ECLI:NL:TGZRZWO:2025:124 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7709

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:124
Datum uitspraak: 17-10-2025
Datum publicatie: 20-10-2025
Zaaknummer(s): Z2024/7709
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen neuroloog kennelijk ongegrond. Klaagster is, na onderzoek door een andere neuroloog, door verweerster onderzocht met onder meer klachten van dubbelzien en uitvalsverschijnselen en de vraag of sprake zou kunnen zijn van de ziekte van Lyme. Zij maakt de neuroloog verwijten over haar bevindingen, verslaglegging en verwijzing naar de Lyme-polikliniek.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 17 oktober 2025 op de klacht van:

A ,

wonende in B,

klaagster,

gemachtigde C, wonende te B,

tegen

D ,

neuroloog,

(destijds) werkzaam in F,

verweerster, hierna ook, de neuroloog,
gemachtigde G, jurist werkzaam te F.

  1. De zaak in het kort

1.1 Klaagster is, na onderzoek door een andere neuroloog, door verweerster onderzocht met onder meer klachten van dubbelzien en uitvalsverschijnselen en de vraag of sprake zou kunnen zijn van de ziekte van Lyme. Zij maakt de neuroloog verwijten over haar bevindingen, verslaglegging en verwijzing naar de I.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’

betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

  1. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 oktober 2024;
  • het aanvullende klaagschrift, binnengekomen op 5 november 2024;
  • het verweerschrift met de bijlagen, binnengekomen op 3 januari 2025;
  • de repliek, binnengekomen op 14 februari 2025;
  • de dupliek, binnengekomen op 18 maart 2025;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 8 mei 2025;
  • de brief namens verweerster, binnengekomen 2 juni 2025, die als bijlage aan het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek is gehecht.
  • 2.2 Klaagster heeft ook een tuchtklacht ingediend tegen een collega neuroloog.

Deze zaak is bekend onder zaaknummer Z2024/7710. In die zaak wordt bij afzonderlijke beslissing van dezelfde datum beslist.

3.1 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

  1. De feiten

3.1 Klaagster, geboren in 1948, is na verwijzing door de huisarts voor het eerst gezien op de afdeling neurologie van H (hierna: het ziekenhuis) op 28 maart 2022. Verweerster is neuroloog in het ziekenhuis en hoofd van de afdeling neurologie.

3.2 Op 5 mei 2023 zag verweerster klaagster voor het eerst. Klaagster was eerder onder behandeling bij een collega neuroloog. In verband met ontevredenheid bij klaagster over de collega neuroloog heeft verweerster klaagster vervolgens gezien op 5 mei 2023 en 8 september 2023.

3.3 Verweerster heeft op 5 mei 2023 als verwijzing van de collega neuroloog genoteerd (letterlijk overgenomen, inclusief opmaak):

n IV uitval rechts, al langer bestaand, zonder duideijke verklaring, daarnaast aantal andere klachten. Vraag of sprake zou kunnen van de ziekte van lyme. Tevens vragen over bevindingen MRI hersenen, en doorgemaakte TIAs.”

3.4 Na het afnemen van een anamnese werd geen neurologisch onderzoek verricht, maar werd verwezen naar het neurologisch onderzoek van de collega neuroloog op 2 maart 2023.
Bij “Aanvullend onderzoek” is vermeld:

5-5-2023: Bezinking 12mm/uur; Borrelia IgM en IgG negatief.
TSH: lijkt niet bepaald.
MRI hersenen dd. 20-3-2023 en MRI CWK:
Wittestofafwijkingen; voorts intracranieel geen structurele veranderingen. Geen wortelcompromettering danwel wervelkanaalstenose of myelopathie.”
Bij “Bespreking” is vermeld:

