ECLI:NL:TGZRSHE:2025:99 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7373
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:99 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-08-2025 |
| Datum publicatie: | 27-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7373 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster heeft eenmaal een consult gehad met een waarnemend arts. Zij en haar echtgenoot (klager) verwijten haar onder meer dat zij niet twee doorverwijzingen naar een specialist heeft gegeven en dat de verwijsbrief aan de KNO-arts smadelijk is omdat hierin onnodige zaken staan over klagers. Het college oordeelt dat klager in een aantal klachtonderdelen niet kan worden ontvangen omdat hij daarbij geen direct belang heeft. Behandeling en doorverwijzing zijn volgens de regels. Het college acht de informatie in de verwijsbrief aan de KNO-arts, met uitzondering van een per vergissing opgenomen notitie van een telefoongesprek met klager, relevant en noodzakelijk. De klachtonderdelen zijn ongegrond. |
H2024/7373
Beslissing van 27 augustus 2025
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 27 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
en
[C],
wonende in [B],
klager,
tegen
D,
huisarts, werkzaam in [E],
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster had op 2 november 2020 een dubbelconsult bij verweerster als waarnemend
huisarts.
Klaagster uitte meerdere klachten. Een familielid, dermatoloog, had haar uitgelegd
dat zij vanwege
die klachten moest worden doorverwezen naar een KNO-arts en naar een neuroloog.
Verweerster verwees
haar alleen naar een KNO-arts. Klaagster was daar boos over, want zij wenste twee
doorverwijzingen,
en verliet de spreekkamer. De echtgenoot van klaagster (klager) heeft naar aanleiding
hiervan
telefonisch contact opgenomen met de praktijk, omdat hij verweerster wilde spreken
over (onder
andere) het feit dat zij klaagster niet ook naar een neuroloog wilde doorverwijzen.
In het
telefoongesprek van diezelfde dag met klager legde verweerster haar beleid nogmaals
uit. Zij heeft
klaagster niet alsnog naar een neuroloog verwezen.
1.2 Volgens klagers heeft verweerster klaagster onheus en gejaagd bejegend, heeft
zij onvoldoende
onderzoek verricht en een verkeerde diagnose gesteld en heeft ze klaagster onterecht
niet ook
verwezen naar een neuroloog. In de verwijsbrief aan de KNO-arts heeft verweerster
bovendien
smadelijke gegevens over klagers opgenomen en daarmee onder meer haar beroepsgeheim
geschonden.
Verweerster heeft tevens de privacy van klagers geschonden door onbevoegd gebruik
te maken van de
UZI-pas (een soort elektronisch paspoort) van een collega-waarneemster, die daardoor
toegang had tot het dossier van klaagster.
1.3 Verweerster heeft de aan haar gemaakte verwijten gemotiveerd weersproken.
1.4 Het college komt tot het oordeel dat klager in een aantal klachtonderdelen
niet-ontvankelijk is en verklaart alle klachtonderdelen ongegrond. Hierna licht
het college dat
toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- de brief van de secretaris aan klagers van 13 augustus 2024;
- het (aangepaste) klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 september 2024;
- de USB-stick, ontvangen van klagers op 6 september 2024;
- brief van 12 oktober 2024 met bijlagen, ontvangen van klagers;
- het verweerschrift, ontvangen op 4 december 2024;
- nagekomen stukken, ontvangen van klagers.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 juli 2025. Klagers zijn, ondanks
daartoe
behoorlijk te zijn opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet verschenen.
Verweerster is
verschenen. Zij werd bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerster en haar gemachtigde
hebben het
standpunt van verweerster toegelicht en vragen van het college beantwoord.
3. De feiten
3.1 Verweerster heeft als waarnemend huisarts klaagster op 2 november 2020 in een
uitgesteld
(dubbel)consult gesproken.
