ECLI:NL:TGZRZWO:2025:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7451
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:140 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-11-2025 |
| Datum publicatie: | 06-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2024/7451 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een arts deels gegrond, maatregel waarschuwing. Klaagster heeft een behandeling met fillers en botox ondergaan bij de kliniek waar verweerder als cosmetisch arts werkzaam was. Klaagster verwijt de arts dat de behandeling die hij heeft uitgevoerd onzorgvuldig was, dat de voorlichting/informed consent en de nazorg onvoldoende waren, en dat er onjuiste informatie op de website van zijn huidige kliniek staat. Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is, omdat over het handelen waarover klaagster nu klaagt namelijk nog geen onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing genomen. Daarnaast oordeelt het college dat verweerder tekort is geschoten in zijn zorgverlening door onvoldoende voorlichting te geven over de behandeling en niet tijdig te reageren op de hulpverzoeken na de behandeling. Maatregel van waarschuwing passend en geboden gelet op alle omstandigheden. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 4 november 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C,
tegen
D,
arts,
(destijds) werkzaam in E,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. B. van der Kamp, werkzaam in Den Haag.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft een behandeling met fillers en botox ondergaan bij de kliniek
waar verweerder als cosmetisch arts werkzaam was. Klaagster verwijt de arts dat de
behandeling die hij heeft uitgevoerd onzorgvuldig was, dat de voorlichting/informed
consent en de nazorg onvoldoende waren, en dat er onjuiste informatie op de website
van zijn huidige kliniek staat.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is, en de arts
tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Het college legt de arts de maatregel
van een waarschuwing op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 juli 2024, door het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam en doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege Zwolle, waar de klacht op 30 augustus 2024 is ontvangen;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 oktober 2024;
- het proces-verbaal van het op 13 januari 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de bijlagen 1, 8, 17 en 18 van de gemachtigde van klager, ontvangen op 6 februari
2025.
2.2 Op 19 september 2025, voor de mondelinge behandeling van de tuchtklacht, heeft
de gemachtigde van klaagster een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend tegen een
lid-beroepsgenoot van het zittingscollege dat de klacht zou gaan behandelen. Het wrakingsverzoek
is op 22 september 2025 digitaal (via Teams) behandeld. Bij beslissing van 22 september
2025 (geregistreerd onder ECLI:NL:TGZRZWO:2025:114) heeft de wrakingskamer verzoekster
niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 23 september 2025. De gemachtigde
van klaagster, verweerder en zijn gemachtigde zijn verschenen. Klaagster was afwezig
met bericht van verhindering. De aanwezige partijen hebben hun standpunten mondeling
toegelicht. De gemachtigde van verweerder heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan
het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster, geboren in 1981, had op 9 januari 2020 een afspraak bij de kliniek waar verweerder destijds werkzaam was. Zij had zich via de website aangemeld voor een intake consult met aansluitend behandeling van in totaal 45 minuten. Zij werd door verweerder gezien. Verweerder besprak de behandelwensen en deed vervolgens een voorstel voor een combinatiebehandeling van fillers en botox. Verweerder noemde ook de prijs die klaagster voor de behandeling zou moeten betalen. Nadat klaagster akkoord ging met de voorgestelde behandeling, heeft zij het informed-consentformulier ingevuld en ondertekend. Verweerder heeft vervolgens botox en fillers op verschillende plekken in het gezicht van klaagster geïnjecteerd. De behandeling bestond uit: neuslippenplooi behandeld met 1 ml Radiesse, traangootfiller met 1ml Teosyal, regio wang- en jukbeenderen met 3 ml Radiesse en Botox 24E bij de kraaienpootjes rond de ogen.
3.2 In de dagen na de behandeling kreeg klaagster klachten (zwelling en asymmetrie)
en nam zij op 10 en 11 januari 2020 contact op met de kliniek via e-mail. Zij werd
op 24 januari 2020 door verweerder op controle gezien. Over deze afspraak is het volgende
genoteerd in het behandeldossier:
’’Heeft forse zwelling gehad in de wangen ihkv radiesse behandeling. Foto’s vergeleken
met before en after.
Mgl zwelling onder de ogen ivm combinatie btx krp en trg. Advies om trg filler oplossen.
