opiaten en benzodiazepines weggenomen uit de retourbak. De verpleegkundige erkende dat hij middelen had weggenomen en verklaarde zijn handelen vanuit zijn depressie en suïcidale gedachten, waarvoor hij daarna behandeld was. Ook gebruikte hij antidepressiva en had hij nog eens per drie weken een controleafspraak bij de GGZ. De inspectie heeft het onderzoek naar de melding vervolgens beëindigd met het vertrouwen dat de verpleegkundige geen risico meer vormde voor de patiëntveiligheid.

3.2 In oktober 2024 ontving de inspectie opnieuw een melding van een zorgaanbieder over de verpleegkundige. De verpleegkundige was als uitzendkracht voor de zorgaanbieder werkzaam. Hij was door de zorgaanbieder ontslagen wegens disfunctioneren, nadat hij tijdens de nachtdienst van 19 op 20 oktober 2024 geen zorg had verleend aan cliënten op een verpleegafdeling en daarmee deze cliënten in gevaar had gebracht. Volgens de zorgaanbieder had de verpleegkundige bellen van cliënten niet beantwoord en had hij bij één cliënt geen pomp duodopa aangesloten terwijl dit wel noodzakelijk was. Ook bestond het vermoeden dat hij tijdens zijn nachtdienst medicatie had weggenomen, onder andere 181 opiaten, waardoor deze medicatie op dat moment niet meer beschikbaar was voor de cliënten. Volgens de melding was de opiatenkast in de avond van 19 oktober 2024 voorafgaand aan de nachtdienst gecheckt en is de opiatenkast in de nacht geopend met de tag waarmee de verpleegkundige werkte. Hierna ontbrak morfine, oxycodon, methylfenidaat, diazepam en midazolam.

3.3 Uit informatie van de politie blijkt dat de verpleegkundige in de ochtend van 20 oktober 2024, na zijn nachtdienst, wegens gevaarlijk rijgedrag is gecontroleerd op rijden onder invloed. Uit een afgenomen bloedtest kwam naar voren dat de verpleegkundige THC en morfine in zijn bloed had. Verder zijn bij onderzoek in de auto van de verpleegkundige onder meer plastic handschoenen, naalden, een doktersspuit, een lege ampul midazolam en een injectienaald aangetroffen.

3.4 Op 8 januari 2025 ontving de inspectie wederom een melding van een zorgaanbieder waar de verpleegkundige wegens disfunctioneren was ontslagen. De verpleegkundige werkte bij de zorgaanbieder als uitzendkracht op een afdeling langdurige klinische zorg voor volwassenen. In de nacht van 1 op 2 januari 2025 werkte de verpleegkundige in zijn eentje op de afdeling toen hij om 4 uur ’s nachts door een beveiliger en een nachthoofd in verwarde toestand werd aangetroffen nadat het brandalarm was afgegaan omdat hij tijdens het koken iets had laten aanbranden. Verder merkten de collega’s van de dagdienst, die de verpleegkundige in de ochtend van 2 januari 2025 aflosten, op dat hij onder het bloed zat. Volgens de verpleegkundige kwam dit door een ‘papercut’. De dagdienst trof vervolgens op meerdere plaatsen bloed aan, onder andere op de medicatiekast, in en op medicijndoosjes/-strips, de sleutel van de opiatenkluis en de deur van de opiatenkluis. Bij inventarisatie van de medicatievoorraad bleken meerdere stuks lorazepam, temazepam, nicotinezuigtabletten en een ampul temesta te ontbreken. Daarnaast had de verpleegkundige volgens de melding na afloop van de nachtdienst een eenzijdig auto-ongeval gehad.

