ECLI:NL:TGZRZWO:2025:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8105
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:134 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8105 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | (kennelijk) ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Klager heeft verzocht vanaf begin 2014 genomen beslissingen over de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering te herzien. Dit verzoek is afgewezen. Verweerder heeft rapportages uitgebracht in het kader van een door klager ingesteld beroep tegen de afwijzing van zijn herzieningsverzoek. Klager verwijt verweerder dat hij heeft nagelaten aanvullende informatie op te vragen en onvoldoende rekening heeft gehouden met informatie van behandelaars en deskundigen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 28 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
D, verzekeringsarts,
(destijds) werkzaam in N,
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. I. Veldhuizen, te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager lijdt aan scoliose. Klager heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) verzocht vanaf begin 2014 genomen beslissingen over de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering te herzien. Het UWV heeft dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft rapportages uitgebracht in het kader van een door klager ingesteld beroep tegen de afwijzing van zijn herzieningsverzoek. Klager verwijt verweerder – kort gezegd – dat hij heeft nagelaten aanvullende informatie op te vragen bij G en onvoldoende rekening heeft gehouden met informatie van behandelaars van klager en deskundigen op het gebied van scoliose.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 januari 2025;
- de brief van de secretaris aan klager van 28 februari 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 mei 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
2.4 Naast deze klacht heeft klager nog klachten ingediend tegen twee andere artsen.
Deze klachten zijn geregistreerd onder zaaknummers Z2025/8104 en Z2025/8106. In alle
zaken wordt gelijktijdig uitspraak gedaan.
3. De feiten
De scoliose
3.1 Bij klager, geboren in 1979, is sprake van een uitgebreide lumbale en thoracale scoliose. Hij werd hiervoor (conservatief) behandeld in F. In het kader van een second opinion werd klager in januari 2017 gezien in G. Daar bleek dat de Cobbse hoeken in de verslaglegging van F onjuist waren weergegeven. Kort gezegd was de afwijking groter dan waar F vanuit ging. In een brief van 15 mei 2017 berichtte de behandelend chirurg van G aan de huisarts van klager dat deze zou worden opgeroepen voor een operatie. Hiervoor was een indicatie aanwezig vanwege de forse Cobbse hoek, waarbij ook verdere progressie werd verwacht. Twee operatieve ingrepen ter correctie en vastzetting van de rug vonden plaats in het najaar van 2018.
De beoordelingen in het kader van de Ziektewet
3.2 Op 10 januari 2014 meldde klager zich ziek vanuit zijn werk als leerling-verpleegkundige
voor 24 uur per week. Het tijdelijk dienstverband werd niet verlengd. Op
19 december 2014 werd klager in het kader van de zogenaamde eerstejaars ziektewet
beoordeling gezien door een verzekeringsarts. In de rapportage van 19 december 2014
beschreef deze verzekeringsarts dat sprake was van een aanzienlijke structurele scoliose
en dat klager met deze afwijkingen blijvend was aangewezen op rugsparende arbeid.
Klager werd ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn arbeid als leerling-verpleegkundige.
De verzekeringsarts stelde een lijst op van de benutbare mogelijkheden van klager
(ook wel Functionele Mogelijkheden Lijst, hierna: FML). In de FML werden beperkingen
vastgelegd voor onder meer buigen, tillen, lopen, zitten en staan. Ook werd aangegeven
dat klager aangewezen was op werk waarbij statische houdingen afgewisseld dienden
te worden met vertreden. Na arbeidsdeskundig onderzoek werd geconcludeerd dat klager
op basis van de FML in staat was diverse functies te verrichten. De ziektewetuitkering
van klager werd met ingang van 10 februari 2015 beëindigd.
3.3 Klager meldde zich op 8 maart 2016 opnieuw ziek. Na beoordeling door een verzekeringsarts werd klager per 25 juli 2016 belastbaar geacht voor het uitoefenen van de bij de eerdere beoordeling geduide functies. Na een door klager tegen deze beslissing gemaakt bezwaar, bracht een andere verzekeringsarts (hierna: de bezwaarverzekeringsarts) op 10 november 2016 een rapport uit. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde in dit rapport dat de primaire verzekeringsarts de beoordeling voldoende had onderbouwd en dat er geen nieuwe medische feiten waren aangevoerd die leidden tot een ander oordeel. Zij achtte klager geschikt ten minste één van de eerder geduide functies (telefonist, receptionist) te verrichten. Het bezwaar werd bij besluit van 11 november 2016 ongegrond verklaard.
