ECLI:NL:TGZRSHE:2025:90 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7238
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:90 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-08-2025 |
| Datum publicatie: | 13-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7238 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht tegen huisarts. Berisping. Partner van de overleden patiënte verwijt de waarnemend huisarts schending van de dossierplicht, onvoldoende onderzoek, niet adequaat reageren op de door de familie geuite zorgen en niet adequaat reageren op de aansprakelijkheidstelling. Onvolledige dossiervorming. Ter voorkoming van tunnelvisie had de huisarts een bredere blik moeten hebben op het algehele functioneren van patiënte. Uitgebreider onderzoek, waaronder urineonderzoek, was nodig. Naar aanleiding van drie telefoontjes van de familie had huisarts zijn diagnose moeten heroverwegen en een tweede visite moeten afleggen Zorgplicht geldt ook tijdens de procedure van een aansprakelijkstelling, zodat een schadeclaim binnen een redelijke termijn kan worden afgehandeld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 13 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klager,
gemachtigde: mr. L. Brokken, werkzaam in Etten-Leur,
tegen
[C],
huisarts,
destijds werkzaam in [B], verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. J.A.M. de Kerf, werkzaam in Goes.
1. De zaak in het kort
1.1 De partner van klager (hierna: patiënte) is op vrijdagochtend --- door de
huisarts thuis
gezien in verband met veel pijn in haar rug, vergelijkbaar met de klachten die zij
vijf jaar eerder
had bij een niersteenaanval. Volgens de huisarts was hem op dat moment niet duidelijk
dat zij ook
kortademig en benauwd was. Hij heeft haar morfine en een recept voor diclofenac
gegeven. In de
middag is er telefonisch contact geweest met zowel patiënte, de zoon en de schoondochter
van
patiënte als ook met klager. In het begin van de avond is patiënte plots onwel geworden
en gestopt
met ademen. Reanimatie mocht niet meer baten. Uit obductie is gebleken dat zij een
acute
longontsteking van de gehele linkerlong had, mogelijk in combinatie met een bloedvergiftiging.
1.2 Klager klaagt erover dat in het dossier van patiënte vrijwel niets is genoteerd
en dat de
huisarts niet professioneel heeft gehandeld. Mede gelet op de medische voorgeschiedenis
van
patiënte had hij zich bij het onderzoek in de ochtend niet enkel moeten concentreren
op de pijn in
de rug maar een breder onderzoek moeten doen. Ook heeft hij in de daaropvolgende
contacten geen
adequate actie ondernomen. Vervolgens heeft hij ook niet adequaat op de aansprakelijkstelling
gereageerd.
1.3 De huisarts verzoekt het college de klachten ongegrond te verklaren.
1.4 Het college komt tot het oordeel dat de klachten gegrond zijn. Hierna licht het
college dat
toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 30 mei 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 25 juli 2024;
- de brief van 31 juli 2024 van de secretaris aan verweerder;
- het aanvullend verweerschrift, ontvangen op 23 augustus 2024;
- de repliek, ontvangen op 26 september 2024;
- de dupliek, ontvangen op 12 november 2024;
- het e-mailbericht van de gemachtigde van verweerder van 16 juni 2025, met bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 juni 2025. De partijen zijn
verschenen.
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben ieder een pleitnotitie voorgelezen
en aan het college
en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënte was sinds 26 maart 2021 ziek met misselijkheid, overgeven en diarree.
Op 29 maart
2021 heeft de vaste huisarts van patiënte gezegd hiervoor geen medicijnen te zullen
voorschrijven
omdat zij chronische lymfatische leukemie heeft gehad en heeft geadviseerd om af
te wachten. Op
donderdagavond 1 april 2021 kreeg patiënte veel pijn in haar rug, vergelijkbaar
met de klachten die
zij vijf jaar eerder had bij een niersteenaanval.
3.2 Klager heeft in de ochtend van --- rond 8:00 uur gebeld met de huisartspraktijk
en daarover
staat in het dossier van patiënte vermeld (alle citaten voor zover van belang en
letterlijk
weergegeven):
“Tel partner: heftige pijn in onderrug en buik.
Kortademig, temp niet opgenomen.
Plassen normaal, geen diarree klachten meer. Kan zich niet bewegen van de pijnklachten.
Zondag covid test neg.
Vandaag nieuwe afspraak covid test.”
De huisarts was op dat moment onderweg naar de praktijk; de assistente heeft telefonisch
aan hem
doorgegeven dat hij een visite moest afleggen bij patiënte vanwege een nierkoliek.
3.3 De huisarts is, als waarnemer in de huisartspraktijk, in de ochtend bij patiënte
thuis
geweest. Hij herkende de klachten als passend bij een niersteenaanval, heeft aan
de buik
van patiënte gevoeld en haar morfine gegeven tegen de pijn en een recept voor diclofenac
uitgeschreven. Over deze visite heeft de huisarts in het dossier van patiënte genoteerd:
“Sinds
vannacht pijn linker flank uitstralend naar abdominaal.
