ECLI:NL:TGZRZWO:2025:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7859

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:120
Datum uitspraak: 10-10-2025
Datum publicatie: 16-10-2025
Zaaknummer(s): Z2024/7859
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde deels ontvankelijk, maar kennelijk ongegrond. College gaat uit van wilsbekwaamheid bij klaagster. Uit de klacht en hoe zij deze heeft verwoord valt niet af te leiden dat zij niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake. Klaagster verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat hij in het kader van een aanvraag tot verlenging van de rechterlijke machtiging een onjuiste medische verklaring heeft opgesteld. Het college oordeelt dat in de medische verklaring duidelijk is omschreven hoe zijn beoordeling luidt en waarop die is gebaseerd. Geen aanwijzingen voor tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 10 oktober 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

specialist ouderengeneeskunde,

werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de specialist ouderengeneeskunde,

gemachtigde: mr. A.H.T. van Gijssel, advocaat werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat het over?

1.1 Klaagster verblijft vanaf 2012 in een verpleeginstelling op basis van een rechterlijke machtiging die begin 2012 werd afgegeven door de Rechtbank D. Hierna is de rechterlijke machtiging meerdere keren verlengd, voor het laatst op 10 oktober 2023 voor de duur van drie jaar. Verweerder is werkzaam als specialist ouderengeneeskunde in de instelling en werd ingeschakeld om een medische verklaring over de gezondheidstoestand van klaagster af te geven in het kader van een aanvraag tot verlenging van de rechterlijke machtiging. Op 6 september 2023 vond een gesprek tussen verweerder en klaagster plaats. Vervolgens stelde verweerder op 11 september 2023 de medische verklaring op. Klaagster is het niet eens met de diagnose die verweerder heeft gesteld, namelijk een schizo-affectieve stoornis met bijkomende cognitieve stoornissen, en vindt dat ten onrechte een rechterlijke machtiging is verleend. Daarnaast meent klaagster dat verweerder onjuist heeft gehandeld in de zorgverlening aan een vriendin van haar, die ook in de verpleeginstelling verbleef.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels ontvankelijk is, maar kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure

2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, op 4 december 2024 ontvangen door het Regionaal Tuchtcollege in Amsterdam en doorgestuurd naar het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle, waar de klacht op 3 januari 2025 is ontvangen;
  • de brief van 24 januari 2025 van de secretaris met het verzoek om aanvulling van de klacht;
  • het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 3 maart 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 april 2025.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De klacht en de reactie van de specialist ouderengeneeskunde

3.1 Klaagster verwijt de specialist ouderengeneeskunde dat hij na een gesprek van 25 minuten onterecht een verklaring heeft afgegeven dat zij een stoornis in het geestesvermogen heeft, waardoor klaagster een rechterlijke machtiging heeft gekregen. Daarnaast maakt klaagster zich zorgen om een vriendin uit de zorginstelling, die volgens haar door verweerder naar huis wordt gestuurd terwijl zij niet voor zichzelf kan zorgen.

3.2 De specialist ouderengeneeskunde heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Ten eerste is klaagster geen belanghebbende bij de zorgverlening aan haar vriendin. Wat betreft de klacht over de diagnose van klaagster is van belang dat klaagster een mentor heeft en deze op geen enkele wijze heeft aangegeven in te stemmen met de klacht. Klaagster is niet in staat om haar eigen belangen op het vlak van haar ziektebeeld behoorlijk waar te nemen. Nu de klacht voorkomt uit haar ziektebeeld is zij niet wilsbekwaam te achten. Dat moet volgens verweerder leiden tot niet-ontvankelijkheid. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft verweerder het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

3.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college

Ontvankelijkheid

4.1 Het college merkt allereerst op dat klaagster al in de brief van 24 januari 2025 is uitgelegd wie er kunnen klagen in het tuchtrecht. Ook heeft het college klaagster erop gewezen dat zij niet kan klagen over de behandeling van haar vriendin als zij niet gemachtigd is door deze vriendin. Door klaagster is geen machtiging overgelegd zodat zij niet kan worden ontvangen in de klacht over haar vriendin.

