ECLI:NL:TGZRZWO:2025:126 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7706

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:126
Datum uitspraak: 17-10-2025
Datum publicatie: 20-10-2025
Zaaknummer(s): Z2024/7706
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychotherapeut gedeeltelijk gegrond. De psychotherapeut heeft klaagster, die gedurende een periode van drie jaar bij haar onder behandeling was, tijdens een consult weggestuurd, nadat klaagster hevig emotioneel werd. Klaagster verwijt de psychotherapeut, dat zij haar ten onrechte wegstuurde tijdens dit consult, dat zij onvoldoende (na)zorg heeft verleend en dat zij onwaarheden schreef in de afsluitende brief aan de huisarts. Het college komt tot het oordeel dat de psychotherapeut tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door klaagster zonder waarschuwing vooraf weg te sturen. Ook de nazorg is onvoldoende. Berisping.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 17 oktober 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

psychotherapeut,

werkzaam in D,

verweerster, hierna ook: de psychotherapeut.

1. De zaak in het kort

1.1 Klaagster was gedurende een periode van drie jaar onder behandeling bij de psychotherapeut. Tijdens een consult op 20 februari 2024 stuurde de psychotherapeut klaagster weg, nadat klaagster hevig emotioneel werd. Klaagster verwijt de psychotherapeut, samengevat, dat zij haar ten onrechte wegstuurde tijdens dit consult, dat zij onvoldoende (na)zorg heeft verleend en dat zij onwaarheden schreef in de afsluitende brief aan de huisarts.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en legt de maatregel van een berisping op. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 oktober 2024;
  • de brief van de secretaris van 5 november 2024, met het verzoek de klacht aan te vullen;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 november 2024;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 december 2024;
  • de brief van de secretaris van 23 december 2024, met het verzoek het medisch dossier op te sturen;
  • de brief van verweerster met gespreksaantekeningen, gegevens van de hypnotherapeut en informatie van de intervisiegroep, ontvangen op 3 januari 2025;
  • de brief van verweerster van 10 januari 2025, met het intakeverslag van klaagster;
  • een reactie van klaagster op de aanvullende stukken met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2025.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 5 september 2025. Partijen zijn verschenen. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. De feiten

3.1 Klaagster werd op 3 december 2020 naar de psychotherapeut verwezen in verband met een vermoeden van een DSM-5 stoornis (namelijk somberheid). In zijn verwijsbrief verwees de huisarts naar de verslagen van de consulterend psychiater.

3.2 De intake van klaagster bij de psychotherapeut vond plaats op 7 februari 2021. Op 24 februari 2021 werd het behandelplan vastgesteld. Er werd een gegeneraliseerde angststoornis vastgesteld. Als doel van de behandeling stond in het behandelplan: komen tot ontspanning, greep krijgen op emoties, balans krijgen tussen gevoel en verstand en verwerking en leren omgaan met het verleden.

3.3 In september 2021 stelde de psychotherapeut de diagnose borderline-persoonlijkheidsstoornis. De behandeldoelen bleven hetzelfde en klaagster bezocht de psychotherapeut in de regel iedere twee weken.

3.4 Op 20 februari 2024 bezocht klaagster samen met haar partner de psychotherapeut. In het dossier staat over dit consult (alle citaten letterlijk weergegeven en voor zover van belang):
[Naam klaagster, RTG] huilde en riep hard dat ze het adres van de vrouw moest en zou hebben om haar voor eens en voor altijd te laten weten wat ze van haar vond (schriftelijk). Ondanks dat ik haar liet weten dat ik haar (oude) pijn wel begreep, maar dat een app niet zou gaan helpen tegen die pijn, leek er geen contact meer mogelijk. (…) Geen enkele interventie bracht haar tot bedaren. Het geschreeuw oversteeg de tranen gepaard gaande met verwensingen naar de vrouw en een appèl op mij om te helpen het adres te krijgen. [Naam partner van klaagster, RTG] zei niets.
Voor mij ontstond er een grenzeloze en bedreigende situatie
.”
De psychotherapeut zei uiteindelijk ‘eruit’ tegen klaagster en wees haar naar de deur. Klaagster vertrok vervolgens uit de praktijk. Haar partner zat op dat moment nog in de ruimte.

