ECLI:NL:TGZRZWO:2025:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8106
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:135 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8106 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | (kennelijk) ongegrond klacht tegen een verzekeringsarts. Klager heeft verzocht een beslissing over de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering te herzien. Verweerster heeft hierover rapportages uitgebracht, waarin zij telkens concludeerde dat de ingebrachte informatie geen aanleiding was voor herziening van de eerdere beslissing. Klager verwijt verweerster dat zij nieuwe informatie ten onrechte naast zicht neer heeft gelegd en dat zij aangaf haar collega’s niet in diskrediet te willen brengen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 28 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
E, verzekeringsarts,
verweerster, hierna ook: de verzekeringsarts,
destijds werkzaam in N,
gemachtigde: mr. A.B. Schippers-Juergens, te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager lijdt aan scoliose. Klager heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
(UWV) verzocht een beslissing van 20 oktober 2016 over de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering
per 24 oktober 2016 te herzien. Verweerster heeft naar aanleiding van dit verzoek
en de in aanvulling daarop ontvangen informatie, verschillende rapportages uitgebracht.
Hierin heeft zij telkens geconcludeerd dat de ingebrachte informatie geen aanleiding
gaf tot een herziening van de beslissing van
20 oktober 2016. Klager verwijt verweerster – kort gezegd – dat zij nieuwe informatie
ten onrechte naast zich neer heeft gelegd en bleef vertrouwen op onjuiste informatie
vanuit F. Ook verwijt klager verweerster dat zij aangaf dat zij haar collega’s niet
in diskrediet wilde brengen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 januari 2025;
- de brief van de secretaris aan klager van 28 februari 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 april 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
2.4 Naast deze klacht heeft klager nog klachten ingediend tegen twee andere artsen.
Deze klachten zijn geregistreerd onder zaaknummers Z2025/8103 en Z2025/8104. In alle
zaken wordt gelijktijdig uitspraak gedaan.
3. De feiten
De scoliose
3.1 Bij klager, geboren in 1979, is sprake van een uitgebreide lumbale en thoracale scoliose. Hij werd hiervoor (conservatief) behandeld in F. In het kader van een second opinion werd klager in januari 2017 gezien in G. Daar bleek dat de Cobbse hoeken in de verslaglegging van F onjuist waren weergegeven. Kort gezegd was de afwijking groter dan waar F vanuit ging. In een brief van 15 mei 2017 berichtte de behandelend chirurg van G aan de huisarts van klager dat deze zou worden opgeroepen voor een operatie. Hiervoor was een indicatie aanwezig vanwege de forse Cobbse hoek, waarbij ook verdere progressie werd verwacht. Twee operatieve ingrepen ter correctie en vastzetting van de rug vonden plaats in het najaar van 2018.
De beoordelingen in het kader van de Ziektewet
3.2 Op 10 januari 2014 meldde klager zich ziek vanuit zijn werk als leerling-verpleegkundige
voor 24 uur per week. Het tijdelijk dienstverband werd niet verlengd. Op
19 december 2014 werd klager in het kader van de zogenaamde eerstejaars ziektewet
beoordeling gezien door een verzekeringsarts. In de rapportage van 19 december 2014
beschreef deze verzekeringsarts dat sprake was van een aanzienlijke structurele scoliose
en dat klager met deze afwijkingen blijvend was aangewezen op rugsparende arbeid.
Klager werd ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn arbeid als leerling-verpleegkundige.
De verzekeringsarts stelde een lijst op van de benutbare mogelijkheden van klager
(ook wel Functionele Mogelijkheden Lijst, hierna: FML). In de FML werden beperkingen
vastgelegd voor onder meer buigen, tillen, lopen, zitten en staan. Ook werd aangegeven
dat klager aangewezen was op werk waarbij statische houdingen afgewisseld dienden
te worden met vertreden. Na arbeidsdeskundig onderzoek werd geconcludeerd dat klager
op basis van de FML in staat was diverse functies te verrichten. De ziektewetuitkering
van klager werd met ingang van 10 februari 2015 beëindigd.
3.3 Klager meldde zich op 8 maart 2016 opnieuw ziek. Na beoordeling door een verzekeringsarts werd klager per 25 juli 2016 belastbaar geacht voor het uitoefenen van de bij de eerdere beoordeling geduide functies. Na een door klager tegen deze beslissing gemaakt bezwaar, bracht een andere verzekeringsarts (hierna: de bezwaarverzekeringsarts) op 10 november 2016 een rapport uit. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde in dit rapport dat de primaire verzekeringsarts de beoordeling voldoende had onderbouwd en dat er geen nieuwe medische feiten waren aangevoerd die leidden tot een ander oordeel. Zij achtte klager geschikt ten minste één van de eerder geduide functies (telefonist, receptionist) te verrichten. Het bezwaar werd bij besluit van 11 november 2016 ongegrond verklaard.
