ECLI:NL:TGZRZWO:2025:110 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/7999

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:110
Datum uitspraak: 26-09-2025
Datum publicatie: 02-10-2025
Zaaknummer(s): Z2025/7999
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een arts (in opleiding tot bedrijfsarts) kennelijk ongegrond. Klaagster kwam meerdere keren op consult bij verweerster in verband met verzuimbegeleiding. Na de eerste afspraak constateerde verweerster dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie tussen klaagster en haar werkgever, en geen medische beperking in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter (WVP). Vervolgens stelde verweerster vast dat er wel een medische beperking was. Bij het laatste consult concludeerde verweerster dat de klachten van klaagster niet meer als medische beperking konden worden aangemerkt. Klaagster verwijt de arts onder andere dat zij onvoldoende informatie had het advies te komen, een verkeerde diagnose heeft gesteld, onjuiste rapportages heeft opgesteld en haar onheus heeft bejegend. Het college oordeelt dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, zo zijn de keuzes van de arts navolgbaar en van onjuiste verslaglegging is niet gebleken.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 26 september 2025 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

destijds arts,

destijds werkzaam inD,

verweerster, hierna ook: arts,

gemachtigde: mr. M. Christe, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort

1.1     Klaagster kwam in 2018 drie keer op consult bij verweerster in verband met verzuimbegeleiding. Na de eerste afspraak constateerde verweerster dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie tussen klaagster en haar werkgever, en geen medische beperking in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter (WVP). Vervolgens stelde verweerster vast dat er wel een medische beperking was. Bij het laatste consult concludeerde verweerster dat de klachten van klaagster niet meer als medische beperking konden worden aangemerkt. Klaagster is het niet eens met verweerster en ontevreden over verschillende aspecten rondom de gegeven verzuimbegeleiding.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure

2.1    Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 januari 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 maart 2025;
  • repliek, ontvangen op 11 en 19 mei 2025;
  • dupliek, ontvangen op 6 juni 2025.
     

2.2    Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1     Klaagster had zich op 11 juli 2018 ziekgemeld. Het eerste consult tussen klaagster en verweerster, destijds arts in opleiding tot bedrijfsarts, was op 17 juli 2018. Naar aanleiding van wat er met klaagster is besproken constateerde verweerster dat er sprake was van een arbeidsconflict en er geen medische beperkingen waren bij klaagster.
 

3.2     De volgende afspraak was op 2 augustus 2018. Verweerster stelde vast dat er naast de verstoorde werkverhouding nu ook spanningsklachten bij klaagster speelden. Verweerster vertelde informatie bij de huisarts van klaagster op te gaan vragen en verzocht om toestemming. Klaagster gaf schriftelijke toestemming. Daarnaast adviseerde verweerster klaagster om twee weken afstand te nemen van het werk en zich te oriënteren op een behandeling.

3.3      Verweerster probeerde op 16 augustus 2018 contact te krijgen met de huisarts van klaagster, dat lukte niet. Op 21 augustus 2018 vond weer een afspraak plaats. Die dag had verweerster contact met de huisarts. Daarover noteerde zij het volgende (letterlijk overgenomen):


’’teruggebeld door mw. E
Verbaasd over verzoek telefonisch contact, aangezien geen verzekerde zorg, wil alleen schriftelijk informatie verstrekken
uitgelegd dat ik gezien vorige consult zorg om mevrouw had.  collega gaf aan mevrouw hedenochtend nog te hebben gezien. Ze staat bekend als rationeel, niet op de hoogte van een arbeidsconflict/probleem op de arbeidsvloer. Geen reden tot zorg, mentaal belastbaar. Wilde diagnose niet telefonisch bespreken, gaat mij brief sturen.’’


Naar aanleiding van de afspraak constateerde verweerster dat klaagster nog klachten had, maar deze niet meer gebaseerd waren op ziekte en dus niet als medische beperking in het kader van de WVP konden worden aangemerkt. Het advies aan klaagster was om nogmaals te proberen om een gesprek met de werkgever aan te gaan om een oplossing te zoeken.