Temp. 36,9 Slagpijn li nierloge
Abdomen: drukpijn linkerzijde, no peristaltiek, geen defense of loslaatpijn
Urolithiasis
R/10 st diclofenac natr zetp 100m (2.1S)”
3.4 De schoondochter van patiënte heeft aan het einde van de ochtend van --- naar
de
huisartspraktijk gebeld en haar zorgen geuit omdat zij geen contact kreeg met de
patiënte. De
assistente heeft daarop rond 12.00 uur in de middag telefonisch contact opgenomen
met patiënte, die
haar mededeelde dat zij moe was, maar dat het goed met haar ging. De zoon van patiënte
heeft
vervolgens in de middag telefonisch contact met de huisarts gehad omdat hij zich
zorgen maakte. Bij
de niersteenaanval van vijf jaar eerder was namelijk bij patiënte bloedvergiftiging
opgetreden
waardoor zij op de intensive care opgenomen is geweest. Klager heeft vervolgens
rond 15.30 uur met
de huisartsassistente gebeld en zijn ernstige zorgen geuit over de benauwdheid van
patiënte en
daarbij het gorgelende geluid dat zij maakte, laten horen. Het leek volgens hem
alsof er iets los
kwam in haar keel. Na overleg met de huisarts heeft de assistente gezegd dat hij
het nog even moest
aankijken en dat bij toename van de klachten weer contact opgenomen moest worden.
3.5 In het begin van de avond is patiënte plotseling onwel geworden en gestopt met
ademen. Zij is
gereanimeerd, maar dit mocht niet meer baten. Patiënte is kort daarna overleden.
Na haar overlijden
is obductie uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat zij een acute longontsteking van
de gehele
linkerlong had, mogelijk in combinatie met een bloedvergiftiging. Er waren geen
aanwijzingen voor
een infectie aan de nieren of nierstenen.
3.6 Op 6 augustus 2021 heeft een medisch adviseur gerapporteerd over de vraag of
medisch
onzorgvuldig is gehandeld in de periode van 26 maart tot en met --- door de eigen
huisarts van
patiënte en de huisarts. De medisch adviseur komt tot de volgende conclusie: “Mijns
inziens is er
in onderhavige casus sprake van een tekort schieten in de zorg van de huisarts(enpraktijk).
In de
eerste visite wordt geen aandacht besteed aan de gepresenteerde klacht van kortademigheid,
althans
er is geen documentatie van bevindingen aangaande de kortademigheid. Op het daaropvolgend
contact
is geen adequate actie ondernomen. Mede gezien de medische voorgeschiedenis van
[naam patiënte] was
bij de gemelde klachten een directe herbeoordeling noodzakelijk.”
3.7 Klager heeft de huisartspraktijk op 25 augustus 2021 aansprakelijk gesteld,
waarbij de
schadeverzekeraar namens de praktijk is opgetreden. Na de reactie van de huisarts
van 24 november
2021 heeft de schadeverzekeraar op 22 december 2021 aanvullende vragen gesteld aan
de huisarts. Na
een rappel heeft hij deze vragen in het weekend van 21 mei
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij:
a) heeft gehandeld in strijd met de dossierplicht van art. 7:454 lid 1 BW;
b) heeft gehandeld in strijd met de professionele standaard (art. 7:453 BW);
c) heeft nagelaten adequaat te reageren op de aansprakelijkstelling van klager.
Hierdoor heeft
klager nodeloos lang in onzekerheid verkeerd.
4.2 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het is heel verdrietig dat klager zijn partner en de (klein)kinderen van patiënte
hun moeder
en oma hebben verloren. Hoewel nu vier jaren zijn verstreken, is duidelijk dat
dit gemis nog onverminderd aanwezig is. Wat er is gebeurd, heeft ook indruk gemaakt
op de huisarts.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Klachtonderdeel a) schending dossierplicht
5.3 Klager verwijt de huisarts dat hij vrijwel niets in het dossier van patiënte
heeft genoteerd,
zoals ook door de medisch adviseur in het rapport is vermeld. De benauwdheid van
patiënte tijdens
de visite ontbreekt, evenals het telefoontje van de zoon van patiënte en de bezorgdheid
die hij
hierin uitte. De huisarts stelt zich op het standpunt dat de assistente in de ochtend
niet aan hem
heeft doorgegeven dat er sprake was van kortademigheid en dat hem dat ook tijdens
de visite niet is
verteld. Hij kan dan vervolgens niet noteren wat er niet was. Verder erkent de huisarts
dat de
vastlegging van het consult in de ochtend beperkt is, maar voert hij aan dat de
symptomen duidelijk
op een nierkoliek wezen, zodat hij geen noodzaak zag om meer zaken te onderzoeken
en vast te
leggen.