3.2 In het dossier staat daarover het volgende genoteerd [letterlijk citaat]:
“CONTACT:
Referentie nummer: 31
Lokale code: 03 consult ( WCIA14V3 – NHG ) Datum: 02-11-2020
01 47 Subjectief
Ongeclassificeerd
[naam verweerster]: geagiteerde patiente met een
lijst aanklachten en eist twee verwijzingen naar de KNoarts en naar de neuroloog
maar weet niet
naarwelke. Heeft een arts geraadpleegd in het [naam ziekenhuis] Dr [naam arts] een
professor die
zegtdat ze naar allebei despecialismen tegelijk moet.
Heeft lang gewacht metkomen naar de Ha vanwege angst voor covid. ziektebeloop: september
bulten nek
en hoofd. oktoberhard geluid continue in het linkeroor. Verteltook dat ze in 2019
draaiduizelig is
geweest metverlammingen.
Referentie: 19
01 48 Objectief
Ongeclassificeerd
RR 180/100 mm Hg ( boos) KNO ADs gave
TvHZglobaal intact, pupilreacties op licht isocoorconsensueel; coordinatie, kracht
,gevoel
,ganggeen afw; Barree ook geen afwijkingen.
Referentie: 19
01 50 Plan
Ongeclassificeerd
Dd tinnitus, hoofdpijn, geen manueel
therapiegedaan, neusspray continue gebruikt, eerste vwbKNO arts maken patiente belt
door naar
welkziekenhuis ze wilt gaan, verlaat de spreekkamerzeer boos op mij omdat ik de
verwijsbrieveneen
voor een maak, ik denk dat het meer zin heeftde specialisten een voor een dan tegelijkertijdraad
te
plegen, en wanneer dat toch medischnoodzakelijk mocht zijn kan de kno arts ook interndoorverwijzen.
nu geen medische indicatie voorspoed consultatie neuroloog
gevonden
Referentie: 19
01 49 Evaluatie Diagnose tinnitus
Referentie: 19
Diagnose: H03.00 Oorsuizen/tinnitus ( ICPC1V02 - NHG )
CONTACT:
Referentie nummer: 32
Lokale code: 03 consult ( WCIA14V3 – NHG ) Datum: 02-11-2020
01 51 Subjectief
Ongeclassificeerd
[naam verweerster] : tc ( DA: echtgenoot
terugbellen[telefoonnummer]); teruggebeld met de echtgenoot, allesuitgelegd waarom
dit zo gelopem
is, dat er eenverwijzing is naar de KNo arts en geen indicastievoor een spoedverwijzing
naar de
neuroloog zoalspatiente en echtgenoot wensen.
Echtgenootconcludeert dat ze niet content zijn en dat hiermogelijk een klacht van
komt.
Referentie: 19
CONTACT:
Referentie nummer: 33
Lokale code: 05 telefonisch conta ( WCIA14V3 - NHG ) Datum: 02-11-2020
01 52 Subjectief Ongeclassificeerd echtgenoot:wil een verwijzing naar kno-arts
in[naam
ziekenhuis], dr. [naam arts]. Hoe krijgen
ze deverwijsbrief? Hoe horen ze iets over de afspraak?Al aan de huisarts doorgegeven
om
` terug gebeld teworden?
Referentie: 19
01 53 Plan
Ongeclassificeerd
uitleg dat de verwijzing digitaal gaat via eenbeveiligde site. Vanuit [plaatsnaam]
komt er danbericht of ze haar kunnen helpen en wanneer.Toegezegd om een kopie van
het zorgdomein nummernaar hun toe te mailen.
Gevraagd of er vanuit dezorgverzekering toestemming is om hiernaar toe tegaan ->
mevr. moet
hierheen en zal dit dan verdermet de verzekering regelen. Huisarts nog nietterug
gezien maar ik zal
het doorgeven.
Referentie: 19
CONTACT:
Referentie nummer: 34
Lokale code: 05 telefonisch conta ( WCIA14V3 - NHG )
Datum: 02-11-2020
01 54 Subjectief
Ongeclassificeerd
echtgenoot eist teruggebeld te worden door
dehuisarts. Gaat haar anders helemaal door de mangeltrekken. Hun zijn de klant.