3.5 Klaagster stuurde die avond een e-mail naar de psychotherapeut, waarin ze schreef:
Ik zit al 3 jaar bij jou. Naar mijn idee heeft het niet veel opgeleverd. Ja, ik heb bepaalde inzichten gekregen en had een luisterend oor. Maar ik geef ook al geruime tijd aan dat het echt niet goed met mij gaat. Het enige dat ik vaak te horen kreeg was dat ik mijn kop erbij moest houden. Dat lukt dus niet!!!!
Deze ochtend ook niet. En dan wordt de persoon die een issue met afwijzing heeft kei hard afgewezen door de eigen psych. Ik ben enorm teleurgesteld. Mijn vertrouwen is compleet weg dus logisch dat de gemaakte afspraken geannuleerd kunnen worden
.”

3.6 De psychotherapeut reageerde de volgende dag (21 februari 2024) per e-mail naar klaagster:
Ik vond het echt naar voor je om te zien hoe moeilijk je het had in het gesprek. Ik kon niet meegaan in jouw oplossing en ben ook echt van mening dat die oplossing voor niemand goed was, omdat het gaat om je dieper zittende pijn en het gevoel voor niemand echt nummer 1 geweest te zijn. Die pijn en boosheid kan niemand meer voor je oplossen. Je kunt het wel verzachten door te blijven werken aan hoe je daar mee om kunt gaan. Ik wil je daar echt graag bij helpen en hoop je dan ook 5 maart om 9 uur weer te zien.”

3.7 Na een nadere e-mailwisseling op 21 en 22 februari 2024 hadden de psychotherapeut en klaagster op 5 maart 2024 weer een gesprek. Hierover noteerde de psychotherapeut:
Gevraagd hoe het met haar was. Meteen boos “wat denk jij”… enz. Gepoogd weer de link te leggen met begrip voor haar pijn, maar ook begrenzing en leerervaring. Wel uitgelegd dat ik het betreur dat het zo gelopen is, maar dat ik geen andere weg zag, temeer omdat ik het ook bedreigend heb gevonden. Zij “je bent nog te beroerd om sorry te zeggen na deze grote fout” met een “je ziet mij nooit weer” verliet ze boos en met de deuren slaand het vertrek.”

3.8 Via de huisarts maakte klaagster vervolgens een afspraak met een psychiater. Op verzoek van klaagster stuurde de psychotherapeut op 16 mei 2024 haar eindverslag naar de huisarts. In dit eindverslag stond, voor zover relevant voor de beoordeling van de klacht:
In de therapie is aanvankelijk gewerkt, met name middels cognitieve gedragstherapie, aan de gevoelens van onveiligheid en boosheid met betrekking tot haar ex-partner. Gaandeweg overschaduwden de problemen met haar nieuwe partner de aanvankelijke aanmeldklachten. Oude trauma’s werden herbeleefd. De agressie en de wanhoop die daarmee naar boven kwam zette de werkrelatie dusdanig onder druk dat besloten werd de therapeutische relatie te stoppen.

DSM V classificatie:
As I: 300.02 gegeneraliseerde angststoornis
As II: 301.9 persoonlijkheidsstoornis

301.83 trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis

Gezien de ernst van de problematiek en het lijden van mevrouw lijkt een verwijzing naar een meer gespecialiseerde GGZ-instelling op zijn plaats
.”