3.4 Op 19 september 2016 volgde een nieuwe ziekmelding door klager. Na het opvragen
en ontvangen van medische informatie werd de Ziektewetuitkering vanaf 24 oktober 2016
beëindigd. Na een bezwaar van klager tegen dit besluit werd hij op 10 januari 2017
gezien door de bezwaarverzekeringsarts. Ten tijde van dit spreekuurcontact was bekend
dat klager voor een second opinion was verwezen naar G. Een datum waarop deze second
opinion zou plaatsvinden was nog niet bekend. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde
in haar rapportage van 12 januari 2017 dat er geen nieuwe medische feiten naar voren
waren gebracht die een ander beeld van de beperkingen gaven. Klager werd geschikt
geacht voor tenminste de functie van telefonist, receptionist. Het bezwaar van klager
werd hierna bij besluit van 8 november 2016 ongegrond verklaard. Naar aanleiding van
het door klager hiertegen ingestelde beroep bracht de bezwaarverzekeringsarts op 21
maart 2017 een rapportage in beroep uit. Hierin ging zij nader in op nieuwe medische
informatie, onder meer van G. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat uit de ontvangen
medische informatie van G geen nieuwe medische feiten bleken die van invloed waren
op de belastbaarheid van klager. Het door klager ingestelde beroep werd bij uitspraak
van de Rechtbank I van
12 mei 2017 ongegrond verklaard.
3.5 Bij brief van 16 mei 2017 aan het UWV verzocht klager om herziening van alle beslissingen die door het UWV waren genomen na 10 januari 2014. Klager baseerde dit verzoek op nieuwe informatie naar aanleiding van de second opinion in G. Het verzoek om herziening werd na beoordeling door een verzekeringsarts op 9 juni 2017 afgewezen bij besluit van diezelfde datum. Klager maakte tegen deze beslissing bezwaar. Na rapportage van verweerster van 17 oktober 2017 werd het bezwaar ongegrond verklaard. Het door klager tegen dit besluit ingestelde beroep werd door de Rechtbank I op 10 juni 2021 ongegrond verklaard. Klager stelde hoger beroep in, maar trok dit later in.
Betrokkenheid verweerster
3.6 In februari 2023 en april 2024 werd door L, orthopedisch chirurg, in het
kader van een civiele procedure gerapporteerd. Onder verwijzing naar deze rapportage
verzocht klager op 6 augustus 2024 het UWV de eerder genomen beslissing tot beëindiging
van de Ziektewetuitkering per 24 oktober 2016 te herzien. Verweerster heeft op
4 december 2024 een eerste rapportage uitgebracht over dit verzoek. Daarin concludeerde
zij dat de ingebrachte informatie geen aanleiding gaf tot een herziening van de beslissing
van 20 oktober 2016 dat klager per 24 oktober 2016 geschikt was voor ten minste één
van de eerder geduide functies. Het herzieningsverzoek van klager werd bij beslissing
van
16 december 2024 afgewezen.
3.7 Verweerster bracht op 6 januari 2025 een aanvullende rapportage uit. Dit naar aanleiding van door klager nog overgelegde informatie (rapportages van M, (orthopedisch chirurg wervelkolom), beeldvormend materiaal van voor en na de operatieve ingreep en informatie van de vereniging van scoliosepatiënten over de behandeling van scoliose door F). Verweerster concludeerde dat uit de aanvullende medische informatie geen nieuwe feiten naar voren kwamen en dat de informatie geen aanleiding gaf de conclusie van het rapport van 4 december 2024 te wijzigen.
3.8 In een e-mail van 11 januari 2025 aan een cliëntondersteuner van het UWV stelde klager voor dat UWV vragen zou stellen aan een onafhankelijke orthopedische wervelkolomspecialist. Bij deze e-mail voegde klager beeldvormend materiaal met verslaglegging. Verweerster sprak klager telefonisch op 14 januari 2025, waarbij klager zijn standpunt nogmaals uiteenzette. Bij e-mail van 15 januari 2025 herhaalde klager zijn verzoek vragen te stellen en legde hij opnieuw medische stukken over. Verweerster sprak klager nogmaals telefonisch op 21 januari 2025. In een tweede aanvullende rapportage van 22 januari 2025 concludeerde verweerster dat er geen aanleiding was de conclusie als gesteld in het rapport van 4 december 2024 te wijzigen en dat zij af zag van het opnieuw opvragen van informatie.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klager verwijt verweerster:
- dat zij een deskundig rapport van L, waarin wederom werd gewezen op de complexe aard van de situatie van klager en de invloed op zijn kwaliteit van leven, naast zich neer heeft gelegd;
- dat zij röntgenfoto’s heeft beoordeeld waarop duidelijk te zien was dat de wervels van klager waren verschoven en die een ernstige standsafwijking vertoonden;
- dat zij bleef vertrouwen op foutieve informatie uit F, ondanks meerdere medische rapporten die de onjuistheid van deze informatie aantonen;
- het resultaat na de operatie toont aan dat de rug van klager van L5 tot Th4 is vastgezet wat een langdurig en zwaar revalidatietraject vergde;
- dat zij ondanks deze feiten telefonisch aangaf dat zij haar collega’s niet in diskrediet wilde brengen, ondanks de ingebrachte medische informatie.