Mw ziet af van elke vorm van behandeling of oplossen. Wilt geen gebruik te maken van
kosteloze correcties.
Beleid: afwachtend.’’
3.3 Op 27 februari 2020 vond een tweede controleafspraak plaats. In de periode daarna nam klaagster meerdere malen contact op met de kliniek over de door haar gevraagde terugbetaling en klacht. De kliniek liet weten het bericht van klaagster naar verweerder te hebben doorgestuurd. Klaagster bleef vervolgens proberen om via de kliniek in contact te komen met verweerder. Op 22 juli 2020 nam verweerder telefonisch contact op met klaagster. Klaagster diende op 14 augustus 2020 een schriftelijke klacht in bij de klachtencommissie van de kliniek wegens ontevredenheid. Hierop volgde berichtenverkeer tussen de kliniek en klaagster over een mogelijke oplossing en terugbetaling. Klaagster wilde geen herstelbehandeling. Verweerder stuurde klaagster op 6 december 2020 een e-mail met onder andere de eerder door haar gevraagde aanvullende informatie over de behandeling.
3.4 In januari 2021 startte klaagster een procedure bij de Geschillencommissie
Zorg Algemeen. De Geschillencommissie heeft de klacht deels gegrond verklaard (met
betrekking tot informed consent en de duur van de klachtenprocedure) en een schadevergoeding
vastgesteld van € 1.500,-. Hierna startte klaagster een procedure bij de kantonrechter.
De kantonrechter wees de vorderingen van klaagster tot vernietiging van het bindend
advies van de Geschillencommissie en tot betaling van schadevergoeding van € 25.000,-
bij vonnis van 23 december 2022 af.
3.5 Klaagster heeft verweerder op 12 januari 2023 gemaild:
“Ik wil u zeggen dat ik u haat op de meest hatelijke manier mogelijk. U heeft mijn
zelfvertrouwen kapot gemaakt door uw behandeling. (…) Ik haat u en zal niet rusten
tot u krijgt wat u verdient. Ik zal zeker in hoger beroep gaan met een advocaat dit
keer en naar de tuchtrechter. Al kost het me al mijn geld. Het kan niet zo zijn dat
jullie mensen op deze wijze verminken en hiermee weg komen.! U bent een monster! En
ik bid en hoop dat u of u gezin, zus broer, moeder of kinderen door een arts zo worden
verminkt zodat u begrijpt wat u aanricht! Wij bidden in ons gezin er in ieder geval
om en om karma!’’.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klaagster verwijt verweerder:
a) schending van het informed consent;
b) niet tijdig reageren op hulpverzoeken;
c) onzorgvuldige uitvoering van de behandeling;
d) vermelden van onjuiste informatie op de website.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen, omdat daarover al bij bindende eindbeslissing door de Geschillencommissie is beslist (‘ne bis in idem’). Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Volgens hem heeft hij klaagster voldoende voorgelicht, de behandeling lege artis uitgevoerd en niet medisch onzorgvuldig gehandeld.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Allereerst moet het college de vraag beantwoorden of klaagster kan worden
ontvangen in haar klacht. Artikel 51 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) bepaalt dat niemand nogmaals berecht kan worden ter zake van enig handelen
of nalaten waarover te zijnen aanzien een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke
eindbeslissing is genomen. Dit wordt het ne bis in idem-beginsel genoemd. Van een
dergelijke uitzondering is hier geen sprake. Over het handelen waarover klaagster
nu klaagt, is namelijk nog geen onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing
genomen. De door klaagster gevoerde procedures tegen verweerder bij de Geschillencommissie
en de kantonrechter zien weliswaar op dezelfde feiten, maar zijn civielrechtelijk
en niet tuchtrechtelijk van aard. Die procedures staan dus niet in de weg aan de behandeling
van de ingediende tuchtklacht door klaagster.