5.4 Het college merkt op dat de medisch adviseur in het rapport van 6 augustus 2021
heeft
opgenomen dat hij in de dossiervorming veel mist over de visite aan patiënte op
vrijdagochtend,
zoals een algemene indruk, polssnelheid, ademhalingssnelheid, saturatie en longonderzoek.
Hij geeft
aan dat over de kortademigheid niets wordt vermeld.
5.5 Het college stelt voorop dat op de huisarts de verplichting rust om zorg te
dragen voor een
zorgvuldige en volledige dossiervorming van de zorg die hij aan patiënte heeft verleend.
Tussen
partijen bestaat discussie over de vraag of het de huisarts bekend was dat er sprake
was van kortademigheid bij patiënte. Uit het dossier blijkt dat door klager vroeg
in de ochtend aan de telefoon tegen de assistente is gezegd dat dit het geval was.
Volgens de huisarts heeft de assistente dit niet tegen hem verteld. Klager stelt dat
hij tijdens de visite heeft herhaald dat er sprake was van kortademigheid, hetgeen
door de huisarts wordt betwist. Het college
is van oordeel dat, ongeacht de vraag of de kortademigheid aan de huisarts is medegedeeld
door de
assistente of door klager tijdens de visite, de huisarts van het consult in de ochtend
meer in het
dossier had moeten noteren dan hij heeft gedaan. Ook in het geval van een, in de
visie van de
huisarts, duidelijke diagnose is het belangrijk om uitgebreider onderzoek te doen
dan hij heeft
gedaan en alle gegevens daarvan te noteren.
Daarnaast is het telefonisch contact met de zoon van patiënte niet in het dossier
genoteerd en
lijkt het telefonisch contact met de schoondochter later aan het dossier te zijn
toegevoegd. Gelet
op al het voorgaande heeft de huisarts dan ook de dossierplicht geschonden en is
dit
klachtonderdeel gegrond.
Klachtonderdeel b) handelen in strijd met de professionele standaard
5.6 Het verwijt van klager is dat de huisarts tijdens het consult in de ochtend
niet uitgebreid
onderzoek heeft gedaan, maar direct de conclusie heeft getrokken dat er sprake was
van een
niersteenaanval. Vervolgens heeft de huisarts niet adequaat gereageerd op de oproepen
van de
familie van patiënte, met name niet op de zorgen die klager aan het einde van de
middag uitte over
het gorgelende geluid dat patiënte maakte.
5.7 De huisarts voert het verweer dat hem niet duidelijk was dat er bij patiënte
sprake was van
kortademigheid en dat daarnaast de telefoontjes met patiënte zelf en met de zoon
van patiënte
geruststellend waren. De assistente die klager aan de telefoon sprak, heeft de ernst
van de
klachten van patiënte niet als zodanig aan de huisarts duidelijk gemaakt. Door al
deze
omstandigheden heeft de huisarts de melding van klager over het gorgelende geluid
dat patiënte
maakte, verkeerd geïnterpreteerd.
5.8 Het college is van oordeel dat de huisarts in de ochtend, ter voorkoming van
tunnelvisie, een
bredere blik had moeten hebben op het algehele functioneren van de patiënte. Zo
had hij
uitgebreider onderzoek moeten doen, waaronder een urineonderzoek. Dat er op dat
moment geen urine
was, doet daaraan niet af. Hij had de familie kunnen vragen om urine van patiënte
naar de praktijk
te brengen voor controle. Microscopische hematurie is een behoorlijk betrouwbare
indicator voor de
diagnose nierstenen. Bovendien had de huisarts een vangnet moeten creëren, om na
korte tijd te
controleren of de pijnstilling geholpen had en of het beter met haar ging.
5.9 Vervolgens is na de visite in de ochtend drie keer naar de huisartspraktijk
gebeld omdat een
familielid zich zorgen maakte om patiënte. Naar aanleiding van de telefoontjes van
de zoon van
patiënte en klager had de huisarts zijn diagnose moeten heroverwegen en uiteindelijk
ook een tweede
visite moeten afleggen. Daarbij acht het college ook van belang dat de huisarts
na de visite bij
terugkomst op de huisartspraktijk in het dossier van patiënte alsnog had kunnen
zien dat klager bij
de telefonische aanvraag van de visite sprak over kortademigheid. Het college is
dan ook van oordeel dat de huisarts niet heeft gehandeld volgens de professionele
standaard en dat ook dit klachtonderdeel gegrond is.
Klachtonderdeel c) niet adequaat reageren op aansprakelijkstelling
5.10 Klager voert aan dat hij nodeloos lang in onzekerheid heeft verkeerd doordat
de huisarts niet
adequaat heeft gereageerd op zijn klacht. Hij heeft de huisarts op 25 augustus 2021
aansprakelijk
gesteld en uiteindelijk heeft de schadeverzekeraar pas op 7 juli 2022 een standpunt
kunnen innemen.
