ECLI:NL:TGZRZWO:2025:123 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle z2024/7364

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:123
Datum uitspraak: 13-10-2025
Datum publicatie: 16-10-2025
Zaaknummer(s): z2024/7364
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een psychotherapeut. Naar aanleiding van een civielrechtelijke procedure over de verblijfplaats van haar minderjarige dochter is klaagster psychiatrisch onderzocht om te beoordelen of bij haar sprake is van psychiatrische of persoonlijkheidsproblemen die de verzorging en opvoeding van haar dochter in de weg zouden kunnen staan. Op verzoek van de ex-partner van klaagster, tevens de vader van haar minderjarige dochter, heeft verweerder het psychiatrisch rapport van commentaar voorzien. Klaagster stelt, samengevat, dat verweerder in die rol niet integer heeft gehandeld, omdat hij niet onafhankelijk was, maar een vriend, collega en zakelijk partner van haar ex-partner. Volgens klaagster had verweerder het verzoek commentaar te geven op het rapport ten behoeve van de civielrechtelijke procedure daarom moeten weigeren. Het college verklaart de klacht gegrond en legt de psychotherapeut de maatregel van een berisping op.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 13 oktober 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,
gemachtigde: mr. M.E.W.M. Rupert, advocaat bij AMBT advocaten,

tegen

C,

psychotherapeut,

(geregistreerd tot: 6 januari 2023),

(destijds) werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de psychotherapeut,

gemachtigde: F, advocaat bij E te B.

1. De zaak in het kort

1.1 Naar aanleiding van een civielrechtelijke procedure over de verblijfplaats van haar minderjarige dochter is klaagster psychiatrisch onderzocht om te beoordelen of bij haar sprake is van psychiatrische of persoonlijkheidsproblemen die de verzorging en opvoeding van haar dochter in de weg zouden kunnen staan. De uitkomst van dit onderzoek is neergelegd in een psychiatrisch rapport. Op verzoek van de ex-partner van klaagster, tevens de vader van haar minderjarige dochter, heeft verweerder het psychiatrisch rapport van commentaar voorzien. Klaagster stelt, samengevat, dat verweerder in die rol niet integer heeft gehandeld, omdat hij niet onafhankelijk was, maar een vriend, collega en zakelijk partner van haar ex-partner. Volgens klaagster had verweerder het verzoek commentaar te geven op het rapport ten behoeve van de civielrechtelijke procedure daarom moeten weigeren.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt verweerder de maatregel van een berisping op. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 juni 2024;
  • het door klaagster nagezonden rapport van D, psychiater/psychoanalyticus, van 28 mei 2020, ontvangen op 15 juli 2024 tezamen met een ondertekend exemplaar van het klaagschrift;
  • het verweerschrift, ontvangen op 16 augustus 2024;
  • een verklaring, overgelegd door klaagster en ontvangen door het college op 9 november 2024;
  • het proces-verbaal van de zitting van 11 april 2025;
  • een brief van de gemachtigde van verweerder van 12 augustus 2025, met het verzoek de zaak met gesloten deuren te behandelen;
  • een reactie van klaagster van 12 augustus 2025 op het verzoek tot behandeling van de zaak met gesloten deuren;
  • een e-mail van klaagster van 13 augustus 2025 (14.04 uur), met als bijlage een e-mail van 28 mei 2020;
  • een e-mail van klaagster van 13 augustus 2025 (14.14 uur), met als bijlage een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 17 juni 2020;
  • een brief van de gemachtigde van verweerder van 14 augustus 2025, met aanvullende bewijsstukken;
  • een e-mail van klaagster van 15 augustus 2025, met een reactie op de brief van 14 augustus 2025.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 11 april 2025. Partijen zijn verschenen. Verweerder is bijgestaan door zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.4 Na de mondelinge behandeling van de tuchtklacht heeft verweerder op dezelfde dag een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend tegen het voltallige zittingscollege dat de klacht behandelde. Het wrakingsverzoek is op 24 april 2025 online (via Teams) behandeld. Bij beslissing van 8 mei 2025 (geregistreerd onder ECLI:NL:TGZRZWO:2025:55) heeft de wrakingskamer het verzoek afgewezen, voor zover dat is gericht tegen de lid-jurist en de leden-beroepsgenoten van het zittingscollege. Het verzoek, voor zover dat is gericht tegen de voorzitter van het zittingscollege, is toegewezen. Verder oordeelde de wrakingskamer dat de tuchtklacht tegen verweerder moest worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Gelet op het feit dat de zaak voor uitspraak stond, zal het onderzoek ter zitting heropend moeten worden met behandeling door een andere voortzitter, zo oordeelde de wrakingskamer.