4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut

4.1 Klaagster verwijt de psychotherapeut dat zij:

  1. Klaagster zonder waarschuwing op 20 februari 2024 onterecht heeft weggestuurd;
  2. Geen nazorg heeft verleend nadat zij klaagster heeft weggestuurd;
  3. Onvoldoende zorg heeft verleend en de diagnose PTSS nooit heeft vastgesteld;
  4. In haar brief van 16 mei 2024 aan de huisarts onwaarheden heeft geschreven.

4.2 De psychotherapeut heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De psychotherapeut stelt dat zij op 20 februari 2024 besloot een grens aan te geven, om klaagster bij zinnen te laten komen. Gezien de heftigheid van de emotie nam zij niet meteen contact op, in de veronderstelling dat haar partner zou zorgen dat klaagster veilig thuis zou komen. In het gesprek van 5 maart 2024 probeerde zij haar beweegredenen toe te lichten. De diagnose PTSS kon verder niet worden gesteld, vanwege het ontbreken van criterium A (‘blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld’). Tot slot was er een onveilige werksituatie aan het ontstaan waarbij klaagster zich niet meer veilig voelde om haar emoties te laten zien en verweerster als therapeut zich niet vrij voelde om klaagster de begrenzing te bieden die zij nodig had. Verweerster heeft de huisarts dienovereenkomstig bericht.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1 De vraag is of de psychotherapeut de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Klachtonderdeel a) wegsturen van klaagster tijdens een consult

5.2 Niet in geschil is dat verweerster, nadat de emoties bij klaagster tijdens het consult op 20 februari 2024 hoog opliepen, tegen klaagster “eruit” heeft gezegd, waarna klaagster is vertrokken.
Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat het haar bedoeling was om met het wegsturen van klaagster een schokeffect te bewerkstelligen, nadat haar eerdere pogingen om klaagster tijdens het consult in haar emoties te begrenzen niet het gewenste resultaat hadden. In het kader van die begrenzing heeft zij klaagster – aldus de psychotherapeut – voorgehouden dat zij haar pijn, die mede voortkwam uit haar verleden, begreep, maar dat het sturen van een bericht aan de vrouw, waarop klaagsters boosheid zich richtte, niet de juiste weg was, daarbij ook refererend aan het effect in situaties in het verleden waarin klaagster ook brieven had gestuurd. De psychotherapeut geeft aan dat klaagster schreeuwde – hetgeen klaagster ook erkent – maar dat zij zich op dat moment niet fysiek bedreigd voelde.

5.3 Allereerst komt de vraag op of de wijze waarop de psychotherapeut heeft getracht klaagster in haar op dat moment heftige emoties te reguleren passend en geboden was. Het college concludeert dat dit niet het geval is. Uit de verklaringen van de psychotherapeut volgt dat zij een discussie op inhoudsniveau is blijven voeren over het al dan niet gewenste effect van het sturen van berichten. Als professioneel zorgverlener had van haar mogen worden verwacht dat zij klaagster probeerde terug te brengen naar het ‘hier en nu’ door op meta-niveau met haar het gesprek aan te gaan over de emoties van klaagster op dat moment, los van de inhoud van het verhaal van klaagster, en haar handreikingen te doen om haar hevige emoties eerst te reguleren. Pas daarna zou het zoeken naar mogelijke oplossingen voor de inhoudelijke kwestie immers kunnen werken. Ook bij herhaald navragen ter zitting kon de psychotherapeut niet aangeven welke interventies zij op de emoties gericht heeft toegepast. De psychotherapeut is hierin naar het oordeel van het college niet doelmatig te werk gegaan. De psychotherapeut heeft klaagster, zo heeft zij ter zitting desgevraagd erkend, voordat zij haar weg stuurde, niet gewaarschuwd dat zij hiertoe over zou gaan, indien klaagster niet zou kalmeren. Het wegsturen van klaagster tijdens de sessie vanuit de ‘holding environment,’1 die de psychotherapeut moet bieden, had naar het oordeel van het college op deze wijze niet mogen plaatsvinden. Het klachtonderdeel is gegrond.