3.4       Bij brief van de huisarts van 23 augustus 2018 aan verweerster, schrijft de huisarts dat klaagster wel degelijk ziek is (vitamine B12-tekort vastgesteld in 2017), alsmede dat de stress ten gevolge van de situatie op het werk, die door de leidinggevende en verweerster als conflictsituatie wordt bestempeld, het herstel van klaagster belemmert en maakt dat haar klachten verergeren.

3.5       Klaagster stuurde verweerster een e-mail op 24 augustus 2018, waarin zij aangaf het niet eens te zijn met de gang van zaken en geen vertrouwen meer te hebben in verweerster. Op verzoek van klaagster is de verdere verzuimbegeleiding aan een collega-arts overgedragen.

4. De klacht en de reactie van verweerster
 

4. Klaagster maakt verweerster de volgende verwijten:

  1. dat zij onvoldoende informatie had om tot een beoordeling/advies te kunnen komen (zij heeft niet gevraagd naar klaagster haar klachten, gezondheid en of zij wel kon werken, heeft geen onderzoek gedaan en geen nadere informatie ontvangen terwijl dat wel was toegezegd);
  2. dat zij een verkeerde diagnose heeft gesteld en een onjuiste behandeling heeft ingezet: klachten zijn niet serieus genomen en er is onterecht vastgesteld dat er sprake was van een arbeidsconflict en niet van medische beperkingen (ziekte);
  3. dat zij onjuiste rapportages heeft opgesteld: onwaarheden in verslaglegging zoals over het contact met de assistente van de huisarts, ontbreken van het verstrekken van informatie over mogelijkheden voor klaagster;
  4. dat zij de afspraken niet is nagekomen (huisarts consulteren): er is niet voorafgaand aan het consult op 21 augustus 2018 overleg geweest met de huisarts;
  5. dat zij onterecht het dossier heeft gesloten, terwijl niet naar klaagster haar klachten werd geluisterd, niet was voldaan aan de afspraak (contact met huisarts) en niet is verteld op grond waarvan het dossier werd gesloten;
  6. grensoverschrijdend gedrag/onheuse bejegening (ongewenste omgangsvormen).
     

4.2     Verweerster heeft het college verzocht de klacht in zijn geheel ongegrond te verklaren.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de arts (in opleiding tot bedrijfsarts) de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.2     Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.3     Het college stelt voorop dat bij de tuchtrechtelijke toetsing een zorgverlener alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen handelen. Dat betekent in deze zaak dat verweerster niet aangesproken kan worden voor het handelen van collega’s waar zij niet bij betrokken was, zij hebben namelijk een eigen professionele verantwoordelijkheid. Het staat vast dat verweerster betrokken was tot en met 24 augustus 2018. Voor zover klaagster verwijten heeft bedoeld te maken die zien op de periode daarna kunnen die verweerster niet persoonlijk tuchtrechtelijk worden verweten.

Klachtonderdeel a) onvoldoende informatie
5.4     Klaagster verwijt verweerster dat zij onvoldoende informatie had om tot
een beoordeling en advies te komen, omdat zij tijdens de consulten niet heeft gevraagd naar klaagsters klachten/gezondheid en of zij wel kon werken. Volgens klaagster heeft verweerster ook geen onderzoek gedaan en nadere informatie ontvangen terwijl dat wel was toegezegd. Verweerster heeft in reactie hierop aangegeven dat zij op basis van haar gesprekken met klaagster, de informatie van de werkgever en de telefonische informatie van de huisarts over voldoende informatie beschikte om de situatie van klaagster te kunnen beoordelen en daarover te adviseren.

5.5     Het college volgt verweerster in haar uitleg. Niet is gebleken dat er onvoldoende
informatie was om na het eerste en tweede consult tot een advies te komen. Verder heeft verweerster voor het derde (en laatste) consult telefonisch contact gehad met de huisarts en informatie ontvangen over de mentale belastbaarheid van klaagster. Het gesprek met de huisarts staat genoteerd in het dossier. Verweerster mocht ervan uit gaan dat de brief van de huisarts daarna niet wezenlijk anders zou zijn dan de informatie die zij kreeg tijdens het telefoongesprek met de huisarts. Vervolgens is het aan de (bedrijfs)arts zelf om een eigen oordeel te vormen. Overigens heeft klaagster niet duidelijk gemaakt welke informatie ontbrak en welk verwijt verweerster op dat punt valt te maken. Klachtonderdeel a is daarmee ongegrond.