3.5 Informatie van de politie bevestigde dat de verpleegkundige in de ochtend van

2 januari 2025 een eenzijdig auto-ongeval heeft gehad. Bij een na dit ongeval verrichte controle voor rijden onder invloed bleek de verpleegkundige THC in zijn bloed te hebben. Tegenover de politie heeft de verpleegkundige onder meer verklaard:


“V: Wat ik zelf kan verklaren is dat ik ’s nachts een nachtdienst had. Ik ben daar goed ontvangen door collega’s. Sinds dat moment kan ik me niets meer herinneren. Ik kan me wel herinneren dat ik op werk al wat kleine incidenten had zoals een sleutel vergeten die ik nodig had. Ik heb ook per ongeluk een brandalarm heb geactiveerd. Ik ben tussen 07.30 uur en 08.15 uur in mijn auto gestapt na een overdracht met collega’s. Het eerstvolgende dat ik mij kan herinneren is dat ik uit mijn passagiersraam getrokken ben na een klapper. Het eerstvolgende daarna is dat ik een dag of twee later wakker werd in een ziekenhuisbed.

(…)

P: Hoe was je concentratie op je werk, afgezien van wat je al eerder noemde?

V: Niet aanwezig, ik werkte op de automatische piloot, ver in mijn depressieve klachten.

P: Had je middelen gebruikt die je rijvaardigheid kunnen beïnvloeden?

V: Ik had overdag een jointje gerookt, maar niet voor aanvang of tijdens mijn dienst.”

3.6 Op 23 januari 2025 heeft de verpleegkundige tegenover de inspectie verklaard dat hij sinds 19 maanden geen alcohol en drugs meer gebruikte, met uitzondering van één keer op een feestje. Volgens de verpleegkundige was hij niet verslaafd aan medicatie als opiaten of pijnstillers, en heeft hij na het incident in 2019 (waarover de eerste melding bij de inspectie ging) geen opiaten meer weggenomen of gebruikt. Hij gebruikte uitsluitend Venlafaxine. Verder heeft hij verklaard onder behandeling te zijn bij B. De verpleegkundige had geen herinneringen meer aan zijn werkzaamheden in de nacht van 19 op 20 oktober 2024. Hij wist nog vaag dat hij daar kwam en dat hij rond 00.30 uur contact had met een collega omdat zijn tag achter een gesloten deur lag. Daarna had hij een black-out en deed hij alles op de automatische piloot. Over de ontbrekende medicatie (o.a. 181 opiaten) heeft de verpleegkundige verklaard dat hij deze niet meegenomen kan hebben, omdat hij deze thuis in zijn jas niet is tegengekomen.

Ook van de werkzaamheden in de nacht van 1 op 2 januari 2025 heeft de verpleegkundige verklaard nog heel weinig te weten. Volgens de verpleegkundige heeft hij de ontbrekende medicatie niet meegenomen, omdat hij die thuis niet had aangetroffen in zijn jas, tas of auto. Verder had hij geen reden om de medicatie mee te nemen, omdat hij geen opiaten meer gebruikte.

3.7 Op 20 februari 2025 heeft de inspectie informatie van de regiebehandelaar van B ontvangen. De verpleegkundige was hier in behandeling na verwijzing door de huisarts vanwege somberheidsklachten en recidiverende depressies. In september 2024 vond de intake plaats. Op dat moment was de verpleegkundige al bekend met de volgende diagnoses:

- autismespectrumstoornis (ASS);

- recidiverende depressieve episoden;

- suïcidale gedachten;

- status na middelengebruik, 14 maanden abstinent.

Vanaf eind oktober 2024 waren er vermoedens van een terugval in middelengebruik, dit werd door de verpleegkundige echter ontkend. In januari 2025 erkende hij dat hij weer middelen gebruikte. De verpleegkundige kwam niet alle behandelafspraken na en een behandeling was nog niet goed van de grond gekomen. Na erkenning van de terugval door de verpleegkundige hadden vier gesprekken plaatsgevonden om hem te motiveren zich voor zijn verslaving te laten behandelen. In een gesprek met de regiebehandelaar op 1 november 2024 heeft de verpleegkundige verteld over een wegraking op zijn werk en ook dat hij voor gevaarlijk rijden van de weg was gehaald. De alcohol- en drugstesten waren volgens hem echter negatief. Hij ontkende middelen te hebben gebruikt. Na het ongeval in januari 2025 heeft de verpleegkundige aan de regiebehandelaar verteld in die nacht pillen te hebben ontvreemd op zijn werk. Volgens de regiebehandelaar was besproken dat de verpleegkundige niet meer op zoek zou gaan naar een nieuwe baan en dat hij zijn werkzaamheden zou staken. Ook zou zijn afgesproken dat de verpleegkundige zich aan zou melden bij de verslavingszorg en dat hij openheid van zaken zou geven bij de inspectie en eventueel bij justitie.