3.4 Op 19 september 2016 volgde een nieuwe ziekmelding door klager. Na het opvragen
en ontvangen van medische informatie werd de Ziektewetuitkering vanaf 24 oktober 2016
beëindigd. Na een bezwaar van klager tegen dit besluit werd hij op 10 januari 2017
gezien door de bezwaarverzekeringsarts. Ten tijde van dit spreekuurcontact was bekend
dat klager voor een second opinion was verwezen naar G. Een datum waarop deze second
opinion zou plaatsvinden was nog niet bekend. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde
in haar rapportage van 12 januari 2017 dat er geen nieuwe medische feiten naar voren
waren gebracht die een ander beeld van de beperkingen gaven. Klager werd geschikt
geacht voor tenminste de functie van telefonist, receptionist. Het bezwaar van klager
werd hierna bij besluit van 8 november 2016 ongegrond verklaard. Naar aanleiding van
het door klager hiertegen ingestelde beroep bracht de bezwaarverzekeringsarts op 21
maart 2017 een rapportage in beroep uit. Hierin ging zij nader in op nieuwe medische
informatie, onder meer van G. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat uit de ontvangen
medische informatie van G geen nieuwe medische feiten bleken die van invloed waren
op de belastbaarheid van klager. Het door klager ingestelde beroep werd bij uitspraak
van de Rechtbank I van
12 mei 2017 ongegrond verklaard.
3.5 Bij brief van 16 mei 2017 aan het UWV verzocht klager om herziening van alle beslissingen die door het UWV waren genomen na 10 januari 2014. Klager baseerde dit verzoek op nieuwe informatie naar aanleiding van de second opinion in G. Het verzoek om herziening werd na beoordeling door een verzekeringsarts op 9 juni 2017 afgewezen bij besluit van diezelfde datum. Klager maakte tegen deze beslissing bezwaar. Na rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 17 oktober 2017 werd het bezwaar ongegrond verklaard. Klager ging tegen dit besluit in beroep bij de Rechtbank I.
De betrokkenheid van verweerder
3.6 Verweerder heeft gedurende de beroepsprocedure meerdere (korte) rapportages uitgebracht in reactie op door klager ingestuurde informatie en in reactie op een door de door de rechtbank benoemde deskundige op 25 september 2019 uitgebracht rapport. Achtereenvolgens gaat het om de volgende rapporten:
-
- Een rapport van 6 juli 2018, in reactie op een door klager geschreven stuk aan de
rechtbank, een stuk van J (medisch adviseur van klager) van
14 juni 2018 en een brief van de orthopedisch chirurg van G van 15 mei 2018. - Een rapport van 15 augustus 2018, in reactie op een aanvullend stuk van de medisch adviseur van klager van 26 juli 2018.
- Een rapport van 7 december 2018, in reactie op nadere informatie van de orthopedisch chirurg van G van 21 september 2018.
- Een rapport van 8 mei 2019, in reactie op een brief van de orthopedisch chirurg van G aan de medisch adviseur van klager van 1 mei 2019 en een stuk van de medisch adviseur van klager van 1 mei 2019.
- Een rapport van 28 november 2019, in reactie op het door de rechtbank benoemde deskundige uitgebrachte deskundigenrapport van 25 september 2019.
- Een rapport van 22 oktober 2020 in reactie op brieven van de longarts van
1 juli 2020, 23 juli 2020 en 17 augustus 2020 en op de beslissing van 27 januari 2020 van het UWV inhoudende een “toekenning indicatie banenafspraak”. Ook wordt gereageerd op verklaringen van de afdeling radiologie van G en informatie uit een eerder door klager (tegen een andere zorgverlener) ingediende tuchtklacht.
