ECLI:NL:TGZRZWO:2025:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8000
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:136 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8000 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht gegrond; berisping. Klager verwijt de arts dat een CBR-keuring niet correct is uitgevoerd en hem geen inzage-, correctie- en blokkeringsrecht is aangeboden. Het college is van oordeel dat het onderzoek op een onderdeel niet aannemelijk is geworden dat urineonderzoek heeft plaatsgevonden en het blokkeringsrecht niet correct is uitgevoerd. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 27 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
arts,
werkzaam inD,
verweerder.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de arts dat een CBR-keuring niet correct is uitgevoerd en hem
geen inzage-, correctie- en blokkeringsrecht is aangeboden.
1.2 De arts heeft aangevoerd dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en hij
in de haast is vergeten klager te wijzen op het inzage-, correctie- en blokkeringsrecht.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 januari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 februari 2025;
- het proces-verbaal van het op 22 april 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 7 oktober 2025. De partijen zijn verschenen. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 Klager, geboren in 1940, is op 10 maart 2023 bij verweerder geweest in het
kader van een rijgeschiktheidskeuring. Op diezelfde dag is door verweerder een keuringsrapport
75+ opgestuurd naar het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
3.2 Uit de door de arts overgelegde stukken bij het verweerschrift blijkt dat
het keuringsrapport de navolgende tekst bevat:
“Is er sprake van een oogheelkundige aandoening of behandeling door de oogarts nu of
in het verleden? Ja
Om welke oogheelkundige aandoening(en) gaat het?
* Glaucoom OD
* Glaucoom OS
* Overige oogheelkundige aandoeningen
Toelichting
De heer heeft in het verleden verhoogde oogdruk, gebruikte oogdruppels
hiervoor.
Nu geen medicatie meer omdat de oogdruk genormaliseerd is.
Wat is de systolische bloeddruk (1e meting) (mmHg) 140
Wat is de diastolische bloeddruk (1e meting) (mmHg) 82
Is er sprake van glucosurie?nee
3.3 (…)
Psychiatrische toestand – O 8
Psychiatrische toestand – P 7
Psychiatrische toestand – S 8
Hoe is de psychische toestand? Goed
Geef de aard en ernst van de aandoening of functiebeperking aan
Bij het visus onderzoek kost het hem heel veel tijd om te noemen waar
de opening
van de ring is. Hij zal vanmiddag naar de oogarts gaan op verzoek van
het CBR. Hij
kan mij niet aangeven waarom hij naar de oogarts moet. Een rijtest is
aangeraden
wegens reactiesnelheid en borden op afstand lezen.
Heeft u aanvullende informatie?
Nee.”
3.4 De arts heeft de OPS observatiemethode als volgt ingevuld.
Oriëntatie & geheugen
1. Komt de kandidaat vergeetachtig over?
2 (twijfel)
2. Maakt de kandidaat een verwarde indruk?
3 (nee)
3. Heeft de kandidaat een gestoorde oriëntatie in tijd en of plaats?
3 (nee)
Praktische vaardigheden & aandacht
4. Komt de kandidaat traag over?
1 (ja)
5. Heeft de kandidaat moeite met het uitvoeren van dagelijkse praktische handelingen
3 (nee)
6. Verwaarloost de kandidaat zijn/ haar uiterlijk?
3 (nee)
Sociaal & persoonlijk functioneren
7. Is de kandidaat snel afgeleid?
3 (nee)
8. Gedraagt de kandidaat zich inadequaat in het persoonlijk contact?
3 (nee)
9. Wijkt de zelfinschatting van de kandidaat af van uw eigen inschatting?
2 (twijfel)
De OPS score: O 8 P 7 S 8.
3.5 Na afloop van de keuring heeft verweerder klager gevraagd de ruimte te verlaten.
Hij heeft toen een gesprek gehad met de dochter van klager, waarin hij haar heeft
medegedeeld dat er aanwijzingen waren dat sprake zou zijn van beginnende dementie
en haar geadviseerd dit vooralsnog niet met klager te bespreken. Ook heeft hij haar
gemeld dat een rijtest door hem aangeraden werd.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat hij
- een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd op 10 maart 2023, door geen urinetest af te nemen, geen bloeddruk te meten en dat er slechte verlichting was tijdens het visusonderzoek;
- een onjuist rapport heeft opgesteld met het keuringsrapport van 10 maart 2023;
- na afloop van de keuring niet met klager over de uitslag heeft gesproken, maar met zijn dochter;
- klager (ten onrechte) niet heeft gewezen op het blokkeringsrecht.
4.2 De arts heeft aangevoerd dat het onderzoek correct is uitgevoerd en hij achter zijn conclusie staat. Er is wel een bloeddrukmeting geweest en de urine is met een stick gecontroleerd. Verweerder erkent dat hij alleen met de dochter heeft gesproken en daarbij gesproken heeft over zijn zorgen over mogelijk beginnende dementie en de uitslag van de keuring aan haar heeft gemeld. Verweerder erkent ook dat hij vergeten is klager te wijzen op het correctie- en blokkeringsrecht.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is
niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) onjuiste uitvoering van het onderzoek op 10 maart 2023
5.2 Klager heeft gesteld dat verweerder tijdens de keuring zijn bloeddruk niet
heeft gemeten. Verweerder heeft in zijn keuringsverslag de gemeten bloeddruk specifiek
vermeld (82/140). Het college gaat uit van de genoteerde gegevens tenzij er ernstige
twijfel is. Dat is hier niet het geval. Het is niet aannemelijk geworden dat de bloeddruk
tijdens de keuring niet is gemeten.