4.2 Wat betreft de klacht van klaagster over haar eigen behandeling in de zorginstelling overweegt het college als volgt. De specialist ouderengeneeskunde heeft naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat zij ter zake wilsonbekwaam is en de mentor van klaagster geen (uitdrukkelijke) toestemming heeft gegeven om een klacht in te dienen. Het college komt tot het oordeel dat de klacht wel ontvankelijk is.

4.3 In artikel 65 lid 1 onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) is bepaald dat een tuchtklacht kan worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. Een rechtstreeks belanghebbende is in de eerste plaats de patiënt(e) van een aan tuchtrechtspraak onderworpen zorgverlener die een klacht heeft over zijn of haar behandeling. Maar ook anderen dan de patiënt(e) kunnen als rechtstreeks belanghebbenden worden aangemerkt. Tot die anderen behoren onder meer de wettelijk vertegenwoordigers van de patiënt(e), zoals zijn of haar mentor in geval van mentorschap. Hierbij geldt echter steeds als uitgangspunt dat de patiënt(e) die daartoe behoorlijk in staat is, zelf degene is die beslist over het al of niet indienen van een klacht met betrekking tot zijn of haar behandeling (zie Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 1 oktober 2013, ECLI:NL:TGZCTG:2013:110). In het eerste lid van artikel 1:454 van het Burgerlijk Wetboek en de daarbij behorende memorie van toelichting is dit uitgangspunt uitdrukkelijk verwoord. Gelet hierop, en gelet op het belang van het klachtrecht, moet als uitgangspunt gelden dat een patiënt(e) die een mentor heeft zonder toestemming van die mentor een tuchtklacht kan indienen, en dat op dat uitgangspunt slechts een uitzondering kan worden gemaakt indien aannemelijk is dat de patiënt(e) ter zake van het al of niet indienen van die klacht wilsonbekwaam is (vgl. Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 7 december 2017, ECLI:NL:TGZCTG:2017:328). Het ligt op de weg van de aangeklaagde zorgverlener om in voorkomende gevallen aannemelijk te maken dat de vereiste wilsbekwaamheid bij de patiënt(e) ontbreekt.

4.4 Hoewel door de specialist ouderengeneeskunde meerdere argumenten zijn aangevoerd om aannemelijk te maken dat de vereiste wilsbekwaamheid bij klaagster ten tijde van het indienen van de klacht ontbreekt, gaat het college uit van wilsbekwaamheid bij klaagster. Klaagster klaagt over haar behandeling in de zorginstelling. Uit de klacht en hoe zij deze heeft verwoord valt niet af te leiden dat zij niet in staat kan worden geacht tot een
redelijke waardering van haar belangen ter zake. Voor het indienen van een tuchtklacht dienen aan de wilsbekwaamheid ook geen al te hoge eisen te worden gesteld. Het college zal de klacht daarom verder inhoudelijk bespreken.

De criteria voor de beoordeling
4.5 De vraag is of de specialist ouderengeneeskunde de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende specialist ouderengeneeskunde. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de specialist ouderengeneeskunde geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

4.6 Het college oordeelt dat de specialist ouderengeneeskunde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

De beoordeling
4.7 Het college is van oordeel dat de specialist ouderengeneeskunde in zijn medische verklaring duidelijk heeft omschreven hoe zijn beoordeling van klaagster luidt en waarop die is gebaseerd. Bij de beoordeling heeft de specialist ouderengeneeskunde klaagsters dossier betrokken, gesproken met de betrokken zorgverleners en met klaagster zelf. Ook heeft hij aangegeven welke informatie van anderen hij heeft gebruikt. De medische verklaring geeft het college geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de door de specialist ouderengeneeskunde gestelde diagnose niet juist zou zijn of dat de medische verklaring heeft geleid tot een onterechte rechterlijke machtiging. Al met al heeft het college op grond van de stukken geen reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee de specialist ouderengeneeskunde heeft gehandeld en heeft het geen aanwijzingen gevonden voor tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

Slotsom
4.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

5. De beslissing


Het college:
- verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft het onderdeel van de klacht dat ziet op de behandeling van een vriendin van klaagster;

- verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 10 oktober 2025 door A.A.A.M. Schreuder, voorzitter,

E. Linthorst en A.H. van Pagee, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris.

secretaris voorzitter



Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.