Referentie: 19”
3.3 In de verwijsbrief aan de KNO-arts van diezelfde datum staat onder meer vermeld
[letterlijk
citaat, lay-out aangepast]:
“Kerndeel
02-11-2020 17:01
Geachte collega,
Reden van verwijzing,vraagstelling
al langer tinnitus klachten linkeroor, gebruikt chronisch neusspray zonder effect,
alsof er een
trein door het oor raast, non stop en hoofdpijn, gehoor goed, neurol global zonder
afw, graag uw
verdere diagnostiek
Journaal Overige journaalinformatie zie journaal
(S) – [naam verweerster]: patiente komt met een lijst aan klachten en eist twee
verwijzingen naar
de KNo arts en naar de neuroloog maar weet niet naar welke. Heeft een arts geraadpleegd
in het
[naam ziekenhuis] Dr [naam arts] een professor die zegtdat ze naar allebei de specialismen
tegelijk
moet. Heeft lang gewacht met komen naar de Ha vanwege angst voor covid. ziekte beloop:
september
bulten nek en hoofd. oktober hard geluid continue in het linkeroor. Vertelt ook
dat ze in 2019
draaiduizelig is geweest met verlammingen.
deelcontact 02-11-2020
(0) - Rr 180/100 mm Hg ( boos) KNo ADs gave Tv HZ lobaal intact coordinatie kracht
gevoel gang geen
afw
(E) - tinnitus
(P) - Dd tinnitus, hoofdpijn, geen manueel therapie gedaan, neusspray continue gebruikt,
eerste vwb
KNo arts maken patiente belt door naar welk ziekenhuis ze wilt gaan, verlaat de
spreekkamer zeer
boos op mij omdat ik de verwijsbrieven liever een voor een maak, ik denk dat het
meer zin heeft de
specialisten een voor een dan tegelijkertijd raad te plegen deelcontact 02-11-2020
(S) – [naam verweerster] : tc ( DA: echtgenoot terugbellen [telefoonnummer]) deelcontact
02-11-2020
(S) echtgenoot:wil een verwijzing naar kno-arts in [naam ziekenhuis, dr. [naam arts].
Hoe krijgen
ze de verwijsbrief? Hoe horen ze iets over de afspraak? Al aan de huisarts doorgegeven
om terug
gebeld te worden?
(P) - uitleg dat de verwijzing digitaal gaat via een beveiligde site. Vanuit [plaatsnaam]
komt er
dan bericht of ze haar kunnen helpen en wanneer. Toegezegd om een kopie van het
zorgdomein nummer
naar hun toe te mailen. Gevraagd of er vanuit de zorgverzekering toestemming is
om hiernaar toe te
gaan -> mevr. moet hierheen en zal dit dan verder met de verzekering regelen. Huisarts
nog niet
terug gezien maar ik zal het doorgeven.
deelcontact 02-11-2020
(S) - echtgenoot eist teruggebeld te worden door de huisarts. Gaat haar anders helemaal
door de
mangel trekken. Hun zijn de klant.
(….)
Procedurevoorstel Verdere diagnostiek
Contra-indicaties m.b.t medicatie DEPRESSIE
(…)
3.4 Op 5 november 2020 wordt klaagster gezien door de KNO-arts die zijn bevindingen
op 11
november 2020 aan de vaste huisarts van klaagster terugkoppelt. In zijn brief schrijft
hij onder
meer:
“(…) Bovengenoemde patiënte werd op 05-11-2020 gezien op de Polikliniek keel-, neus-
en
oorheelkunde vanwege oorsuizen links. Van een bevriend arts had zij het advies gekregen
om een
KNO-arts en een neuroloog te bezoeken en om een scan te vragen.
