ECLI:NL:TGZRZWO:2025:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8221
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:130 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-10-2025 |
| Datum publicatie: | 27-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8221 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen verpleegkundige vanwege grensoverschrijdend gedrag. Klacht gegrond en doorhaling.Het college komt tot de conclusie dat sprake is geweest van een langdurige, waarschijnlijk twee jaren durende zeer intieme relatie met patiënte, waarbij verweerder patiënte heeft bewogen om de relatie te verzwijgen. Het college acht, op basis van de door de getuige afgelegde verklaring welke door de verweerder niet is weersproken, ook voldoende vaststaan dat sprake is geweest van seksueel contact tussen verweerder en patiënte. De betekent dat de klacht gegrond is.De forse overschrijding van de voor verweerder geldende beroepsnorm heeft voor patiënte tot een zeer onveilige situatie geleid. Het college ziet, gelet op het gebrek aan inzicht bij verweerder en daarmee de kans op herhaling en de absentie op de zitting (waardoor verweerder zich ook niet toetsbaar opstelt), aanleiding om verweerders inschrijving in het BIG-register door te halen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 24 oktober 2025 op de klacht van:
A, gevestigd te B,
vertegenwoordigd door C,
klager,
tegen
D,
verpleegkundige,
destijds werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de verpleegkundige,
1. De zaak in het kort
1.1 De klacht betreft een privérelatie die verweerder heeft gehad met een patiënte in een kliniek, die is begonnen op een moment dat de afkoelingsperiode van één jaar na afloop van de behandelrelatie niet was verstreken. Die relatie was volgens de klacht ook seksueel van aard. De betreffende patiënte is daarna nog langdurig bij de kliniek onder behandeling gebleven, waarbij ook de verwerking van de relatie met verweerder werd betrokken.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is legt de maatregel
van een doorhaling op. Hieronder wordt uitgelegd hoe het college tot die beslissing
is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 27 februari 2025;
- het verweerschrift met de bijlage, ontvangen op 27 juni 2025;
- brief van de gemachtigde van klager met bijlagen van 27 augustus 2025;
- e-mailwisseling tussen tuchtcollege en verweerder van 5 september 2025.
-
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 12 september 2025. Klager is verschenen middels zijn gemachtigde. Verweerder was afwezig. Hij had aangekondigd slechts te willen verschijnen als patiënte er ook zou zijn. Daarop heeft klager patiënte opgeroepen als getuige. Verweerder is daarvan op de hoogte gebracht, maar is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
2.4 Op de zitting is patiënte door het college als getuige gehoord.
2.5 De gemachtigde van klager heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerder was vanaf 1 april 2009 in dienst bij klager als verpleegkundige op de High Intensive Care (HIC). Patiënte was van 25 januari 2021 tot en met 24 februari 2021 vrijwillig opgenomen op de HIC vanwege manisch psychotische ontregeling. Verweerder maakte deel uit van het verplegend team HIC 1. Na opname op de HIC is patiënte in behandeling gekomen bij het team bipolaire stoornissen. Daarna is patiënte in 2022 overgeplaatst naar de Poli volwassenen. In september 2024 vertelde patiënte, zoals in het klaagschrift is weergegeven, geanonimiseerd aan haar psychologe dat zij een relatie van ongeveer twee jaar met verweerder heeft gehad. Hierop is een onderzoekscommissie ingesteld. Deze heeft een rapport uitgebracht waarbij gebruik is gemaakt van rapportages en gesprekken met patiënte op 14 oktober 2024 en met verweerder op 21 oktober 2024. De lezingen van patiënte en verweerder over de feiten lopen uiteen. Volgens patiënte zouden zij op voorstel van verweerder aan het einde van opname op de HIC telefoonnummers hebben uitgewisseld. Daarna ontstond er een (seksuele) relatie die twee jaar duurde. Zij zagen elkaar ongeveer twee keer per week, aten samen, keken films en gingen wandelen. Patiënte stelt in het gesprek met de onderzoekscommissie dat zij heel lang haar mond heeft moeten houden en dat dit haar psychische klachten heeft verergerd.
3.2 Verweerder stelt dat er geen sprake was van een seksuele relatie en dat de
vriendschappelijke relatie maar een jaar heeft geduurd, namelijk van begin 2021 tot
begin 2022.