“Deze 75jr. patiënte werd eerder onderzocht door collega [achternaam collega neuroloog, RTG] met de vraag of sprake is van een spierziekte als oorzaak voor haar dubbelzien. Deze werd niet vastgesteld.
Voor een uitgebreide beschrijving van de klachten van patiënte verwijs ik ook naar haar brief dd. 29-3-2023.
1. Ten aanzien van de inmiddels door de ortoptisch vastgestelde n trochlearis uitval concludeer ik nu dat het meest waarschijnlijk sprake is van een mrcrovasculaire oorzaak, danwel dat we moeten concluderen dat we de oorzaak niet weten. Met behulp van een MRI werden structurele oorzaken uitgesloten, het ontbreken van uitval van andere hersenzenuwen en het beloop met waarschijnlijk toch stabiele klachten over jaren, sluiten andere oorzaken (inflammatoir, afwijkingen in de sinus cavernosus, orbitaal) uit. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een trauma zes jaar geleden en evenmin voor een infectie. Ik bepaalde ook nogmaals de schildklierfunctie; de TSH was normaal.
Ik stelde patiente gerust, en adviseerde haar om het advies van de ortoptist van een prisma aanpassing op te volgen en te bespreken of herhaald onderzoek over enige tijd (bv een jaar) zinvol is om het beloop te evalueren.
2. Echtgenoot van patiente vraagt expliciet of er sprake kan zijn van een Borrelia-infectie. Eerder onderzoek in het bloed hiernaar [naam ander ziekenhuis, RTG] was negatief. Ik legde uit dat ik dit zeer onwaarschijnlijk acht, bepaalde zekerheidshalve nogmaals borrelia serologie, die opnieuw negatief was. Mijns inziens hebben we daarmee een borrelia infectie uitgesloten.
Omdat echtgenoot zich afvraagt of er dan toch geen sprake kan zijn van een sero-negatieve borrelia verwees ik patiente naar de I.
3. Vanwege de doorgemaakte wegrakingen in het verleden en recent opnieuw een onverklaarde val (in de metro, zie anamnese) verwees ik patiente naar de cardioloog met de vraag of er toch sprake kan zijn van hartritmestoornissen.
4. Ik kan achteraf niet goed vaststellen of er in 2005 en 2015 sprake is geweest van een TIA. De klachten van gedurende een kwartier niet goed kunnen lezen, maar wel goed kunnen spreken en begrijpen zijn zeker niet typisch. Omdat destijds de afweging is gemaakt dat er een indicatie was voor aspirine, in combinatie met in ieder geval de risicofactor hypertensie en de MRI van de hersenen met enkele zeer kleine ischemische lesies, adviseer ik de aspirine te continueren. De witte stofafwijkingen zijn mijns inziens passend bij de hypertensie en de leeftijd en goed vasculair te verklaren. Het patroon geeft geen aanleiding om een andere (veel zeldzamer) oorzaak te overwegen.
5. Mede op verzoek van patiente zie ik haar na de evaluatie door de cardioloog en op de I nog een keer terug op mijn spreekuur.”

3.5 Verweerster heeft klaagster op 8 september 2023 wederom gezien en van haar spreekuurcontact aantekeningen gemaakt. Deze zijn als bijlage bij het verweerschrift meegezonden.

  1. De klacht en de reactie van de neuroloog

4.1 Klaagster verwijt de neuroloog dat zij:

  1. de aanwijzingen voor neuroborreliose niet of onjuist in haar verslag van 5 mei 2023 heeft vermeld;
  2. de wittestofafwijking(en) die zichtbaar waren op de MRI-scan niet heeft toegeschreven aan een Lyme-infectie;
  3. in de verwijzing naar de I onvolledig is geweest en daarin misleidende informatie heeft opgenomen over radiculopathieën en de MRI-uitslagen, waardoor zij medeverantwoordelijk was voor het foutieve behandelplan dat bij de I is gemaakt.
  1. 4.2 De neuroloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
  2. 4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
  1. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1 De vraag is of de neuroloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende neuroloog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de neuroloog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Beoordeling

5.2 Het college komt tot het oordeel dat de neuroloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In tegenstelling tot het standpunt van klaagster en haar echtgenoot, dat het bestaan van een neuroborreliose de enige nog serieuze kandidaat was toen klaagster bij de neuroloog kwam, komt het college tot het oordeel dat de neuroloog op basis van lege artis handelen deze diagnose als voldoende onwaarschijnlijk heeft kunnen aanmerken en dat zij zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Ook de verslaglegging voldoet volgens het college aan de daaraan te stellen eisen. Hieronder legt het college dit nader uit.