2.5 Op 5 september 2025 is het onderzoek ter zitting heropend. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder verzocht om behandeling met gesloten deuren. Dit verzoek is ter zitting nader toegelicht. Klaagster heeft ter zitting de gelegenheid gehad zich daarover uit te laten. Na onderbreking voor beraad heeft het college aansluitend ter zitting het verzoek afgewezen, omdat in het kader van de afweging van het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verweerder afgezet tegen het belang van openbare tuchtrechtspraak de door verweerder aangevoerde redenen van onvoldoende gewicht zijn om af te zien van de hoofdregel dat een zitting vanuit het oogpunt van transparantie openbaar is. Partijen en hun gemachtigden hebben vervolgens hun standpunten mondeling toegelicht en pleitnotities overhandigd. Het onderzoek is daarop gesloten en er is een datum voor uitspraak bepaald.

3. De feiten

3.1 In 2020 is klaagster in het kader van een gerechtelijke procedure over de verblijfplaats van haar minderjarige dochter door D, psychiater/psychoanalyticus, psychiatrisch onderzocht ter beantwoording van de volgende vragen (alle citaten letterlijk weergegeven en bij weergave van namen degene die het betreft):

(1) In hoeverre is er sprake van psychiatrische of persoonlijkheidsproblemen bij onderzochte, [klaagster]?

(2) Mocht er sprake zijn van zodanige problematiek, op welk gebied kan dit gevaar opleveren in het functioneren?”

3.2 Op 28 mei 2020 heeft deze psychiater een rapport uitgebracht waarin hij de twee vragen als volgt heeft beantwoord:

“1. Onderzoeker komt tot de classificatie van een ongespecificeerde traumatische of stressor gerelateerde stoornis en trekken van de narcistische en borderline persoonlijkheidsstoornis en een partner relatie probleem. Onderzochte onderkent deze problematiek en werkt hieraan.

2. Onderzochte heeft enkele risicofactoren voor een recidive van een suïcidepoging. Ze kan heftig reageren op verlies van een persoon vanwege ze zich afhankelijk voelt. Ze kan reageren met depressie op verlating. Daat staat tegenover dat ze geen verleden heeft van suïcidepogingen. Ze is een intelligente vrouw, die voldoende zicht heeft op haar valkuilen en daar ook hulp voor zoekt en in investeert. Ze is dol op haar kinderen die zich ook veilig voelen bij haar. Ze heeft een langdurig en kwalitatief goed netwerk dat haar goed kent en weet heeft van haar kwetsbaarheid. Ze heeft steun aan haar geloof. Al met al komt onderzoeker tot de conclusie dat het risico op een herhaling van de suïcidepoging gering is.

Onderzochte kan in staat worden geacht om de verschillende rollen die behoren bij de volwassenheid inclusief de verzorging en opvoeding van kinderen te kunnen uitvoeren op een adequate wijze.”

3.3 Op dezelfde dag heeft de (advocaat van de) ex-partner van klaagster het rapport van de psychiater ter beoordeling aan verweerder voorgelegd met de volgende vragen:

(1) Is er naar uw mening als deskundige een gedegen rapport opgesteld en kan dit rapport dat zo opgesteld is antwoord geven op de vraag of [klaagster] “wel of niet in staat is om adequaat invulling te geven aan de taken die behoren bij het moederschap zoals verzorgen en opvoeden”?

(2) Zijn er betere manieren om bovenstaande vraag te beantwoorden, zo ja, hoe dan?

(3) Zijn u zaken opgevallen in de structuur van het rapport die u wilt vermelden?

(4) Heeft u een advies aan de rechtbank over de wijze hoe er er met dit rapport dient te worden omgegaan, naar uw mening?”

3.4 Bij e-mail van 29 mei 2020 heeft verweerder aan de (advocaat van de) ex-partner het volgende laten weten:

U stuurde mij op 28 mei 2020 het psychiatrisch rapport van [psychiater] met het verzoek om als deskundige commentaar te leveren op de betrouwbaarheid en de objectiviteit van het onderzoek.

U bent er bekend mee dat ik een collega van [ex-partner klaagster] ben, maar ook dat ik in staat kan worden geacht om op basis van mijn ervaring en opleiding als Big geregistreerd Klinisch Psycholoog, met een jarenlang verleden als rapporteur voor de rechtbank (vast beëdigd gerechtelijk deskundige, net als [psychiater]) een oordeel te geven over de kwaliteit en bruikbaarheid van het onderzoek van 28 mei 2020.

Overigens ben ik ook goed bekend met [psychiater], we hebben jarenlang samen gerapporteerd in strafzaken voor het NIFP. Tevens was hij enkele jaren aangesteld als collega van [ex-partner klaagster] als toezichthouder en later als toezichthouder van mijzelf als directeur van E.