3.8 In een vervolggesprek met de inspectie op 27 februari 2025 heeft de verpleegkundige over zijn middelengebruik aanvullend verklaard dat hij op dat moment cannabis gebruikte, twee tot drie joints per dag. Verder heeft hij, geconfronteerd met de informatie van de regiebehandelaar, verklaard dat hij ketamine gebruikte tegen zijn depressie. Anderhalve week voor het gesprek had hij het nog gebruikt voor een sociale gelegenheid. Naar eigen zeggen was hij nu gestopt met ketamine. Een traject bij de verslavingszorg, zoals besproken met de regiebehandelaar, wilde de verpleegkundige liever niet. Volgens de verpleegkundige gebruikte hij niet voor of tijdens het werk.

De verpleegkundige verklaarde verder dat hij het verslag van de inspectie met zijn werkgever (uitzendorganisatie) had gedeeld, dat hij inmiddels weer een paar avonddiensten had gedaan en ook weer nachtdiensten zou gaan doen. Op de vraag of hij bereid zou zijn een periode niet in de zorg te werken, antwoordde de verpleegkundige dat hij geen arbeidsongeschiktheidsverzekering had en dat dit financieel te zwaar zou zijn.

3.9 De inspectie heeft in de bevindingen van het onderzoek aanleiding gezien om aan de verpleegkundige op 5 maart 2025 de last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten (LOOB) op te leggen.

3.10 Vervolgens heeft de inspectie op 29 april 2025 de voordracht en tuchtklacht ingediend. Daarbij heeft de inspectie in het geval van de voordracht aan het college verzocht om ten aanzien van de verpleegkundige een voorziening te treffen die past bij de aard en ernst van het risico.

3.11 De inspectie heeft een onafhankelijk extern psychiatrisch onderzoek laten verrichten. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in de rapportage van psychiater C van 19 juni 2025. Door de psychiater is onder meer geconcludeerd dat sprake is van een ernstige stoornis in het gebruik van meerdere middelen, van een autismespectrumstoornis en van een recidiverende depressieve stoornis waarbij de huidige episode gedeeltelijk in remissie is. Differentiaal diagnostisch is door de psychiater het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis in overweging genomen. De psychiater kan niet vaststellen dat op het moment van onderzoek sprake is van een actieve en ernstige verslaving. Zijn inschatting is dat de problematiek ernstig tot zeer ernstig is en dat de prognose op de korte tot middellange termijn negatief tot zeer negatief is. Qua behandeling heeft de psychiater geadviseerd de verslavingsbehandeling voort te zetten en te overwegen om zorg binnen een centrum voor dubbele problematiek (verslavingsproblematiek met ernstige comorbiditeit) in te zetten.

3.12 De uitkomsten van het psychiatrisch onderzoek in ogenschouw genomen, heeft de inspectie op 18 juli 2025 het verzoek aan het college ten aanzien van de maatregel aangepast, zoals hierna onder 4.1 geformuleerd.