(…)
Beleid
Patiënte kreeg uitleg over tinnitus. De relatie met stress en vermoeidheid werd
besproken. Er zijn
in het geheel geen aanwijzingen dat er een maligniteit in het spel is; patiënte
en haar echtgenoot
werden op dit punt gerustgesteld. Ik zie geen indicatie voor een scan, evenmin voor
een consult
neuroloog. De mogelijkheid van intake bij onze tinnitus-psycholoog werd besproken,
maar daar wil
zij nog over nadenken. Het lijkt mij raadzaam om de nekklachten te laten beoordelen
door een
fysiotherapeut. Mocht deze daartoe aanleiding zien, dan is een consult neuroloog
te overwegen.
Vanwege de neusverstopping werd patiënte aangeraden de neus te spoelen met fysiologisch
zout water.
Bij terugkerende klachten is een allergietest geïndiceerd.(…)”
3.5. Verweerster heeft klaagster na 2 november 2020 niet meer op consult gehad. Ook
zijn er
sindsdien geen contacten meer geweest met klager.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klagers verwijten verweerster:
a. handelen in strijd met de zorgplicht;
b. ongeoorloofde beïnvloeding van een opvolgende zorgverlener;
c. schending van het beroepsgeheim;
d. schending van de privacy;
e. het plegen van smaad en laster;
f. ongeoorloofd systeemgebruik.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Is klager ontvankelijk in de klachtonderdelen?
5.1 Het college zal eerst moeten beoordelen of klager in zijn klacht kan worden
ontvangen, gelet
op het volgende. In artikel 65 lid 1 sub a Wet BIG is bepaald dat een klacht aanhangig
kan worden
gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende. Om als rechtstreeks belanghebbende
te kunnen worden
aangemerkt, dient sprake te zijn van een concreet eigen belang dat kan worden geplaatst
in het
kader van de individuele gezondheidszorg.
Klager heeft ten aanzien van een aantal klachtonderdelen geen concreet eigen belang
(gesteld). Het
gaat immers om de zorgverlening aan klaagster en niet aan klager. Dat betekent dat
klager
niet-ontvankelijk is in zijn klacht als het gaat om de klachtonderdelen a, b en
f.
Dat is anders waar het gaat om (het delen van de inhoud van) een telefoongesprek
van 2 november
2020 tussen de assistente van de huisarts en klager. Klager kan wel worden
ontvangen in de klachtonderdelen die daarop betrekking hebben. Het gaat daarbij
immers om
opmerkingen die tijdens dat telefoongesprek door hem zijn gemaakt en die in het
dossier van klagers
echtgenote zijn opgenomen. Dat betreft de klachtonderdelen c, d en e. Die klachtonderdelen
zullen
ook voor wat betreft het belang van klager inhoudelijk worden beoordeeld.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) handelen in strijd met de zorgplicht
5.3 Volgens klaagster heeft verweerster (1) klaagster onheus en gejaagd bejegend
tijdens het
spreekuur op 2 november 2020, heeft zij (2) onvoldoende onderzoek laten doen voor
het stellen van
een goede diagnose en behandeling en heeft zij (3) haar ten onrechte niet verwezen
naar een
neuroloog terwijl er indicaties waren voor neurologisch onderzoek. Klaagster had
namelijk last van
spanningshoofdpijn, draaiduizeligheid en verlamming.
5.4 Verweerster voert verweer. Zij betwist dat zij klaagster onheus en gejaagd heeft
bejegend. Zij voert aan dat ze zorgvuldig heeft geluisterd naar de klachten van
klaagster en, gelet
op de veelheid van klachten, heeft besloten om tijdens dit dubbelconsult eerst de
twee
hoofdklachten te behandelen, omdat deze naar haar inschatting op dat moment het
meest urgent voor
klaagster waren. Dit waren het oorsuizen en de hoofdpijn. Dat zij een keuze heeft
gemaakt voor deze
twee hoofdklachten had niets te maken met gejaagdheid maar met het feit dat dit
gebruikelijk is in
een situatie zoals deze, waarin ook binnen het tijdsbestek
van een dubbelconsult niet alle klachten kunnen worden behandeld. Zij heeft daarop
zorgvuldig de
anamnese afgenomen en toereikend onderzoek verricht. Zij heeft klaagster naar de
KNO-arts verwezen om de (oorzaak van de) tinnitus zo gauw mogelijk te kunnen behandelen.
