ECLI:NL:TGZRZWO:2025:114 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9020

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:114
Datum uitspraak: 22-09-2025
Datum publicatie: 03-10-2025
Zaaknummer(s): Z2025/9020
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Wrakingsverzoek gericht tegen lid-beroepsgenoot. Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij onevenredig lang heeft gewacht met het indienen van een wrakingsverzoek.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE

Beslissing van de wrakingskamer op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 63 van de Wet op de Beroepen in de individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) in de zaak onder nummer Z2025/9020 ingediend door

A, wonende te B, verzoekster,

bijgestaan door C, gemachtigde,

gericht tegen

D,

in haar hoedanigheid van lid-beroepsgenoot van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle.

1. Het verloop van de procedure

Op 23 september 2025 staat de inhoudelijke behandeling van de klacht van verzoekster tegen E (cosmetisch arts) gepland. Deze klacht staat geregistreerd onder zaaknummer Z2024/7451.

Op 19 september 2025 heeft het tuchtcollege per e-mail een wrakingsverzoek van de gemachtigde van verzoekster ontvangen, gericht tegen D, lid-beroepsgenoot. D heeft aangegeven niet in de wraking te berusten. Op 22 september 2025 is het wrakingsverzoek behandeld op een digitale zitting (via Teams). Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

D is verschenen.
 

2. Het verzoek

Verzoekster heeft aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de inhoudelijke tuchtklacht gaat over de uitvoering van een Radiesse-behandeling bij klaagster. D promoot op haar website deze behandelingen en biedt deze aan. Zij heeft hiermee een persoonlijk en zakelijk belang dat rechtstreeks de behandeling van de klacht raakt. De schijn van partijdigheid is hiermee gegeven.

3. Het verweer

D heeft een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek gegeven. Zij stelt geen enkel persoonlijk of zakelijk belang bij de uitkomst van de zaak te hebben en stelt dat haar specifieke expertise juist van belang is voor een zorgvuldig oordeel in de tuchtzaak. Zij benadrukt dat zij meerdere therapieën aanbiedt al naar gelang de specifieke situatie van de patiënt. 

4. De beoordeling van het wrakingsverzoek

Toetsingskader

4.1       Op grond van artikel 63 van de Wet BIG kan een lid van een tuchtcollege worden gewraakt indien er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Aan de orde is de vraag of hiervan bij de behandeling van de klacht van verzoekster sprake is geweest. Daarbij is het uitgangspunt dat een lid van het tuchtcollege uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat het lid jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
 

4.2       Op grond van artikel 3, onder c, van het Wrakingsprotocol tuchtcolleges voor de gezondheidszorg moet een verzoek om wraking worden gedaan zodra de in artikel 2 bedoelde feiten en omstandigheden aan de indiener bekend zijn geworden. In artikel 2 van het Wrakingsprotocol staan de wrakingsgronden beschreven, zoals genoemd in artikel 63 van de Wet BIG.
 

Beoordeling
4.3       De wrakingskamer oordeelt als volgt. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoekster onevenredig lang heeft gewacht met het indienen van een wrakingsverzoek. Daarbij betrekt de wrakingskamer dat verzoekster op 21 augustus 2025 is uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op zitting van 23 september 2025. Verzoekster heeft deze brief ontvangen. In de uitnodiging is meegedeeld dat D deel uitmaakt van het college dat het klaagschrift behandelt. Pas op 19 september 2025 heeft verzoekster het onderhavige wrakingsverzoek ingediend. Tussen de uitnodiging in de hoofdzaak en de ontvangst van het wrakingsverzoek zijn dus ruim vier weken gelegen. Daarmee is het verzoek tot wraking niet ingediend zodra de in artikel 2 van het Wrakingsprotocol bedoelde feiten en omstandigheden die aanleiding waren voor het wrakingsverzoek verzoekster bekend zijn geworden. Dat zij, zoals zij tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting erkende, niet eerder dan op vrijdag 19 september 2025 de namen van de leden van het behandelend college op Google is gaan opzoeken, kan haar niet baten. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die dit tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Verzoekster is daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek.
 


4.4       Ten overvloede overweegt de wrakingskamer nog als volgt. De door verzoekster aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende aanwijzing dat D partijdig of vooringenomen is of dat wat haar betreft een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid of vooringenomenheid bestaat. Hetgeen hierover door verzoekster is aangevoerd, is onvoldoende concreet en ook verder is niet gebleken van enig aantoonbaar financieel, zakelijk of ander persoonlijk belang bij de uitkomst van de klacht. Juist vanwege haar deskundigheid is D als lid-beroepsgenoot bij de behandeling van de klacht betrokken. Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd levert niet een uitzonderlijke omstandigheid op die zodanige vrees ten aanzien van de onpartijdigheid van D in haar zaak kan rechtvaardigen. Het college merkt daarbij op dat het optreden van leden-beroepsgenoten die in dezelfde beroepsgroep in de zorg werkzaam zijn of zijn geweest, inherent is aan de tuchtrechtspraak in de gezondheidszorg. Ook bij een inhoudelijke beoordeling zou het verzoek dus niet zijn gehonoreerd.

4.5       Gelet op het hiervoor onder 4.3 overwogene zal verzoekster niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek. De behandeling van de hoofdzaak zal nu worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking.

5. De beslissing

De wrakingskamer verklaart verzoekster niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven op 22 september 2025 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, en W.P. Claus en W.R. Kastelein, lid-jurist, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.

secretaris                                                                                                                 voorzitter