3.13 Naar aanleiding van aanvullende vragen van de inspectie heeft de psychiater per e-mailbericht van 25 juli 2025 nog een nadere toelichting gegeven op zijn rapportage. Onder meer is door hem uitgelegd dat hij de verpleegkundige enerzijds therapieresistent acht in die zin dat de tot dan toe geboden behandelingen niet tot een duurzaam herstel hebben geleid. Ook is er reeds een lange behandelgeschiedenis. Anderzijds acht hij het wel zinvol om passende behandeling te blijven bieden. Het perspectief van dubbele problematiek lijkt volgens de psychiater nog niet eerder te zijn gebruikt en zijn inschatting is dat het wel zinnig kan zijn. Hij verwacht echter niet dat dit op korte termijn tot duurzaam herstel zal leiden. Omgekeerd is zijn inschatting dat bij uitblijven van behandeling de toestand van de verpleegkundige verder achteruit zal gaan. Gevraagd naar de behandeling van de verpleegkundige op dat moment, heeft de psychiater gewezen op de bij de huisarts opgevraagde correspondentie. Hierbij bevond zich een afsluitende brief van B waarin is aangegeven dat de behandeling van de verpleegkundige daar op 14 maart 2025 is afgesloten. Voor zover de psychiater bekend, was de verpleegkundige ten tijde van het onderzoek niet elders onder behandeling.

  1. De voordracht en de reactie van de verpleegkundige

4.1 Volgens de inspectie heeft de verpleegkundige gehandeld in strijd met de beroepsnormen zoals neergelegd in de artikelen 1.1, 1.7, 1.9 en 4.7 van de Beroepscode voor Verpleegkundigen en Verzorgenden. De inspectie acht het aannemelijk dat de verpleegkundige de geschiktheid mist tot het uitoefenen van zijn beroep als verpleegkundige of een andere functie in de individuele gezondheidszorg wegens zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid en/of een gewoonte van misbruik van middelen. De inspectie verzoekt om die reden om aan de verpleegkundige op grond van artikel 80, eerste lid, onder c, van de Wet BIG een doorhaling op te leggen. Daarnaast verzoekt de inspectie om op grond van artikel 80, vijfde lid, van de Wet BIG de bevoegdheid tot uitoefening van aan de BIG-inschrijving verbonden bevoegdheden te schorsen tot de beslissing tot doorhaling onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is vernietigd.

4.2 De verpleegkundige erkent de door de inspectie genoemde feiten, alsmede dat sprake is van verslavingsproblematiek waardoor hij zijn werk als verpleegkundige niet meer op een verantwoorde wijze kon uitoefenen. Een ernstige terugval eind 2024 met een bijna-fataal ongeval als dieptepunt, heeft de verpleegkundige gedwongen tot een diepgaande reflectie op de door hem veroorzaakte gevaren en de noodzaak om herhaling in de toekomst uit te sluiten. De verpleegkundige stelt dat hij inmiddels meerdere maanden clean is en aanzienlijke inspanningen heeft geleverd om een sociaal en professioneel vangnet te creëren teneinde een nieuwe terugval te voorkomen. De verpleegkundige is zich ten volle bewust van zijn gemaakte fouten en aanvaardt de consequenties die hieruit voortvloeien. Hij verzekert het college dat hij al het mogelijke zal doen om te voorkomen dat dergelijke fouten zich in de toekomst herhalen en hoopt op een kans om zijn loopbaan in de zorg voort te kunnen zetten.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

  1. De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling

5.1 Het college is bevoegd op schriftelijke voordracht van de inspectie een voorziening (maatregel) te treffen, ertoe strekkende een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar (zoals verpleegkundige) uit het BIG-register te doen verwijderen dan wel diens uitoefening van het betrokken beroep met bijzondere waarborgen te omkleden, indien de beroepsbeoefenaar moet worden geacht de geschiktheid tot het uitoefenen, dan wel tot het zonder zodanige waarborgen uitoefenen van dat beroep te missen, wegens

1° diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid; of

2° diens gewoonte van drankmisbruik of van misbruik van middelen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.

5.2 Bij een voordracht staat de gezondheidstoestand van de beroepsbeoefenaar zelf en de invloed hiervan op zijn beroepsuitoefening centraal. Een maatregel wegens ongeschiktheid heeft vooral een preventieve, beveiligende functie. Het doel is schade aan de gezondheid van door betrokkene behandelde patiënten/cliënten in de toekomst te voorkomen, en daarmee bescherming van de maatschappij tegen onaanvaardbare risico’s voor de individuele gezondheidszorg.