- Een rapport van 6 juli 2018, in reactie op een door klager geschreven stuk aan de
rechtbank, een stuk van J (medisch adviseur van klager) van
3.7 Het beroep van klager werd door de Rechtbank I op 10 juni 2021 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep werd door klager ingetrokken.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij:
- geen nieuwe informatie of verduidelijking heeft gevraagd bij de behandelend specialisten in G;
- bleef uitgaan van onjuiste informatie uit F, ondanks meerdere rapporten van professoren en behandelende artsen die deze informatie weerlegden;
- een lakse houding toonde ten aanzien van de beperking van klager, ondanks de beoordeling van K, specialist in scoliose, die de situatie als “Complex” bestempelde;
- de onderliggende oorzaak van de beperking van klager negeerde, namelijk een standsafwijking en belasting op het spiercorset van klager;
- luchtig deed over de revalidatieperiode voor een onderrugcorrectie, die standaard negen maanden bedraagt, terwijl klager uiteindelijk twee maal negen maanden heeft moeten revalideren.
Klager meent dat sprake is van een structurele onderschatting van zijn klachten door
UWV-artsen en dat zij een medische beoordeling hebben gegeven die afwijkt van de feiten
zoals vastgesteld door orthopedische en neurologische specialisten.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor een verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Daarnaast zijn er eisen die aan een rapportage worden gesteld:
-
- het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
- het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
- in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
- het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
- de rapporteur blijft bij het rapporteren binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door verweerder uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportages wordt beoordeeld of verweerder in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
5.3 Het college stelt vast dat klager zich niet kan vinden in de rapportages en de daarin opgenomen conclusie dat er geen aanleiding is het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Klager meent – kort gezegd – dat uit de informatie van G volgt dat eerder ten onrechte werd uitgegaan van minder grote afwijkingen. Toen bekend werd dat de afwijkingen veel groter waren had de belastbaarheid van klager volgens hem dienovereenkomstig (per data in geding) moeten worden bijgesteld.
5.4 Na het verzoek om herziening is eerst op 9 juni 2017 gerapporteerd door de (primaire) verzekeringsarts. Na bezwaar door klager is op 17 oktober 2017 gerapporteerd door de bezwaarverzekeringsarts. Na het door klager tegen de beslissing de eerdere besluiten niet te herzien ingediende beroep werd door verweerder meerdere keren gerapporteerd. Verweerder heeft in zijn rapportages telkens beoordeeld of nieuw ontvangen informatie aanleiding was voor een wijziging van het (eerder ingenomen) standpunt. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat dat niet het geval is.
5.5 Het college zal de klachtonderdelen a) tot en met e) hieronder achtereenvolgens bespreken.
Klachtonderdeel a) niet opvragen van nieuwe informatie of verduidelijking bij de behandelend
specialisten in G.
5.6 Verweerder heeft telkens nadat in de lopende beroepsprocedure aanvullende gronden en medische stukken of rapportages werden ontvangen beoordeeld of deze stukken aanleiding waren terug te komen op het eerder ingenomen standpunt. Verweerder heeft telkens onderbouwd uiteengezet waarom dat naar zijn oordeel niet het geval was. Voor het opvragen van nieuwe informatie of verduidelijking bij de behandelend artsen van G was geen aanleiding. Aanwijzingen dat bij het opvragen van nadere informatie (buiten de al aanwezige) bij de G nog zaken naar voren zouden komen die aanleiding zouden kunnen zijn voor een ander oordeel over de belastbaarheid van klager over de data in geding, waren er niet. Ook was er geen onduidelijkheid over de situatie van klager in relatie tot zijn belastbaarheid per data in geding (10 februari 2015, 25 juli 2016 en 24 oktober 2016). Daar komt bij dat het gezien de aard van de procedure (een verzoek om herziening van eerdere besluiten) en de stand van de procedure (in beroep) op de weg van klager lag nieuw gebleken feiten naar voren te brengen die zouden moeten leiden tot de herziening van de eerdergenoemde besluiten.
5.7 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat klachtonderdeel a) ongegrond is.