5.11 De huisarts voert het verweer dat hij tweemaal geruime tijd in het buitenland
heeft
verbleven, waar de internetverbinding slecht was. Hij is op 28 december 2021 en
op 21 februari 2022
naar het buitenland vertrokken voor familiebezoek. Het is niet juist dat hij pas
op 25 mei 2022
voor het eerst reageerde, want hij had op 24 november 2021 al gereageerd op de vragen
van de
schadeverzekeraar. Dat hem opnieuw vragen waren gesteld op 22 december 2021 heeft
hij in de hectiek
van de voorbereidingen van zijn vertrek gemist. Vervolgens heeft de schadeverzekeraar
hem pas begin
mei 2022 gerappelleerd, waarop hij heeft gereageerd zodra dat mogelijk was.
5.12 Het college stelt voorop dat de zorgplicht van de huisarts ook geldt tijdens
de procedure van
een aansprakelijkstelling. Dit betekent dat hij, voor zover dit in zijn vermogen
ligt, zich er ten
volle voor moet inzetten dat een schadeclaim binnen een redelijke termijn kan worden
afgehandeld.
Voordat de huisarts voor de eerste keer naar het buitenland vertrok was hij ervan
op de hoogte dat
klager een procedure voor aansprakelijkstelling was begonnen. Dit betekent dat hij
alert had moeten
zijn op e-mailberichten over deze aansprakelijkstelling. Het standpunt van de huisarts
dat hij
gedurende de beide volledige periodes waarin hij in het buitenland verbleef over
een slechte
internetverbinding beschikte en daarom zijn e-mailberichten niet ontving, acht het
college niet
realistisch. Bovendien zou de huisarts voorafgaand aan zijn tweede vertrek op 21
februari 2022 zijn
e-mailberichten hebben moeten kunnen lezen, waaronder die van de schadeverzekeraar
van 22 december
2021. Het college acht ook dit klachtonderdeel gegrond.
Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht gegrond
zijn.
Maatregel
5.14 Na gegrondverklaring van de klacht moet beoordeeld worden welke maatregel
passend is. Het
college neemt daarbij in aanmerking dat aan de huisarts meerdere tuchtrechtelijke
verwijten te
maken zijn. Hij is onvoldoende zorgvuldig geweest wat betreft de dossiervoering
en heeft niet
gehandeld conform de professionele standaard. Er was sprake van een tunnelvisie;
de huisarts had
zijn diagnose moeten heroverwegen en opnieuw bij patiënte langs moeten gaan, zeker
na drie
telefoontjes van bezorgde familieleden. Tot slot heeft hij niet voortvarend gereageerd
op de vragen
die de schadeverzekeraar hem stelde in het kader van de aansprakelijkstelling. Hoewel
de huisarts
erkent dat hij patiënte wel had moeten bezoeken legt hij de verantwoordelijkheid
ook bij anderen, zoals de assistente en de familie. Dit alles leidt ertoe dat het
college het opleggen van een berisping passend acht.
Kostenveroordeling
5.15 Klager heeft verzocht de huisarts te veroordelen in de kosten die hij heeft
gemaakt in deze
procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk)
gegrond
verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. De huisarts heeft zich bereid
verklaard om
ongeacht de uitkomst van de zaak de verzochte kostenveroordeling te voldoen. De
klacht is in alle
klachtonderdelen gegrond verklaard en aan de huisarts wordt een maatregel opgelegd.
Het college zal
daarom het verzoek om kostenveroordeling toewijzen. Daarbij hanteert het college
de volgende
forfaitaire bedragen die zijn vastgelegd in de op de website van de tuchtcolleges
voor de
gezondheidszorg gepubliceerde oriëntatiepunten:
- € 50,- voor de reiskosten van klager (reisafstand enkele reis meer dan 50 km);
- € 1.617,50 voor juridische bijstand (1 punt voor het klaagschrift, 0,5 punt voor
de repliek
en 1 punt voor de zitting x tarief € 647,- x wegingsfactor 1).
Het totaalbedrag van de kostenveroordeling komt daarmee op € 1.667,50.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de huisarts de maatregel op van berisping;
- veroordeelt de huisarts in de hierboven vastgestelde proceskosten van klager
van in totaal
€ 1.667,50 en veroordeelt hem dit bedrag te voldoen op de bankrekening van klager
binnen een maand
nadat deze hem schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening
waarop
dit bedrag kan worden gestort heeft laten weten.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, W.G.H. Corté, lid-jurist,
T.A.W. Linssen, E. Jansen en J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
C.W.M. Hillenaar, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 13 augustus 2025.