De beoordeling

5.3 Gelet op de bevindingen van het psychiatrisch onderzoek, in combinatie met de verklaring van de verpleegkundige zelf, heeft het college er onvoldoende vertrouwen in dat de verpleegkundige binnen afzienbare termijn in staat is tot een aanmerkelijke verbetering en stabilisering van zijn psychische conditie en verslavingsgedrag, zodat hij weer zonder gevaar voor patiënten/cliënten in de zorg werkzaam zou kunnen zijn. Daartoe acht het college met name het volgende van belang.

5.4 De psychiater schat de problematiek van de verpleegkundige in als ernstig tot zeer ernstig en de prognose op de korte tot middellange termijn negatief tot zeer negatief. Zelfs wanneer de verpleegkundige een behandeling zou gaan volgen waarbij wordt ingezet op zijn dubbele problematiek (verslavingsproblematiek in combinatie met ernstige psychiatrische comorbiditeit), verwacht de psychiater niet dat dit op korte termijn tot duurzaam herstel zal leiden. Bij het uitblijven van behandeling is zijn inschatting dat de toestand van de verpleegkundige verder achteruit zal gaan.

5.5 Uit de verklaring van de verpleegkundige ter zitting leidt het college af dat de verslavingsproblematiek van de verpleegkundige nog steeds actueel is en dat van een behandeling zoals die door de psychiater wordt geadviseerd tot op heden geen sprake is. Weliswaar heeft de verpleegkundige verklaard dat hij inmiddels voor zijn verslavingsproblematiek groepsbijeenkomsten bezoekt en dat hij zijn verslaving onder controle heeft, een verdere onderbouwing hiervan heeft de verpleegkundige niet gegeven. De verpleegkundige heeft óók verklaard enkele weken voor de zitting nog cannabis gebruikt te hebben, zodat in ieder geval vaststaat dat van een stabiele situatie op dat vlak nog geen sprake is. Verder werkt de verpleegkundige naar eigen zeggen toe naar een traject voor cognitieve gedragstherapie bij B, echter dit zou pas starten na afloop van zijn verslavingstraject. Met het standpunt van de verpleegkundige (zoals ter zitting is verkondigd), dat met het volgen van deze beide trajecten na elkaar tegemoet zou worden gekomen aan het advies van de psychiater om zijn dubbele problematiek aan te pakken, miskent de verpleegkundige naar het oordeel van het college de ernst van de situatie. De psychiater heeft immers uitdrukkelijk in overweging gegeven om zorg binnen een centrum voor dubbele problematiek (verslavingsproblematiek met ernstige comorbiditeit) in te zetten.

Conclusie

5.6 Het college komt op grond van de voorgaande overwegingen tot de conclusie dat de verpleegkundige ongeschikt is om in de gezondheidszorg te werken. Het college ziet geen mogelijkheden om bijzondere waarborgen te stellen waaronder de verpleegkundige nog wel als zodanig zou kunnen werken zonder risico’s voor cliënten. Het college zal de voordracht van de inspectie dan ook volgen en de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register doorhalen.

5.7 In de periode tot aan het onherroepelijk worden van deze uitspraak zijn er geen wettelijke belemmeringen voor de verpleegkundige om werkzaam te zijn als verpleegkundige. In het belang van de individuele gezondheidszorg zal het college daarom als voorlopige voorziening zijn bevoegdheid om de aan de inschrijving in het BIG-register verbonden bevoegdheden uit te oefenen schorsen, totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is vernietigd.


Publicatie

5.8 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen

belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren.

De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

  1. De beslissing

Het college:

  • beveelt de doorhaling van de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register;
  • schorst, bij wijze van voorlopige voorziening, de bevoegdheid van de verpleegkundige om de aan die inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is vernietigd;
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften V&VN Magazine, Nurse Academy GGZ, Medisch Contact, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Gezondheidszorg Jurisprudentie.

Deze beslissing is gegeven door M.J.C. Dijkstra, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist,
J.M.C. van Dam, C.W.M. Hosmus en R.R. Ploeger, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025 .

secretaris voorzitter


Tegen deze beslissing kan schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

  1. Degene op wie de voordracht betrekking heeft.
  1. De inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.