Klachtonderdeel b) ten onrechte uitgaan van informatie van F
5.8 Bij de beoordeling of er (medische) gronden waren om terug te komen op de
eerder genomen besluiten heeft verweerder de door de collega-verzekeringsartsen gedane
beoordelingen en alle beschikbare medische informatie en de standpunten van klager
meegewogen. Verweerder heeft vervolgens inzichtelijk en consistent uiteengezet dat
bij de eerdere medische beoordelingen al werd uitgegaan van een forse lumbale en thoracale
scoliose en dat het voor de belastbaarheid van klager op de data in geding niet van
belang is wat de precieze hoeken en graden van de scoliose zijn. Deze conclusie is
niet onzorgvuldig. De eerder vastgestelde belastbaarheid per 10 februari 2015, 25
juli 2016 en 24 oktober 2016 was niet onverenigbaar met de latere constatering dat
de destijds aanwezige Cobbse hoeken groter waren dan uit de informatie van F naar
voren kwam. De conclusie van verweerder dat er geen aanleiding was voor een ander
standpunt, kwam dus niet voort uit het ten onrechte vasthouden aan (deels) onjuiste
informatie van F en het in twijfel trekken van de latere constateringen door G. De
conclusie kwam voort uit de terechte overweging van verweerder dat bij de beoordeling
van de belastbaarheid al uit was gegaan van een forse scoliose en dat daarbij exacte
grootte van de Cobbse hoeken op zichzelf niet van doorslaggevende betekenis zijn voor
de belastbaarheid. De door klager in de beroepsprocedure
bij Rechtbank I nog ingebrachte medische stukken leiden niet tot het oordeel dat
verweerder niet in redelijkheid tot deze conclusie heeft kunnen komen.
5.9 Dat betekent dat klachtonderdeel b) ongegrond is.
Klachtonderdeel c) een lakse houding innemen ten aanzien van de beperkingen ondanks de complexe situatie
5.10 Verweerder is in al zijn rapportages ingegaan op de standpunten van klager, zijn medisch adviseur en nieuw ingebrachte informatie. Verweerder is daarbij altijd uitgegaan van een uitgesproken scoliose met beperkingen tot gevolg. Deze beperkingen waren volgens verweerder met de FML van 19 december 2014 in voldoende mate geborgd. Klager heeft verder niet onderbouwd waaruit moet worden afgeleid dat verweerder een lakse houding heeft ingenomen ten aanzien van de beperkingen. Nergens uit blijkt dat verweerder de medische situatie van klager op de data in geding niet serieus of anderszins “laks” heeft beoordeeld. Klager verwijst in dit klachtonderdeel nog naar een beoordeling van K. Het college gaat ervan uit dat klager daarmee doelt op het bij zijn klaagschrift overgelegde rapport van 19 augustus 2018. In dit rapport worden vragen beantwoord over en naar aanleiding van de gedane metingen na beeldvorming, het gevoerde medisch beleid en over operatief ingrijpen. In de rapportage wordt beschreven dat besluitvorming over een operatieve behandeling moeilijk is en een afweging is tussen de te verwachten winst in vermindering van rugpijn en verbeterde kwaliteit van leven ten opzichte van de risico’s van een operatie, morbiditeit van de ingreep en de te verwachten secundaire problemen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de beschreven complexiteit betrekking heeft op de afweging al dan niet over te gaan tot een operatie. Deze complexiteit heeft geen betekenis voor de beperkingen die voorafgaand aan de operatie aanwezig waren en leidt dus niet tot het oordeel dat verweerder op basis van deze rapportage tot een andere conclusie had moeten komen.
5.11 Klachtonderdeel c) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel d) Het negeren van de onderliggende oorzaken van de beperkingen van klager
5.12 Uit de stukken blijkt dat de verzekeringsarts die klager eind 2014 beoordeelde in het kader van de Ziektewet, klager in verband met een forse scoliose aangewezen achtte op rugsparende werkzaamheden. De door deze verzekeringsarts aangenomen beperkingen zijn in de latere beoordelingen overgenomen. De klacht dat hierbij de onderliggende oorzaak is genegeerd kan niet slagen. Bij het aannemen van de beperkingen is juist rekening gehouden met de standsafwijking (de forse scoliose) en de gevolgen daarvan.
5.13 Ook klachtonderdeel d) is ongegrond.
Klachtonderdeel e) luchtig doen over de revalidatieperiode
5.14 Klager heeft dit klachtonderdeel niet nader onderbouwd. Ook uit de door verweerder opgestelde rapportages blijkt niet dat verweerder zich op een onzorgvuldige of niet passende wijze heeft uitgelaten over de revalidatieperiode. Dit klachtonderdeel kan alleen al hierom niet slagen.
5.15 Klachtonderdeel e) is ongegrond.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 28 oktober 2025 door M.J.C. Dijkstra, voorzitter,
H.A.M. Veneman en M.L.A. Kleinjan-Lüschen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M. Keukenmeester, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.