Ten aanzien van het onderzoek van de urine heeft klager aangegeven dat het potje
is gevallen bij het uitstappen uit de auto. Zijn dochter heeft dit als getuige ter
zitting bevestigd. Klager en zijn dochter hebben beide ook verklaard dat zij gevraagd
hebben of klager alsnog urine moest brengen en verweerder heeft aangegeven dat dit
niet nodig was. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij het zich niet goed kan
herinneren. Hij doet tijdens keuringen altijd onderzoek van de urine. Het college
is van oordeel dat de stelling dat verweerder het onderzoek altijd doet onvoldoende
weerlegging is van de consistente verklaringen van klager en zijn dochter dat er bij
het onderzoek van klager geen urine is onderzocht. Het college acht het aannemelijk
dat geen urineonderzoek heeft plaatsgevonden.
Met betrekking tot de stelling dat er slechte verlichting was tijdens het visusonderzoek,
verwijst het college naar de NHG-standaard Visusklachten (Standaard van het Nederlands
Huisartsen Genootschap), waarin staat dat de verlichting in de onderzoeksruimte gedempt
moet zijn (niet donker). Dit klachtonderdeel is, omdat aannemelijk is geworden dat
geen urineonderzoek heeft plaatsgevonden, gegrond.
Klachtonderdeel b) onjuiste rapportage.
5.3 Het college heeft hiervoor overwogen dat het niet aannemelijk is dat een onderzoek van de urine heeft plaatsgevonden. Dit maakt naar het oordeel van het college nog niet dat het onderzoek helemaal niet goed is geweest.
Wel constateert het college dat verweerder in zijn verslag heeft opgenomen: “Een rijtest is aangeraden wegens reactiesnelheid en borden op afstand lezen.”
Een keurend arts geeft in het keurinsgverslag bij de rijbewijskeuring 75+ feitelijke medische informatie en geen advies (bron: cbr.nl, Keuren voor het CBR, Keurend arts). Er wordt geen oordeel gevraagd van de keurend arts over de rijgeschiktheid van aanvrager (bron: cbr.nl, Handreiking voor artsen bij rijbewijskeuringen 75+ en CDE). Het oordeel over de rijgeschiktheid is voorbehouden aan de artsen van het CBR.
Verweerder is door het geven van een advies dat een rijtest aangewezen was, getreden
buiten de opdracht van het CBR om een keuringsverslag op te maken. Het klachtonderdeel
dat een onjuiste rapportage is opgemaakt is daarmee gegrond.
Klachtonderdeel c) onderzoek niet met klager besproken, maar met dochter
5.4 Na afloop van het onderzoek heeft verweerder klager naar een andere ruimte gezonden en met de dochter van klager zijn bevindingen besproken. Verweerder erkent dit en heeft daarbij aangegeven dit met de beste bedoelingen te hebben gedaan. Naar het oordeel van het college had verweerder zijn bevindingen met klager moeten bespreken. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel d) niet gewezen op het blokkeringsrecht
5.5 Verweerder heeft erkend dat hij klager niet heeft gewezen op het blokkeringsrecht. Keuringsverslagen worden door keuringsartsen digitaal verzonden via ZorgDomein. Op cbr.nl wordt voor keuringsartsen verwezen naar ZorgDomein, waar een pagina is opgenomen met de aanhef “Hoe verstuur je een CBR keuring?” In deze instructie is opgenomen dat de keuringsarts na het keuringsformulier te hebben ingevuld, moet klikken op Doorgaan en aan moet geven of de patiënt akkoord is met het delen van de antwoorden met het CBR. Als de patiënt geen toestemming geeft, dan ontvangt het CBR alleen bericht dat de keuring is uitgevoerd en wanneer. De antwoorden worden in dat geval niet verstuurd.
Het college stelt vast dat verweerder klager niet heeft gewezen op het blokkeringsrecht en hem daarmee de mogelijkheid van het tegenhouden van het keuringsverslag heeft ontnomen. Dit klemt te meer nu verweerder in dit geval in strijd met de opdracht van het CBR in het keurinsgverslag niet heeft volstaan met het verstrekken van feitelijke medische gegevens, maar ook een advies heeft gegeven. Dit klachtonderdeel is gegrond.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is.
Maatregel
5.7 Ten aanzien van het opleggen van een maatregel overweegt het college dat verweerder bij de keuring van klager tuchtrechtelijk verwijtbaar onjuist heeft gehandeld. Het onderzoek is niet volledig geweest en het keuringsverslag is niet alleen een feitelijke weergave van zijn bevindingen, maar bevat ook een advies. Ook heeft verweerder zijn bevindingen niet met klager besproken, maar met zijn dochter, waarbij hij naast zijn advies om een rijtest aan te raden haar ook heeft gemeld dat wellicht sprake zou zijn van (beginnende) dementie. Tenslotte heeft hij klager niet de mogelijkheid geboden om toezending van het keuringsverslag aan het CBR te blokkeren.
Het college zal verweerder de maatregel van berisping opleggen omdat zij van oordeel is dat verweerder op meerdere onderdelen tekort is geschoten.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op.
Deze beslissing is gegeven door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,
H.B.C. van der Meer, lid-jurist, M. Prenger, G. Koster en M.L.A. Kleinjan-Lüschen,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en in het
openbaar uitgesproken op 27 oktober 2025.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.