Zij zag op dat moment geen reden voor een verwijzing naar een neuroloog. De bevindingen
van
verweerster naar aanleiding van het neurologisch onderzoek gaven geen afwijkingen
en ook de bloeddruk was niet afwijkend. Doorverwijzing naar de neuroloog kon ook nog plaatsvinden
als de verwijzing naar de KNO-arts niets opleverde of wanneer de KNO-arts dat nodig zou
vinden.
Verweerster adviseerde klaagster om in een volgend consult met de eigen huisarts
de hoofdpijn
verder te bespreken. Klaagster had namelijk al eerder (in oktober 2020) een
gesprek met haar eigen huisarts over hoofdpijn gehad. Klaagster liep tijdens de
bespreking boos de
spreekkamer uit toen zij begreep dat verweerster geen verwijzing naar de neuroloog
wilde geven. In
een telefoongesprek later op die dag met klager heeft verweerster haar beleid nogmaals
toegelicht.
5.5 Het college overweegt als volgt.
Klaagster stelt dat verweerster haar onheus en gejaagd heeft bejegend en verweerster
betwist dat.
Omdat de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en
het college niet
kan vaststellen welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan het verwijt
dat is gebaseerd
op de lezing van klaagster niet gegrond worden bevonden. Dat brengt mee dat niet
kan worden vastgesteld of verweerster op dit punt klachtwaardig heeft gehandeld. Dit
oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient
dan dat van verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten
gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten
daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college, ook als
aan het woord van
klaagster en van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.
Dit
klachtonderdeel is daarom in zoverre ongegrond
5.6 Ten aanzien van de twee overige verwijten in dit klachtonderdeel overweegt het
college als
volgt. Vooropgesteld wordt dat ten tijde van het consult sprake was van een uitbraak
van corona met
de daarbij behorende beperkende maatregelen en bijzondere
afspraken. Een van de afspraken binnen de zorg betrof dat met terughoudendheid moest
worden
doorverwezen naar de specialist en dat tenminste een noodzaak bestond voor de doorverwijzing.
Uit het dossier en de toelichting ter zitting blijkt dat verweerster zorgvuldig
(neurologisch)
onderzoek heeft gedaan. Zij heeft klaagster uitgebreid onderzocht en voldoende uitgevraagd.
Uit het dossier blijkt verder, en verweerster heeft dat ook voldoende toegelicht,
dat geen sprake
was van neurologische alarmsignalen die maakten dat zij klaagster ook naar een
neuroloog had moeten verwijzen. Klaagster liep en bewoog normaal. De hoofdpijn was
niet acuut en
als zodanig niet alarmerend. De verlammingen en draaiduizeligheid dateerden al van
meer dan een
jaar geleden en vormden voor de vaste huisarts van klaagster al langer geen reden
voor een
verwijzing.
Vanwege de bijzondere situatie (corona) diende een verwijzing naar de neuroloog
bovendien te worden
voorzien van een duidelijke en goed onderbouwde onderzoeksvraag, die verweerster
op grond van de
klachten die klaagster op dat moment had en op grond van de resultaten van haar
onderzoek niet kon formuleren. Wel had verweerster voor wat betreft de tinnitus en
de hoofdpijn gezorgd voor verwijzing naar een KNO-arts. Mocht de tinnitus dan wel
de hoofdpijn geen voor de KNO-arts aanwijsbare oorzaak hebben, dan was het mogelijk
geweest om klaagster door te verwijzen naar de neuroloog.
Het college is dan ook van oordeel dat verweerster zorgvuldig en met inachtneming
van de bijzondere
omstandigheden heeft kunnen oordelen dat een verwijzing naar de KNO-arts vooralsnog
volstond.
Verweerster kan wat deze twee punten betreft geen verwijt worden gemaakt. Dit klachtonderdeel
is
daarmee ongegrond.