Ook het standpunt van verweerder dat klaagster haar klachrecht in deze procedure
misbruikt, omdat zij eerder al naar de Geschillencommissie en kantonrechter is gestapt,
slaagt niet. Het klachtrecht op grond van de Wet BIG is een wettelijk recht en een
groot goed, dat alleen in uitzonderlijke gevallen mag worden beperkt. In de tuchtprocedure
staat het persoonlijk handelen van de zorgverlener (verweerder) centraal. De doelen
van het tuchtrecht zijn het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de individuele
gezondheidszorg en de bescherming van de patiënt tegen ondeskundig en onzorgvuldig
handelen van zorgverleners. Het tuchtcollege kan met het oog daarop, in tegenstelling
tot de geschillencommissie en civiele (kanton)rechter die alleen schadevergoeding
kunnen toewijzen, maatregelen opleggen in relatie tot de BIG-registratie. Indien het
algemeen belang met de tuchtrechtelijke behandeling van een klacht redelijkerwijs
niet meer gediend is, kan wel sprake zijn van misbruik van klachtrecht. Het college
ziet hier, anders dan verweerder aanvoert, geen aanleiding voor. Het college zal de
klacht daarom verder inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) schending informed consent
5.3 Het uitgangspunt is dat een patiënt toestemming geeft voor het uitvoeren
van een
medische behandeling, zoals opgenomen in artikel 7:450 van het Burgerlijk Wetboek
(BW). Artikel 7:448 BW bepaalt dat de arts, voordat hij toestemming vraagt, de patiënt
eerst moet informeren over een voorgestelde behandeling. Duidelijk moet zijn wat de
aard en het doel zijn van de behandeling, wat de diagnose en de prognose zijn voor
de patiënt, welke risico’s aan de behandeling verbonden zijn, welke complicaties er
kunnen optreden en welke alternatieven mogelijk zijn. Daardoor kan de patiënt een
weloverwogen besluit nemen. De arts mag de behandeling pas starten als de patiënt
hiervoor toestemming heeft gegeven. De informatieplicht van de arts en het toestemmingsvereiste
vormen samen het informed consent. Voor cosmetische (medisch niet noodzakelijke) behandelingen,
zoals in dit geval, geldt een verzwaarde informatieplicht en worden er zwaardere eisen
gesteld aan de verslaglegging in het medisch dossier.
5.4 Klaagster heeft een online afspraak ingepland bij verweerder voor een intake
consult met behandeling van de neuslippenplooi met filler. Verweerder heeft de wensen
van klaagster op 9 januari 2020 besproken en meende dat de oorzaak van de duidelijke
plooi veroorzaakt werd door volumeverlies bij het jukbeen en heeft daarom met een
notitie verschillende opties voor een (combinatie)behandeling voorgesteld met verschillende
doseringen en prijzen. Daarna heeft klaagster het informed-consentformulier ondertekend
en de behandeling ondergaan. Klaagster verwijt verweerder dat hij haar onvoldoende
heeft geïnformeerd/voorgelicht door niet het verschil uit te leggen tussen de gebruikte
fillers, de werking van Radiesse en de mogelijke risico’s/complicaties. Verweerder
heeft toegelicht dat klaagster tijdens het consult door middel van zijn notitie (door
hem aangeduid als zijn behandelplan) uitleg heeft gekregen over de behandeling (fillers/botox,
hoeveelheden en waar deze geïnjecteerd zouden worden). Hij heeft met klaagster besproken
dat het behandelplan aansloot op de wensen van klaagster en de prijs die daarvoor
verschuldigd zou zijn. Volgens verweerder heeft hij de verschillen tussen de werking
van beide fillers besproken, evenals het nazorgformulier waarin is aangegeven dat
er na de behandeling onder andere zwelling en blauwe plekken kunnen ontstaan. Klaagster
heeft dit betwist.