Klager meent dat sprake is van een structurele onderschatting van zijn klachten door
UWV-artsen en dat zij een medische beoordeling hebben gegeven die afwijkt van de feiten
zoals vastgesteld door orthopedische en neurologische specialisten.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor een verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Daarnaast zijn er eisen die aan een rapportage worden gesteld:
-
- het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
- het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
- in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
- het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
- de rapporteur blijft bij het rapporteren binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door verweerster uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportages wordt beoordeeld of verweerster in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
5.4 Na het verzoek om herziening is door verweerster driemaal gerapporteerd, op 4 december 2024, 6 januari 2025 en 22 januari 2025.
5.5 Het college zal de klachtonderdelen a) tot en met e) hieronder bespreken.
Klachtonderdeel a), b) en c) rapportage L, beeldvormend materiaal, informatie F
5.6 Het college begrijpt de klachtonderdelen a), b) en c) zo dat klager verweerster verwijt dat zij onvoldoende betekenis heeft gegeven aan de rapportage van L en het aanwezige beeldvormend materiaal en in plaats daarvan is blijven uitgaan van onjuiste informatie van F.
5.7 Bij de beoordeling of er (medische) gronden waren om terug te komen op het eerder genomen besluit de Ziektewetuitkering van klager per 24 oktober 2016 te beëindigen heeft verweerster voor haar rapportage van 4 december 2024 de door de collega-verzekeringsartsen gedane beoordelingen en de standpunten van klager bestudeerd, samengevat en meegewogen. Ook de nieuw ingebrachte medische informatie (de rapportage van L) is door verweerster bestudeerd, samengevat en meegewogen. Verweerster heeft in haar rapportage van 4 december 2024 vervolgens – samengevat – geconcludeerd:
-
- dat voor de betrokken verzekeringsartsen steeds duidelijk is geweest dat er sprake was van een forse thoracolumbale scoliose en slijtage c.q. degeneratieve afwijkingen en dat in verband daarmee beperkingen zijn aangenomen voor rugbelastend werk;
- dat ten tijde van de beslissing van 20 oktober 2016 nog niet duidelijk was dat de Cobbse hoeken door het F te laag waren ingeschat en dat er progressie van de scoliose was waardoor uiteindelijk een operatie-indicatie bestond;
- dat deze informatie wel is meegewogen in het vervolg van de procedure(s) over de belastbaarheid per 24 oktober 2016;
- dat de bevindingen van L, namelijk dat sprake was van een te lage inschatting van de hoeken, niet onderkende progressie en de uiteindelijke operatie-indicatie, een bevestiging zijn van al eerder ingebrachte en meegewogen informatie;
- dat uit de aangeleverde informatie (dus) geen wezenlijk nieuwe feiten of omstandigheden
naar voren komen en er geen aanleiding is de beslissing van
20 oktober 2016 te herzien.In de rapportage van 4 januari 2025 is verweerster nog kort ingegaan op door klager aanvullend ingebrachte informatie. Zij beschrijft daarin de inhoud van de ontvangen informatie en concludeert dat hieruit geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren komen ten opzichte van alle reeds meegewogen gegevens.
5.8 In de rapportage van 4 januari 2025 is verweerster nog kort ingegaan op door klager aanvullend ingebrachte informatie. Zij beschrijft daarin de inhoud van de ontvangen informatie en concludeert dat hieruit geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren komen ten opzichte van alle reeds meegewogen gegevens.
5.9 In haar rapportage van 22 januari 2025 zet verweerster (nog eens) uitgebreid
uiteen dat altijd is onderkend dat sprake was van een forse, ernstige thoracolumbale
scoliose. Zij beschrijft daarin (nogmaals)
dat het klopt dat bij de beoordeling per 24 oktober 2016 onjuiste informatie bekend
was over de grootte van de hoeken en progressie, maar dat de juiste informatie wel
is meegenomen in het vervolg van die procedure. Verweerster beschrijft voorts dat
de omstandigheid dat er sprake was van een ernstige scoliose met progressie en enige
degeneratieve afwijkingen duidelijk is en niet ter discussie staat. Vervolgens zet
verweerster uiteen waarom klager in staat moet worden geacht op 24 oktober 2016 in
ieder geval een aantal van de eerder geduide (rugsparende) functies te verrichten.