1 Bedoeld wordt een veilige, vertrouwde en ondersteunende omgeving

Klachtonderdeel b) onvoldoende nazorg
5.4 Ook bij het verlenen van nazorg heeft de psychotherapeut zich naar het oordeel van het college te weinig rekenschap gegeven van de ‘holding environment’ die zij als therapeut moet bieden. De psychotherapeut heeft ter zitting aangegeven dat ze na een kort – niet- inhoudelijk – gesprek met klaagsters partner, die ook bij het consult aanwezig was, de partner heeft gevraagd naar klaagster toe te gaan en haar troost te bieden. De psychotherapeut geeft aan dat zij in de veronderstelling verkeerde dat klaagster en haar partner in één auto huiswaarts zouden gaan. Klaagster geeft aan dat zij en haar partner ieder in hun eigen auto waren gekomen en dat zij elk alleen naar huis zijn gereden. Klaagster heeft de psychotherapeut de avond na het incident een e-mail gestuurd, waar de psychotherapeut
daags nadien op heeft gereageerd met een e-mail waarin zij klaagster uitnodigde voor een gesprek op de praktijk op 5 maart 2024, dertien dagen na het incident.

5.5 Het op deze wijze bieden van nazorg na het wegsturen van klaagster is naar het oordeel van het college volstrekt onvoldoende. Het had op de weg van de psychotherapeut gelegen om er voor te zorgen dat zij klaagster na dit voor klaagster duidelijk heftige voorval eerder te spreken zou krijgen, telefonisch of op andere wijze. De psychotherapeut heeft in haar verweer gesteld dat zij klaagster ‘wilde laten afkoelen’, maar de psychotherapeut had zich moeten realiseren dat bij een cliënt als klaagster, voor wie haar problemen met ‘afwijzing’ uitdrukkelijk onderwerp van de therapie vormden, een nadere interventie op zijn plaats was. Het sturen van één e-mailtje met (uitsluitend) een uitnodiging voor een gesprek op de praktijk op termijn van dertien dagen na het incident, zoals de psychotherapeut heeft gedaan, volstaat dan niet voor een ontregelde cliënt zoals klaagster. De psychotherapeut stelt verder ter ziting voor het eerst dat zij klaagster gebeld zou hebben maar geen gehoor kreeg, het college vindt hiervoor echter geen aanknopingspunten in het dossier zodat dit niet vastgesteld kan worden.

5.6 Ook de wijze waarop de psychotherapeut op 5 maart 2024 het gesprek met klaagster stelt te zijn aangegaan, is niet in overeenstemming met de beroepsnormen. Klaagster was nog altijd boos over het wegsturen. Ook op dat moment is de psychotherapeut blijven steken in een discussie over de inhoud in plaats van het gesprek door doelmatige interventie op meta-niveau te brengen.

Klachtonderdeel b) is gegrond. Klachtonderdeel c) onvoldoende zorg en niet stellen van diagnose PTSS
5.7 Het zwaartepunt van de klacht is gelegen in de gebeurtenissen van 20 februari 2024 en het ontbreken van nazorg. Daarnaast verwijt klaagster de psychotherapeut dat zij niet de juiste zorg kreeg, meer specifiek verwijt zij haar dat zij de diagnose PTSS niet heeft gesteld. Deze diagnose zou later door een psychiater zijn gesteld. De psychotherapeut geeft aan dat zij deze diagnose bij klaagster niet stelde, in verband met het ontbreken van criterium A “blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstige verwonding of seksueel geweld”.