5.7 Voor zover klaagster er ook over heeft willen klagen dat verweerster haar onheus
heeft
bejegend door haar in het kader van de verwijzing naar de naam van een KNO arts
te vragen,
overweegt het college als volgt. Het college acht het niet verwijtbaar dat verweerster
haar heeft
gevraagd of zij een voorkeur had voor een verwijzing naar een bepaalde KNO-arts.
Integendeel, het college acht het, zeker omdat verweerster wist dat klaagster al overleg had
gevoerd met een in een ziekenhuis werkzaam arts-familielid over haar klachten, zorgvuldig
om ook na te gaan of zij al een bepaalde arts op het oog had naar wie zij graag doorverwezen
wilde worden. Daar komt nog bij dat het niet mogelijk is om een “blanco verwijzing”
te verstrekken.
Verweerster moest in ieder geval weten naar welk ziekenhuis klaagster verwezen wilde
worden.
Klachtonderdeel b) ongeoorloofde beïnvloeding van een opvolgende zorgverlener
5.8 Klaagster verwijt verweerster dat de verwijsbrief aan de KNO-arts smadelijke
en lasterlijke
gegevens bevat, die de KNO-arts negatief hebben beïnvloed, zoals:
“Patiënte komt met een lijst aan klachten en eist twee verwijzingen naar de KNO-arts
en de
neuroloog”, “verlaat de spreekkamer zeer boos omdat ik de verwijsbrieven liever
een voor een maak”,
“echtgenoot eist teruggebeld te worden. Gaat haar anders helemaal door de
mangel halen”, en “contra-indicaties: depressie”.
Volgens klaagster heeft verweerster daarmee de kwaliteit en de continuïteit van
de zorg aan
klaagster geschaad en ondermijnd. De KNO-arts is hiermee namelijk op ongeoorloofde
wijze beïnvloed
in zijn oordeelsvorming en advisering, waardoor klaagster niet de onbevangen zorg
kreeg die ze
moest krijgen.
5.9 Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat zij het voor de verwijzing noodzakelijk
en
relevant vond de informatie over klaagster te vermelden zoals zij deze heeft opgenomen
in de
verwijsbrief. Zij wilde een totaalbeeld van (de situatie van) klaagster schetsen
aan de KNO-arts.
Zij wilde met die informatie ook aandacht geven voor de lijdensdruk die klaagster
als gevolg van de
tinnitus ervoer, de emotie en de dringende wens van klaagster om ook
naar een neuroloog te worden doorverwezen en dit aan de KNO-arts meegeven. Verweerster
erkent dat
de telefoonnotitie die de assistente heeft gemaakt van het gesprek met de
echtgenoot van klaagster, waarin staat dat verweerster hem moet terugbellen omdat
“hij haar anders
door de mangel gaat halen. Hun zijn de klant”, niet in een verwijsbrief
thuishoort. Het spijt haar dat deze notitie wel in de verwijsbrief is meegenomen.
Dat is per abuis
gebeurd. Zij heeft daarvoor de volgende verklaring gegeven. In de verwijsbrief waren aanvankelijk
de twee deelcontacten van die dag opgenomen. Zij heeft de verwijsbrief later aangevuld met
de naam van de arts naar wie zij verwees. Op dat moment had nog een derde deelcontact plaatsgevonden,
te weten een telefoongesprek van de assistente met klager. Verweerster wist niet van
dat telefoongesprek en heeft niet opgemerkt dat deze
telefoonnotitie, automatisch als gevolg van de toevoeging van dit contact aan het
dossier van
klaagster, ook als deelcontact in de verwijsbrief was opgenomen. Als zij dat had
opgemerkt, had ze
die passage niet opgenomen. Ze betwist dat ze betreffende passage opzettelijk in
de verwijsbrief
heeft opgenomen.