5.10 Het college overweegt dat de conclusie van verweerster dat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten en omstandigheden die aanleiding waren terug te komen op de eerdere beslissing van 20 oktober 2016 niet onzorgvuldig was. Verweerster heeft in haar rapportages duidelijk overwogen dat de grootte van de Cobbse hoeken door het F onjuist was ingeschat, evenals de progressie. Van het blijven vertrouwen op onjuiste informatie van F is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel c) is dus ongegrond.
5.11 Verweerster heeft vervolgens consistent uiteengezet dat de omstandigheid dat inmiddels gebleken is dat de Cobbse hoeken groter waren, er progressie was en een operatie-indicatie, niet betekent dat achteraf moet worden geconcludeerd dat klager op 24 oktober 2016 niet in staat was eerder geduide (rugsparende) functies te verrichten. Daarbij heeft zij er terecht op gewezen dat in de eerdere beoordelingen al werd uitgegaan van een forse scoliose. In verband daarmee is er ook altijd van uitgegaan dat klager aangewezen was op rugsparende functies. De eerder aangenomen beperkingen zijn daarmee in overeenstemming. Verweerster heeft in haar rapportages op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet dat de door klager ingebrachte informatie, waaronder de onder a) genoemde rapportage van L en het onder b) genoemde beeldvormend materiaal, een bevestiging was van wat al bekend was, namelijk dat sprake was van een forse scoliose en dat klager in verband daarmee aangewezen was op rugsparend werk. Zij heeft voorts in haar laatste rapportage uitgebreid, consistent en inzichtelijk overwogen waarom met een aantal van de eerder geduide functies voldoende tegemoet wordt gekomen aan de beperkingen van klager. Het college is van oordeel dat verweerster in redelijkheid tot deze conclusie heeft kunnen komen. Van het onterecht naast zich neerleggen van een relevante deskundigenrapportage (klachtonderdeel a) of beeldvormend materiaal (klachtonderdeel b) is dan ook geen sprake. Dat betekent dat ook klachtonderdelen a) en b) ongegrond zijn.
Klachtonderdeel d) het resultaat na de operatie
5.12 De omstandigheid dat de rug van klager van L5 tot Th4 is vastgezet en daarmee een lang revalidatietraject noodzakelijk was, heeft geen betekenis voor de geschiktheid van klager voor functies in oktober 2016. Bij de beoordeling welke beperkingen iemand had op een bepaalde datum moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke beperkingen van dat moment. De omstandigheid dat een operatie zou volgen en dat na deze operatie de situatie en beperkingen – al dan niet tijdelijk – anders zouden zijn, was dus niet relevant voor de beoordeling door verweerster. Dat betekent dat klachtonderdeel d) alleen al hierom niet slaagt.
Klachtonderdeel e) Het telefonisch aangeven collega’s niet in diskrediet te willen brengen
5.13 Klager stelt dat verweerster tijdens het telefoongesprek van 14 januari 2025 heeft aangegeven dat zij twijfelde aan de juistheid van de beoordelingen van haar collega’s, maar dat zij deze desondanks niet wenste te herzien omdat de procedure correct was gevolgd en zij haar collega’s niet wilde afvallen. Verweerster bestrijdt deze lezing van klager. Zij stelt dat voor zover zij zich kan herinneren klager zelf opmerkte dat verweerster haar collega’s niet wilde afvallen en dat hij nadacht over het indienen van een tuchtklacht tegen alle betrokken UWV-artsen. Zij voelde zich overrompeld en heeft geen concreet antwoord gegeven.
5.14 Het college overweegt dat in gevallen waarin de lezingen van partijen over de feiten bij een klachtonderdeel uiteenlopen en niet goed kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, dat klachtonderdeel in beginsel niet gegrond kan worden verklaard. Dit berust er niet op dat het woord van klager minder geloof verdient dan het woord van verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat bepaalde gedragingen van verweerster haar tuchtrechtelijk kunnen worden verweten, eerst moet worden vastgesteld dat de feitelijke grondslag voor dat oordeel aanwezig is. Dat wil zeggen dat aannemelijk is geworden dat feitelijk sprake is van zodanige gedragingen. Voor dit klachtonderdeel is dat niet vast te stellen. Dat betekent dat ook klachtonderdeel e) niet slaagt.
Slotsom
5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 28 oktober 2025 door M.J.C. Dijkstra, voorzitter,
H.A.M. Veneman en M.L.A. Kleinjan-Lüschen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M. Keukenmeester, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.