3.3 Op 10 oktober 2024 hebben klager en verweerder een vaststellingsovereenkomst getekend waarin zij overeen zijn gekomen dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever eindigt met ingang van 1 december 2024. Op 26 februari 2025 heeft klager onderhavige klacht ingediend.
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende beroepsnormen door (direct) na het beëindigen van de behandelrelatie een niet professionele en seksuele relatie aan te gaan, dan wel een (intensieve) vriendschappelijke relatie aan te gaan met patiënte. De ernst van de schending van deze professionele grenzen zijn in dit geval nog ernstiger gelet op de psychiatrische stoornis van patiënte. Zij heeft veel psychische schade door de relatie ervaren. Verweerder wordt ook verweten deze relatie te hebben verzwegen voor zijn collega’s en werkgever.
4.2 Verweerder stelt in zijn verweer dat hij zichzelf dat hij naïef is geweest waar het om vriendschappelijk contact ging. Volgens het protocol geldt vriendschappelijk contact als zijnde een intieme relatie. Zo heeft verweerder dat eerder niet opgevat maar inmiddels weet hij beter. Er is dan ook geen kans op herhaling. Na 30 mooie jaren is dit een triest einde van zijn GGZ-carrière. Verweerder werkt inmiddels niet meer in de GGZ. Verweerder zal de uitspraak van het tuchtcollege accepteren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Verweerder is verpleegkundige. De klacht is volgens het college te brengen onder de norm van art. 47, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet BIG: “Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan de tuchtrechtspraak ter zake van
(…)
b. Enig ander dan onder a. bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.
5.2 Naast deze algemene norm wordt acht geslagen op de Nationale Beroepscode Verpleegkundigen en Verzorgenden 2007, de brochure van de inspectie IGJ “Het mag niet, het mag nooit: seksueel overschrijdend gedrag in de gezondheidszorg” en de bij klager geldende documenten te weten:
- het beleidsdocument Ongewenst gedrag;
- de Gedragscode E.
De beoordeling van de klacht
5.3 De klacht betreft het handelen van verweerder als verpleegkundige. Hij zou volgens de klacht een seksuele relatie met een kwetsbare patiënte zijn aangegaan en die voor de werkgever verborgen hebben gehouden. Hij heeft daarbij de patiënte ook onder druk gezet om de relatie te verzwijgen. Hierdoor is de gezondheidstoestand van de patiënte aangetast.
5.4 De klacht is ingediend zonder relevante bijlagen. Uit de klacht blijkt dat er een onderzoek is geweest door een incidentonderzoekscommissie. Er zijn gesprekken gevoerd met patiënte en verweerder. Het rapport noch de gespreksverslagen zijn aan het college overhandigd. Dit maakt een objectieve beoordeling van de klacht moeilijker.
5.5 Verweerder heeft in zijn verweerschrift wel toegegeven dat sprake is geweest van een (intensieve) vriendschappelijke relatie, die vrijwel direct is begonnen na de beëindiging van de opname van patiënte op de HIC, maar hij bestrijdt de tijdsduur die volgens klager twee jaren was. Volgens hem was het slechts één jaar en hij bestrijdt ook dat sprake was van een seksuele relatie.
5.6 Bij brief van 27 augustus 2025 heeft klager een aantal foto’s afkomstig van patiënte met foto-informatie overgelegd (waarop verweerder is te zien met katten), waaruit volgens klager blijkt dat de relatie een periode beslaat die langer is dan het jaar dat door verweerder wordt erkend. Die foto’s zijn op de zitting besproken. Omdat verweerder niet ter zitting is verschenen, zijn de bevindingen van klager onweersproken gebleven.
5.7 Patiënte is door het college als getuige gehoord. Zij heeft in detail over haar relatie met verweerder verklaard. Die relatie was volgens haar vrijwel vanaf het begin seksueel van aard. Verder deed verweerder er moeite voor om de relatie verborgen te houden. Patiënte mocht er met niemand over praten en zij moest haar berichtjes met hem van haar telefoon verwijderen. Ze bezochten daarnaast slechts locaties waarvan verweerder vermoedde dat hij daar geen collega’s zou tegenkomen. Deze verklaring is door verweerder niet weersproken.