5.8 Het college volgt de psychotherapeut in haar redenering, in die zin dat het college – op basis van de gespreksaantekeningen die de psychotherapeut als dossier overlegde – constateert dat de psychotherapeut in het kader van haar diagnosestelling adequaat heeft uitgevraagd. De door de psychotherapeut gestelde diagnose, waarbij zij (trekken van) een borderline persoonlijkheidsstoornis constateerde, is op basis van de toen gebleken en bekende gegevens passend. Op basis van hetgeen de psychotherapeut blijkens de gespreksaantekeningen heeft uitgevraagd en besproken, lag een diagnose PTSS – ook bij het ontbreken van het genoemde criterium A – niet primair voor de hand. Daarbij overweegt het college dat een chronisch trauma, waaraan de door klaagster geconsulteerde psychiater blijkens de door klaagster overgelegde whatsapp-correspondentie kennelijk refereert, ook geen één op
één relatie heeft met een PTSS. Ook bij borderlinepatiënten kan sprake zijn van een chronisch trauma.

5.9 Alhoewel het college moet constateren dat uit de door de psychotherapeut overgelegde gespreksverslagen niet heel concreet blijkt welke en/of welk type interventies de psychotherapeut heeft ingezet, zal het college klaagsters verwijt van onvoldoende zorg, als onvoldoende onderbouwd moeten afwijzen, nu klaagster niet nader heeft gespecifeerd welke tekortkomingen zij de psychotherapeut verwijt.
Het klachtonderdeel is ongegrond.



Klachtonderdeel d) schrijven van onwaarheden aan de huisarts

5.10 De psychotherapeut heeft op verzoek van klaagster na het einde van de behandeling een behandelverslag aan de huisarts geschreven. De bezwaren van klaagster tegen deze brief richten zich vooral op de zinssnede in de brief “De agressie en de wanhoop die daarmee naar boven kwam zette de werkrelatie dusdanig onder druk dat besloten werd de therapeutische relatie te stoppen”,omdat hiermee, aldus klaagster, ten onrechte de indruk wordt gewekt dat de psychotherapeut de behandelrelatie heeft beëindigd en niet klaagster. Daarnaast zou de brief onzorgvuldigheden bevatten. Het college constateert dat de door klaagster gewraakte bewoordingen voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn. De psychotherapeut had haar woorden hier – en op een andere punten in de brief – zorgvuldiger kunnen kiezen. De tekortkomingen in dit opzicht zijn naar het oordeel van het college echter niet dusdaning, dat dit als tuchtrechtelijk verwijtbaar tekortschieten moet worden aangemerkt.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Slotsom

5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a) en b) gegrond en dat de klachtonderdelen c) en d) ongegrond zijn.

Maatregel

5.12 In artikel 48 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) staan de tuchtrechtelijke maatregelen beschreven. De lichtste maatregel is een waarschuwing. Het college overweegt daarbij dat een waarschuwing een zakelijke terechtwijzing is die de onjuistheid van de maatregel naar voren brengt, maar zonder het afkeurende stempel van laakbaarheid. Het college is van oordeel dat in dit geval wel degelijk sprake is van laakbaar handelen door verweerster, zodat niet kan worden volstaan met een waarschuwing.

5.13 Het college oordeelt dat de psychotherapeut door de wijze waarop ze klaagster heeft weggestuurd en de inadequate nazorg nadien, ernstig is tekortgeschoten in haar verplichtingen als zorgverlener. Daarbij gaf de psychothereut ter zitting geen enkele blijk van zelfreflectie of inzicht in de onjuistheid van haar handelen en de ernst daarvan. Het college weegt bij het opleggen van een maatregel mee dat aan de psychotherapeut in haar loopbaan nog niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Daarom zal het college ondanks de ernst van het tekortschieten en het gebrek aan inzicht met het opleggen van een berisping volstaan.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaartde klachtonderdelen a) en b) gegrond;
  • legt de psychotherapeut de maatregel op van een berisping;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door G. Tangenberg, voorzitter, H.C.B. van der Meer, lid-jurist,
A. van Dijke, H.J. de Boer en R. van der Ree, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

M.H. van Ham, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025.

secretaris voorzitter



Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

[1] Bedoeld wordt een veilige, vertrouwde en ondersteunende omgeving.