5.10 Het college overweegt als volgt. In een verwijsbrief dient een arts gegevens
te verstrekken
die voor het doel van de verwijzing noodzakelijk en relevant zijn. Wat een arts
noodzakelijk en
relevant acht, kan meer zijn dan alleen medische informatie. De arts beoordeelt
zelf wat hij/zij
noodzakelijk en relevant acht. Het college beoordeelt slechts marginaal wat in dat
opzicht van een
redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts kan worden verwacht en of de arts
daarmee binnen de grenzen blijft van zijn beroepsgeheim. Het college acht het in deze
casus zorgvuldig en in het belang van klaagster dat verweerster heeft geprobeerd met
de door haar opgenomen informatie over klaagster een totaalbeeld te schetsen van haar
situatie,
om op die manier de KNO-arts zo volledig mogelijk te informeren.
De betreffende aanvullingen kunnen immers noodzakelijk en relevant zijn om de medisch
specialist het juiste startpunt te bieden voor diens onderzoek. In ieder geval heeft
klaagster, in
het licht van de aard van haar klachten en haar wens om ook naar een neuroloog te
worden
doorverwezen, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bedoelde informatie niet relevant
en noodzakelijk was voor het doel van de verwijzing. Het college volgt klaagster dan
ook niet in haar standpunt dat verweerster de KNO-arts met deze passage over klaagster
ongeoorloofd heeft beïnvloed.
5.11 Verweerster erkent dat de inhoud van het telefoongesprek tussen de assistente
en klager niet
noodzakelijk of relevant was voor de verwijsbrief. Dat de telefoonnotitie die daarvan
is gemaakt in de verwijsbrief is opgenomen, acht het college ongelukkig. Het college
acht het echter, mede gelet op haar toelichting ter zitting over de manier waarop
een verwijsbrief tot stand komt, aannemelijk dat verweerster simpelweg niet heeft
gezien dat inmiddels een derde deelcontact aan het dossier was toegevoegd, dat automatisch
in de verwijzing was opgenomen.
Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Zij is niet ter zitting
verschenen en
heeft daarmee de toelichting van verweerster onweersproken gelaten.
Dat de KNO-arts met de toevoeging van dit deelcontact aan de verwijsbrief op ongeoorloofde
wijze is
beïnvloed in zijn oordeelsvorming en advisering, kan het college niet vaststellen.
Uit het dossier
van klaagster, meer specifiek de verslaglegging van het consult bij de KNO-arts
op 5 november 2020,
blijkt dit in ieder geval niet. Het is bovendien niet aan het college om de gevolgen
van het
handelen van verweerster te beoordelen. Verweerster treft in het licht van het vorenstaande
geen
tuchtrechtelijk verwijt, waarmee klachtonderdeel b) ongegrond is.
Klachtonderdelen c) en d) de schending van het beroepsgeheim en het schenden van de
privacy van
klagers door de verzending van de verwijsbrief en door het gebruik van de UZI-pas
5.12 Het college heeft hiervoor onder punt 5.10 overwogen dat klaagster niet aannemelijk
heeft
gemaakt dat de mededelingen van verweerster over klaagster in de verwijsbrief niet
relevant en noodzakelijk waren voor het doel van de verwijzing. In het verlengde
hiervan kan ook
niet worden geoordeeld dat verweerster met het opnemen van deze informatie in de
verwijsbrief haar
beroepsgeheim heeft geschonden. Hetzelfde geldt voor de privacy van klaagster. Met
het opnemen van
de inhoud van de telefoonnotitie over het gesprek tussen de assistente en klager
in de
verwijsbrief, heeft verweerster evenmin haar beroepsgeheim noch de privacy van klager
geschonden.
De telefoonnotitie bevat immers geen (vertrouwelijke) informatie van of over klager,
zoals
persoonsgegevens of gegevens die in zijn persoonlijke levenssfeer liggen. Het gaat
om eigen
uitlatingen van klager in een telefoongesprek met een derde (de assistente). Het
klachtonderdeel is
in zoverre ongegrond.
5.13 Klagers verwijten verweerster ook dat zij haar beroepsgeheim en hun privacy
heeft geschonden
door onbevoegd gebruik te maken van de UZI-pas van een collega, waarmee die collega
deelgenoot werd
van het dossier van klaagster.