5.5 Het college kan niet vaststellen wat er door verweerder precies met klaagster is besproken, nu partijen elkaar op dat punt tegenspreken. De door klaagster weersproken verklaring van verweerder over de door hem in de gesprekken verstrekte informatie vindt onvoldoende steun in het medisch dossier. De aard van de behandeling brengt met zich mee dat uit de aantekeningen in het medisch dossier of het door de patiënt ondertekende informed-consentformulier moet blijken dat door de arts voldoende informatie is gegeven over de behandeling, de resultaten en de aan de behandeling verbonden risico’s en mogelijke complicaties. Uit de handgeschreven notitie van verweerder maakt het college op dat hij een aantal opties voor gebruik van diverse soorten middelen (fillers/botox), de doseringen en plekken in het gezicht waar deze geïnjecteerd zouden worden met bijbehorende prijzen heeft besproken met klaagster. Verweerder heeft echter niet genoteerd dat de werking en duur van de gebruikte middelen werd uitgelegd, de mogelijke risico’s/complicaties ervan en dat het informed-consentformulier is besproken. Daarover heeft verweerder onder andere verklaard dat hij het formulier aan klaagster ter ondertekening heeft gegeven toen hij de behandeling aan het voorbereiden was, terwijl klaagster zegt het formulier direct te hebben ondertekend zonder dat te hebben gelezen. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij niet is nagegaan of klaagster het formulier daadwerkelijk had gelezen en de inhoud daarvan begreep, hetgeen hem kan worden verweten nu het hier een niet-noodzakelijke medische ingreep betreft met een verzwaarde informatieplicht. De keuze van de patiënt staat in een dergelijk geval namelijk centraal, zodat verweerder zich ervan had moeten vergewissen dat klaagster goed heeft nagedacht over de behandeling en een weloverwogen beslissing heeft kunnen nemen. Dat geldt in dit geval eens te meer omdat klaagster ten tijde van het consult uit verschillende (meeromvattende) opties voor de behandeling kon kiezen dan waarvoor zij aanvankelijk de afspraak had gemaakt, evenals tegen verschillende prijzen inclusief een zogeheten pakketkorting. Omdat ook informatie over de ingreep deels ontbreekt, is het college van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat klaagster adequaat door verweerder is voorgelicht over de fillerbehandeling Radiesse. Het ondertekenen van het informed-consentformulier is daarom onvoldoende om in dit specifieke geval en gezien de omstandigheden informed consent aan te nemen. Niet kan echter worden vastgesteld dat verweerder bij het maken van het behandelplan en de in dat kader aangeboden prijzen voor de ingreep, anders dan klaagster aanvoert, een onbehoorlijke druk heeft uitgeoefend.
5.6 Klachtonderdeel a is gegrond.
Klachtonderdeel b) niet tijdig reageren op hulpverzoeken
5.7 Klaagster verwijt verweerder dat hij onvoldoende nazorg heeft gegeven, omdat
zij na de tweede controleafspraak in februari 2020 ondanks haar aandringen lange tijd
niets van verweerder hoorde en geen reactie kreeg op haar contactverzoeken toen zij
haar onvrede uitte over de behandeling. Hoewel verweerder erkent dat hij nalatig is
geweest wat betreft het reageren op de verzoeken van klaagster, legt hij de verantwoordelijkheid
ook bij de kliniek. Uit het dossier volgt dat het niet slechts ging om terugbetaling,
maar klaagster ook contact wilde over de behandeling zelf. Daarbij was het de kliniek
die juist steeds naar verweerder zelf doorverwees in het contact met klaagster en
waarvan verweerder ook erkent die terugkoppeling te hebben ontvangen. Verweerder heeft
uiteindelijk weliswaar na enkele maanden (in juli 2020) telefonisch contact gezocht
en klaagster kort gesproken, maar heeft vervolgens ook verzuimd om de gevraagde informatie
binnen een redelijke tijd te verstrekken. Pas een half jaar later, in december 2020,
verstrekte hij deze informatie. Het college constateert daarom dat verweerder, nadat
klaagster had aangegeven geen herstelbehandeling door verweerder te wensen, niet voortvarend
heeft gereageerd op de verdere vragen en berichten die klaagster hem (via de klantenservice
van de kliniek) stelde in het kader van het nazorgproces. Van verweerder had meer
regie mogen worden verwacht, omdat ook het organiseren van passende nazorg van een
uitgevoerde behandeling zijn verantwoordelijkheid is. Bovendien had het in de gegeven
situatie voor de hand gelegen om klaagster veel eerder dan in juli 2020 een persoonlijk
gesprek aan te bieden. Hiermee heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
5.8 Ook klachtonderdeel b is gegrond.
Klachtonderdeel c) onzorgvuldige uitvoering behandeling
5.9 Klaagster verwijt verweerder dat hij de fillerbehandeling onzorgvuldig heeft
uitgevoerd, omdat zij nadien forse zwellingen heeft gekregen. Volgens klaagster heeft
zij verkeerde of teveel filler toegediend gekregen en is er onvoldoende diep geïnjecteerd,
wat nog steeds terug is te zien door de verdikkingen in haar gezicht. Verweerder betwist
dat hij een verkeerde behandeling heeft uitgevoerd. Op basis van de verklaring ter
zitting over de technische uitvoering van de behandeling door verweerder heeft het
college geen aanknopingspunt dat verweerder de ingreep onzorgvuldig heeft uitgevoerd.