Klachtonderdelen b) en c) verkeerde diagnose, onjuiste behandeling en onjuiste rapportages/verslaglegging
5.6     Verweerster heeft naar het oordeel van het college terecht opgemerkt dat zij geen
diagnose heeft gesteld of klaagster heeft behandeld. Zij heeft enkel − in het kader van verzuimbegeleiding − beoordeeld of sprake was van ziekte en/of gebrek in relatie tot de werkzaamheden van klaagster. Het college gaat uit van de juistheid van het medisch dossier en ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Van onjuiste verslaglegging door verweerster, zoals door klaagster is gesteld, is niet gebleken en dit is ook niet onderbouwd. Gelet op het medisch dossier en de daarin beschreven observaties en overwegingen, acht het college het advies en de beoordeling door verweerster — ook al hebben de drie consulten verschillende uitkomsten — navolgbaar.

5.7     Daarnaast biedt het dossier geen aanknopingspunten voor de stelling van klaagster dat verweerster de (gezondheids)klachten van klaagster niet serieus heeft genomen. Ook blijkt uit het dossier dat verweerster meerdere malen klaagster van informatie heeft voorzien, zoals de mogelijkheid tot het vragen van een deskundigenoordeel bij het UWV. De stelling van klaagster dat zij niet is geïnformeerd over keuzemogelijkheden kan daarom evenmin slagen. Gelet op het voorgaande zijn klachtonderdelen b en c ongegrond.

Klachtonderdeel d) afspraken niet nakomen
5.8     Klaagster verwijt verweerster dat er niet voorafgaand aan het consult op 21
augustus 2018 overleg is geweest met de huisarts. Uit het medisch dossier blijkt dat er op 21 augustus 2018 telefonisch contact is geweest tussen verweerster en de huisarts. Hoewel dit contact niet uitgebreid was, is de mentale belastbaarheid van klaagster wel besproken. Ook blijkt dat verweerster op 16 augustus 2018 heeft gebeld met de huisarts, maar dat de huisarts op dat moment niet bereikbaar was. Daaruit volgt dat verweerster heeft geprobeerd om de huisarts voorafgaand aan het derde consult van 21 augustus 2018 te spreken. Van het niet nakomen van afspraken op dit punt is dan ook geen sprake, zodat verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel d is eveneens ongegrond.

Klachtonderdeel e) onterecht sluiten dossier
5.9     Uit het medisch dossier blijkt dat tijdens het derde consult is gesproken en uitleg gegeven aan klaagster over het afsluiten van het traject. Daarbij is verder vermeld dat de klachten die klaagster nog wel ervaart, volgens verweerster niet zijn gebaseerd op ziekte of gebrek. Wel wordt er een nieuwe afspraak eind september/begin oktober op het arbeidsomstandighedenspreekuur (preventieve spreekuur) gemaakt. Deze handelwijze getuigt naar het oordeel van het college juist van zorgvuldigheid, omdat daarmee een vinger aan de pols wordt gehouden. Verweerster heeft daarbij gehandeld zoals van haar in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden. Klachtonderdeel e is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel f) grensoverschrijdend gedrag/onheuse bejegening
5.10     Hoewel het duidelijk is dat de consulten in augustus 2018 veel met klaagster hebben gedaan en het te betreuren is dat zij zich niet gehoord voelde, kan niet worden vastgesteld of sprake is geweest van onheuse bejegening of grensoverschrijdend gedrag door verweerster waardoor zij klachtwaardig zou hebben gehandeld. Dat oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag kunnen worden gelegd. Die feiten kunnen, omdat partijen elkaar hierover tegenspreken, niet worden vastgesteld. Los van het feit dat een precieze reconstructie niet mogelijk is, moet in aanmerking worden genomen dat een en ander heeft plaatsgevonden in een interactie tussen mensen en daarmee ook altijd onderhevig is aan persoonlijke interpretatie. Mogelijk is het optreden van verweerster anders overgekomen dan bedoeld, maar ook hieromtrent kan het college niets vaststellen.
Dit klachtonderdeel is om die reden ongegrond.

Slotsom
5.11     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
 

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 26 september 2025 door M.J.C. Dijkstra, voorzitter,

G. Koster en M. Prenger, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     
  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.