Hoewel ik, net als [advocaat] het rapport heel laat kreeg (…) wil ik gezien de urgentie van de zaak als deskundige reageren op het rapport. Ik kan alleen uitspraken doen over de structuur van het rapport en doe geen uitspraken over de diagnose ( wel of niet aanwezigheid hiervan) van onderzochte [klaagster].


Verweerder stelde in zijn reactie onder meer dat het rapport van de psychiater niet opgesteld had mogen worden voor het doel waarmee het is opgesteld. Het doel is volgens verweerder een eenzijdig doel en verweerder adviseerde de rechtbank om dit rapport “als te veel gekleurd te zien (onderzoeksbias) (…) en te overwegen om een echt objectief rapport aan te vragen bij de instanties die dat als dagelijks werk hebben i.p.v. bij een pro justitia (strafzaken) rapporteur die geen objectievere methoden heeft gebruikt.”

3.5 Bij beschikking van 17 juni 2020 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie G, de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen naar de psychische gesteldheid van klaagster, de beste hoofdverblijfplaats voor haar dochter en de inhoud van een zorgregeling tussen de dochter en de ouder waar zij niet haar hoofdverblijf heeft. De rechtbank overwoog dat zij zich door de combinatie van beide rapporten [RTG: het rapport van de psychiater en het rapport van verweerder] onvoldoende voorgelicht achtte over de psychische gesteldheid en de opvoedmogelijkheden van klaagster, terwijl zij deze informatie van essentieel belang achtte om een beslissing te kunnen nemen over de hoofdverblijfplaats van haar dochter en een zorgregeling.

4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut

4.1 Klaagster verwijt de psychotherapeut:
a) Rolvermenging en een gebrek aan professionele distantie. Daartoe voert klaagster
aan dat verweerder een directe collega, vriend en zakenpartner van haar ex-partner
is. Klaagster stelt dat verweerder met het accepteren van het verzoek van de ex-
partner tot beoordeling van het rapport van de psychiater in strijd heeft gehandeld
met de basisprincipes zoals die in de beroepscode zijn neergelegd.
b) Dat hij niet goed heeft gemotiveerd hoe hij tot zijn bevindingen en conclusies is
gekomen.
c) Dat het concept van zijn commentaar ten onrechte niet aan haar is voorgelegd,
zowel ter correctie als om gebruik te maken van haar blokkeringsrecht.

4.2 Verweerder heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk zou beoordelen, heeft hij het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Hiertoe voert hij, samengevat en voor zover van belang, het volgende aan. Verweerder is van mening dat hij alleen zakelijke kanttekeningen heeft geplaatst bij het psychiatrisch onderzoeksrapport. Hij heeft te allen tijde professionele afstand gehouden en objectief gehandeld. Verweerder heeft geen onderzoek uitgevoerd bij klaagster en geen uitspraken gedaan over klaagster zelf. De antwoorden op de gestelde vragen heeft verweerder verder deugdelijk gemotiveerd. Tot slot heeft verweerder enkel zakelijke kritiek geuit op het psychiatrisch onderzoeksrapport en had hij geen behandelrelatie met klaagster, zodat er geen reden was het rapport aan klaagster voor te leggen of haar een blokkeringsrecht toe te kennen.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college


Ontvankelijkheid
5.1 Hoewel verweerder het standpunt dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op de zitting van 11 april 2025 zonder voorbehoud had ingetrokken, is hij daar tijdens de zitting van 5 september 2025 op teruggekomen. In het midden latend of verweerder deze grond onherroepelijk heeft prijsgegeven, zal het college dit verweer inhoudelijk beoordelen. Het college stelt voorop dat verweerder geen behandelrelatie heeft gehad met klaagster. Het handelen van verweerder dat aan de klacht ten grondslag ligt kan dan ook niet worden getoetst aan de eerste tuchtnorm van artikel 47 lid 1 aanhef en onder a van de Wet op de beroepen van de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Nu zijn handelen niettemin voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg, kan het college het verweten gedrag wel toetsen aan de tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1 aanhef en sub b Wet BIG. Dat betekent dat de klacht inhoudelijk zal worden beoordeeld en dat het college zal beoordelen of verweerder al dan niet gehandeld heeft in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Klaagster is dan ook ontvankelijk in haar klacht.

Klacht: rolvermenging

5.2 De klacht van klaagster komt er in de kern (primair) op neer dat verweerder als (jeugd)vriend en zakelijke partner van haar ex-man, de opdracht voor een deskundigenonderzoek niet aan had moeten nemen. Klachtonderdelen b) en c) gaan over de inhoud en wijze van totstandkoming van het rapport, zodat het college aanleiding ziet de klachtonderdelen te beoordelen als primair en subsidiair standpunt van klaagster.