5.8 Deze getuige is een patiënte met een uitgebreide psychiatrische geschiedenis. Zelfs als het college behoedzaam omgaat met de door patiënte gegeven verklaring, ligt het eerder wel dan niet voor de hand dat sprake is geweest van een seksuele relatie. Moeilijk is immers te verklaren dat patiënte haar berichtjes met verweerder moest wissen als slechts sprake was van een vriendschappelijke relatie waar verweerder destijds, zo blijkt uit zijn verweerschrift, geen kwaad in zag.
5.9 Bovendien blijkt uit de foto’s die aan het college zijn overhandigd (en waarvan verweerder tijdig een afschrift heeft ontvangen) dat een verifieerbaar onderdeel van zijn verweer onjuist was. De tijdsduur van de relatie was aanmerkelijk langer dan hij heeft toegegeven. Het ligt dan niet voor de hand om de andere onderdelen van het verweer zonder meer voor waar aan te nemen. Verweerder heeft zijn betoog verder ook niet onderbouwd.
5.10 Het college komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat sprake is geweest van een langdurige, waarschijnlijk twee jaren durende zeer intieme relatie met patiënte, waarbij verweerder patiënte heeft bewogen om de relatie te verzwijgen. Het college acht, op basis van de door de getuige (patiënte) afgelegde verklaring welke door de verweerder niet is weersproken, ook voldoende vaststaan dat sprake is geweest van seksueel contact tussen verweerder en patiënte. De betekent dat de klacht gegrond is. Hierbij zij opgemerkt dat de klacht ook (grotendeels) gegrond zou zijn geweest als daarvan geen sprake was; ook de door verweerder toegegeven vorm van contact (waaronder veelvuldig bezoek bij elkaar thuis, het plannen van uitjes en het uitwisselen van privéberichten) zijn grensoverschrijdend.
De op te leggen maatregel
5.1 Het college ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag welke maatregel passend en geboden is. Daarvoor wordt het volgende overwogen.
5.12 Patiënte was een kwetsbare persoon met een psychiatrische voorgeschiedenis. Verweerder heeft direct na de beëindiging van de opname op de HIC privécontact aangeknoopt met patiënte en heeft daarbij de professionele grenzen fors overschreden. Ook de door hem toegegeven relatie was ontoelaatbaar en het college acht het zeer zorgelijk dat hij daar geen kwaad in zag en zelfs een deel van de verantwoordelijkheid bij patiënte legt.
5.13 Op basis van de getuigenverklaring van patiënte, gevoegd bij haar eerdere verklaring tegenover de onderzoekscommissie, die (zo leidt het college af uit het klaagschrift) van eenzelfde strekking is geweest, staat voor het college voldoende vast dat ook sprake is geweest van seksuele handelingen en bovendien dat patiënte door verweerder onder druk werd gezet om de relatie geheim te houden. Daarnaast is een deel van de verklaring van verweerder aantoonbaar onjuist gebleken. Dit alles is uiterst kwalijk.
5.14 De forse overschrijding van de voor verweerder geldende beroepsnorm heeft voor patiënte tot een zeer onveilige situatie geleid. Het college ziet, gelet op het gebrek aan inzicht bij verweerder en daarmee de kans op herhaling en de absentie op de zitting (waardoor verweerder zich ook niet toetsbaar opstelt), aanleiding om verweerders inschrijving in het BIG-register door te halen.
5.15 Op dit moment werkt verweerder niet als verpleegkundige, zo leidt het college af uit de door hem gegeven informatie. Gezien de op te leggen maatregel van doorhaling en overwegend dat in het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg dit vordert, zal het college ook een voorlopige voorziening opleggen, waarbij verweerder met onmiddellijke ingang wordt geschorst.
Publicatie
5.16 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt op de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening met onmiddellijke ingang de bevoegdheid van verweerder om de aan zijn inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen;
- bepaalt dat deze beslissing in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften ‘Tijdschrift voor Gezondheidsrecht’, ‘Gezondheidszorg Jurisprudentie’, ‘Medisch Contact’ en V&VN Magazine.
Deze beslissing is gegeven door J. Sap, voorzitter, Th.A. Wiersma, lid-jurist,
R. Broeren-Woudstra en S. Geul en G.C. van der Weerd, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door K.M. Dijkman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 24
oktober 2025.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.