5.14 Verweerster betwist dat zij onbevoegd een UZI-pas heeft gebruikt. Zij heeft
ter zitting
toegelicht dat ze in de praktijk van de huisarts voor wie ze waarnam niet haar eigen
UZI-pas kon
gebruiken, omdat die daar niet werkte. Zij maakte gebruik van een waarnemerscode
die haar door de huisarts ter beschikking was gesteld, aldus verweerster.
5.15 Het college stelt voorop dat het technisch mogelijk is om zonder gebruik te
maken van een
UZI-pas toegang te verkrijgen tot de systemen waarmee huisartsen werken. Die toegang
kan ook worden
verkregen door gebruik te maken van een (waarnemers)code. Ter zitting heeft verweerster
verklaard
dat zij geen UZI-pas van een ander gebruikte en dat zij – omdat haar eigen UZI-pas
niet werkte -
werkzaam was via een door de praktijk aan haar ter beschikking gestelde waarnemerscode.
Klagers
hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Zij zijn ook niet ter zitting
verschenen en
hebben daarmee de toelichting van verweerster onweersproken gelaten. Dat betekent
dat niet is komen
vast te staan dat verweerster onbevoegd gebruik heeft gemaakt van een UZI-pas. Overigens
merkt het college op dat als een UZI-pas wordt gebruikt door een collega, dat nog
niet betekent dat de betreffende collega inzage heeft in en daarmee deelgenoot wordt
van het medisch dossier en de verwijsbrief. Het klachtonderdeel is ook wat dit betreft
ongegrond.
Klachtonderdeel e) het plegen van smaad en laster
5.16 Klagers verwijten verweerster dat de verwijsbrief aan de KNO-arts smadelijke
en lasterlijke
gegevens over hen bevat. Smaad betreft het opzettelijk de eer of goede naam van
een ander aantasten
door een concrete beschuldiging te uiten met het doel daar ruchtbaarheid aan te
geven. Het is het college niet duidelijk op grond waarvan de gegevens in de verwijsbrief
smadelijk zouden zijn. Het college heeft hiervoor in onder punt 5.10 al geoordeeld
dat de gegevens die verweerster in haar verwijsbrief over klaagster heeft opgenomen
relevant waren voor
de verwijzing, zodat alleen al daarom geen sprake kan zijn van smaad. Voor wat betreft
het delen
van de telefoonnotitie geldt eveneens dat geen sprake kan zijn van smaad. Het gaat
om het delen van
uitingen van klager zelf – klagers betwisten de juistheid daarvan niet - en het
college heeft
hiervoor al geoordeeld dat klagers niet aannemelijk hebben gemaakt dat van opzet
om deze notitie te delen sprake was. In het verlengde hiervan kan alleen al hierom
niet worden vastgesteld dat verweerster opzettelijk de eer of goede
naam van klagers heeft aangetast. Laster is het opzettelijk verspreiden van een
valse beschuldiging
om iemands reputatie te schaden, waarbij de dader weet dat de beschuldigingen onwaar
zijn. Die
situatie is ook niet aan de orde. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel f) ongeoorloofd systeemgebruik.
5.17 Onder punt 5.15 heeft het college reeds overwogen dat niet vast is komen te
staan dat
verweerster gebruik heeft gemaakt van een UZI-pas van een collega. Zij heeft zich
daarmee dus ook geen toegang kunnen verschaffen tot het systeem van de huisartsenpraktijk.
Van
onbevoegd systeemgebruik is dan ook geen sprake. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager niet-ontvankelijk is in de klachtonderdelen
a,
b en f. Het college verklaart voorts alle klachtonderdelen ongegrond.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen a, b en f;
- verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, K.A.J.C.M. van den
Berg Jeths- van
Meerwijk, lid-jurist, B.C.A.M. van Casteren-van Gils, N.B. van der Maas, en J.G.E.
Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T. Nijenkamp, secretaris, en in het
openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk op 27 augustus 2025.