Klachtonderdeel a) aanwijzingen voor neuroborreliose niet of onjuist in verslag opgenomen

5.3 Klaagster en haar echtgenoot (gemachtigde) zijn stellig van mening dat er meerdere evidente aanwijzingen zouden zijn dat sprake is van een neuroborreliose en dat dit in het verslag had moeten staan. De neuroloog heeft aangegeven conform de ziekenhuisrichtlijn ‘Neuroborreliose’, die gebaseerd is op de landelijke CBO richtlijn Lymeziekte uit 2013, te hebben gehandeld.

5.4 Het college volgt verweerster in haar uitleg in het verweerschrift. Uit de stukken blijkt dat de neuroloog klinisch geen verdenking had op neuroborreliose. Zij heeft aanvullend onderzoek gedaan naar neuroborreliose en deze uitslagen waren negatief (antistoffentesten).
Gelet op de afwezigheid van een sterke klinische verdenking was er evenmin reden voor een liquortest. Op uitdrukkelijk verzoek van klaagster is zij doorverwezen naar de I. Verweerster heeft op basis van haar onderzoek terecht niet vermeld dat er aanwijzingen waren voor een neuroborreliose. Die had ze namelijk op goede gronden uitgesloten. Het eerste klachtonderdeel is daarmee kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) wittestofafwijking(en) op de MRI-scan niet toegeschreven aan Lyme-infectie.

5.5 Klaagster is van mening dat de wittestofafwijkingen op de MRI-scan toegeschreven hadden moeten worden aan een Lyme-infectie. De neuroloog stelt zich op het standpunt dat de wittestofafwijkingen meer passen bij de leeftijd in combinatie met de hypertensie van klaagster.

5.6 Het college is van oordeel dat de neuroloog op basis van de door haar beschreven wittestofafwijkingen tot de conclusie heeft kunnen komen dat deze passend waren bij de leeftijd van klaagster en haar al langer bestaande hoge bloeddruk. Deze vasculaire origine is ook veel waarschijnlijker dan een sero-negatieve borreliose. Het is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de neuroloog deze wittestofafwijkingen niet heeft toegeschreven aan een Lyme-infectie. Daarmee is ook dit onderdeel kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) onvolledigheid en misleidende informatie in verwijsbrief I

5.7 Klaagster is, in combinatie met voorgaande klachtonderdelen, van mening dat de verwijzing naar de I onvolledig was en misleidende informatie bevatte. De neuroloog heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu er geen aanwijzingen waren voor neuroborreliose, er geen sprake is van onvolledigheid of misleidende informatie in de verwijzing.

5.8 Naar het oordeel van het college voldoet de verwijzing van de neuroloog aan de daaraan te stellen eisen. Zoals hiervoor reeds overwogen, had de neuroloog, op basis van de anamnese, het neurologisch onderzoek en de verrichte onderzoeken, geen aanwijzingen voor het bestaan van neuroborreliose. Uit het verslag van haar gesprek met klaagster op 5 mei 2023 blijkt van een uitgebreide ananamnese, klinisch beeld, uitslagen van de MRI’s en herhaald bloedonderzoek. De neuroloog heeft haar bevindingen uitgebreid beschreven en het college kan haar hierin volgen. Als reden van de verwijzing is vermeld: “Bij patiënte en echtgenoot verdenking op lyme; echter serologie negatief, recent en eerder in [naam ander ziekenhuis, RTG] denken aan mogelijkheid van sero-neg lyme.”

Van onvolledigheid en misleidende informatie blijkt geenziens uit het verslag en de verwijzing, die overigens gepaard ging met het woord ‘Spoed’. Ook dit laatste klachtonderdeel is daarmee kennelijk ongegrond.

Slotsom

5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

  1. De beslissing

De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 17 oktober 2025 door W.P. Claus, voorzitter,
M. Beudel en S.T.F.M. Frequin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris.

secretaris voorzitter



Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.