5.3 Het college is van oordeel dat de geldende beroepsnorm voor een psychotherapeut in de kern niet afwijkt van de norm waar verweerder als gz-psycholoog aan gehouden is. Het is een algemeen aanvaarde beroepsnorm dat ook psychotherapeuten onafhankelijk en objectief moeten optreden en ervoor zorg moeten dragen dat zij geen professionele en niet-professionele rollen vermengen die elkaar kunnen beïnvloeden waardoor ze geen professionele afstand meer kunnen bewaren tot de betrokkenen. Op grond van artikel 7:464 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) in dit geval van toepassing. In artikel 7:453 van het BW staat dat “de hulpverlener (…) handelt (…) in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard”. Het vermengen van rollen kan leiden tot een belangenconflict, waarbij de zorgverlener mogelijk beslissingen neemt die niet in het belang van de betrokkene zijn.

5.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij als professional het rapport van de psychiater objectief kon beoordelen, dat hij open was over de onderlinge banden en zich niet over klaagster zelf heeft uitgelaten. Bovendien, zo stelt verweerder, was er sprake van een professionele en morele plicht om te handelen gelet op de urgentie en de belangen van het minderjarige kind.

5.5 Het college is van oordeel dat verweerder, los van de inhoud van het rapport van de psychiater, direct toen hem de vraag bereikte of hij als partijdeskundige wilde optreden in dit familierechtelijke geschil, had moeten besluiten zich niet in deze zaak te mengen. Verweerder kende zowel klaagster als haar ex-partner goed, en verkeerde niet alleen zakelijk maar ook in de privésfeer met zowel klaagster als haar ex-partner, waardoor hij objectief gezien niet meer in staat kan worden geacht een professionele afstand tot de betrokkenen te bewaren. Het standpunt van verweerder ter zitting dat hij zich in een conflict van plichten bevond kan verweerder niet baten. Hij meende te moeten handelen in het belang van het minderjarige kind, vanwege de door hem gesignaleerde gebreken in het rapport. Wat daar overigens van zij, de kennis van de inhoud van het rapport ontstond op het moment van zijn kennisname daarvan, terwijl al daarin een tuchtrechtelijk onjuist handelen besloten ligt. De ‘vriendendienst’ die hij ten opzichte van één goede bekende van hem wilde verlenen, en dan met voorbijgaan aan het feit dat de andere betrokkene eveneens een goede bekende was, was strijdig met de professionele distantie die hij als beroepsbeoefenaar in acht had moeten nemen. Verweerder heeft daarmee niet gehandeld volgens de beroepsnorm en evenmin als redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsbeoefenaar. De klacht is daarom gegrond. De overige, subsidiaire, klachtonderdelen (b en c) zien op de inhoud van de door hem opgemaakte rapportage. Gelet op dit oordeel behoeven deze geen zelfstandige bespreking meer. Dit geldt eveneens voor de overige verweren die daarop zien.


Slotsom

5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.

Maatregel

5.7 De vraag ligt nu voor welke maatregel dient te worden opgelegd. Verweerder heeft zonder inachtneming van zijn professionele normen als vriendendienst in een civielrechtelijke procedure een psychiatrisch rapport beoordeeld. Dit rapport ging over de psychiatrische- of persoonlijkheidsproblematiek bij klaagster. Zoals hiervoor is overwogen, was verweerder eerder zowel met klaagsters ex-partner, als met haarzelf bevriend. Tijdens de zitting op

11 april 2025 zag verweerder, ondanks meerdere vragen van het college, niet het laakbare van zijn handelen in en gaf hij ook in zijn verweer geen blijk in te zien dat hij het psychiatrisch rapport in zijn geheel niet had behoren te beoordelen, ongeacht de inhoud van dit rapport. Verweerder toont zich daarmee niet gevoelig voor feedback en stelt zich niet toetsbaar op.

Verder heeft verweerder eerder, namelijk op 15 april 2022 de maatregel van een waarschuwing gehad (gepubliceerd onder ECLI:NL:TGZRZWO:2022:40). Nu dit echter niet op soortgelijk handelen betrekking heeft betrekt het college dat niet in de vaststelling van een in dit geval passende maatregel.

5.8 In artikel 48 van de Wet BIG staan de tuchtrechtelijke maatregelen beschreven. De lichtste maatregel is een waarschuwing. Een waarschuwing wordt opgelegd als zakelijke terechtwijzing bij situaties die iedere beroepsgenoot kan overkomen. Daarvan is in dit geval geen sprake zodat niet kan worden volstaan met een waarschuwing. Het college ziet onder de hiervoor geschetste omstandigheden aanleiding de maatregel van een berisping op te leggen, nu sprake is van afkeurenswaardig handelen aan de zijde van verweerder.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt de psychotherapeut de maatregel op van een berisping.

Deze beslissing is gegeven door G. Tangenberg, voorzitter, H.C.B. van der Meer, lid-jurist,
A. van Dijke, H.J. de Boer en R. van der Ree, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

M.H. van Ham, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025.

secretaris voorzitter


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.