Ook biedt het dossier naar het oordeel van het college geen aanknopingspunt voor het
oordeel dat de behandeling door verweerder onjuist of onzorgvuldig is geweest of dat
teveel filler zou zijn gebruikt. De wijze waarop verweerder de ingreep heeft uitgevoerd
valt, voor zover het college kan beoordelen, binnen de bandbreedte van de door de
beroepsgroep aanvaarde standaard ten tijde van de behandeling in 2020. Klaagster heeft
nog gewezen op een brief van cosmetisch arts F van 3 november 2022. Het college is
van oordeel dat die brief de stelling van klaagster dat de arts de behandeling onzorgvuldig
heeft uitgevoerd onvoldoende ondersteunt. Daarin is alleen vermeld dat de verdikking
rondom de ogen het gevolg kan (cursivering tuchtcollege) zijn van een grote hoeveelheid Radiesse, waardoor de natuurlijke
vochtafvoer wordt verstoord. Maar daaruit blijkt niet dat de hoeveelheid filler daadwerkelijk
niet lege artis (dus niet volgens de professionele standaard) is toegediend. Niet
uitgesloten kan worden dat sprake is van een (niet verwijtbare) complicatie als gevolg
van de behandeling, maar daarvoor is nader onderzoek en analyse vereist. De tuchtprocedure
is niet bedoeld om diepgaand medisch onderzoek te doen naar de oorzaak van zulke complicaties.
Het college kan dan ook niet vaststellen dat de door klaagster genoemde klachten of
complicatie het gevolg zijn van een fout of onjuist medisch handelen door verweerder.
5.10 Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel d) misleidende informatie op website
5.11 Klaagster verwijt verweerder dat hij toekomstige patiënten misleidt door
onjuiste en/of onvolledige informatie op de website van zijn eigen kliniek. Verweerder
heeft naar voren gebracht dat hij die informatie zelf op de website heeft geplaatst
en daar nog steeds achter staat. Het college is van oordeel het verwijt van klaagster
niet kan slagen. De informatie op de website van verweerder is weliswaar kort en bondig,
maar niet misleidend zodat dit geen (gegrond) tuchtrechtelijk verwijt oplevert.
5.12 Klachtonderdeel d is ook ongegrond.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a) en b) gegrond
zijn en de andere klachtonderdelen ongegrond.
Maatregel
5.14 Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, staat het college voor de vraag of
een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke maatregel passend is. Verweerder
is tekortgeschoten in zijn zorgverlening door onvoldoende voorlichting te geven over
de behandeling en niet tijdig te reageren op de hulpverzoeken van klaagster na de
behandeling. Hoewel dat in beginsel een berisping zou rechtvaardigen, ziet het college
in de gegeven omstandigheden aanleiding om te volstaan met de oplegging van een waarschuwing.
Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Sinds 2020 is klaagster
verschillende (klacht)procedures tegen verweerder gestart. Deze procedures, het lange
tijdsverloop en de door klaagster per e-mail geuite boodschap op 12 januari 2023 die
door verweerder als zeer bedreigend zijn ervaren, hebben de nodige impact op verweerder
en zijn omgeving (gehad). Verder overweegt het college dat verweerder op zijn handelen
heeft gereflecteerd, zijn excuses heeft aangeboden en zich toetsbaar heeft opgesteld
tijdens de procedure. Ook heeft hij zijn verantwoordelijkheid genomen in de procedure
bij de geschillencommissie en aan klaagster de vastgestelde schadevergoeding betaald.
Alles afwegende is het college van oordeel dat een waarschuwing in dit geval daarom
passend en toereikend is.
Publicatie
5.15 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen
leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdelen a en b gegrond;
- verklaart klachtonderdelen c en d ongegrond;
- legt de arts de maatregel op van een waarschuwing;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, J.R. Hurenkamp, lid-jurist, S.M. Schmidt-Rikama, R.J. Borgonjen en N.A.S. Posch, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.