ECLI:NL:TGZRSHE:2025:89 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7217
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:89 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-08-2025 |
| Datum publicatie: | 13-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7217 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen huisarts. Patiënt bij wie na verloop van tijd de diagnose ‘creeping eruption’ is gesteld, verwijt huisarts het stellen van een verkeerde diagnose, het voorschrijven van verkeerde medicatie, onvoldoende deskundigheid en onvoldoende begrip. Werkdiagnose en aanpassing werkdiagnose. Passende medicatie bij de gemelde klachten. Doorverwijzing naar dermatoloog. Impact van het enthousiasme van huisarts over de zeldzame diagnose en het tonen van foto’s. Grenzen van een redelijke beroepsuitoefening niet overschreden. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 13 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klager,
tegen
[C],
huisarts,
werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de huisarts;
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager had veel last van een jeukend wondje op zijn buik waarvoor hij meerdere
keren de
huisartsenpraktijk benaderde. Hij werd door verschillende huisartsen gezien. Een
collega van
verweerder stelde in eerste instantie de werkdiagnose ‘wondje huid, geimpetiginiseerd’
(ontstoken
wondje). Later stelde verweerder de diagnose ‘creeping
eruption’ (een door een worm veroorzaakte infectieziekte van de huid). Klager is
vervolgens door
een dermatoloog gezien die deze laatste diagnose bevestigde. Klager verwijt de huisarts
dat hij een
verkeerde diagnose heeft gesteld, verkeerde medicatie heeft voorgeschreven, onvoldoende
deskundig
was en geen begrip voor of inzicht heeft getoond in hoe klager zich voelde.
1.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 27 mei 2024;
- de brief van 11 juni 2024 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 26 juni 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 18 september 2024;
- het proces-verbaal van het op 19 november 2024 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de brief van 8 mei 2025 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van verweerder;
- de bewijsstukken, ontvangen van klager op 30 april 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 juni 2025. De partijen zijn
verschenen. De
huisarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van
de huisarts
hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager kwam op 26 januari 2024 op het spreekuur van een collega van verweerder
in verband met
een wondje op zijn buik dat jeukte en irriteerde. Deze collega noteerde in het dossier
(alle
citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“ S Heeft al drie weken een wondje op de buik, gaat soms wat open. Heeft er 1x
wat uit
gekregen. Weet niet hoe ontstaan is. (…)
E wondje huid, geimpetiginiseerd”
De collega schreef antibioticacrème voor.
3.2 Omdat klager veel last van jeuk bleef houden, belde hij op 2 februari 2024 naar
de praktijk
met de vraag een foto van het wondje te beoordelen. Op verzoek van de doktersassistente
heeft
verweerder deze foto beoordeeld. Verweerder stelde vast dat het wondje er rustig
uitzag en er geen
pus was. Hij adviseerde klager om te stoppen met de antibioticacrème en te starten
met zinkzalf.
3.3 In de periode tussen 2 februari 2024 en 29 maart 2024 heeft klager meerdere
keren contact met
de praktijk opgenomen, waarbij hij te woord werd gestaan door de assistenten en/of
collega’s van
verweerder. Verweerder was bij deze contacten niet betrokken.
Een collega van verweerder heeft op 13 maart 2024 een verwijzing naar de dermatoloog
gemaakt.
3.4 Vanwege ernstige jeukklachten belde klager op 29 maart 2024 naar de praktijk
en vroeg om een
spoedverwijzing naar de dermatoloog. Na overleg met verweerder belde de assistente
klager terug met
het advies om, mocht de afspraak met de dermatoloog te lang duren, terug te gaan
naar de
collega-huisarts die hem op 13 maart 2024 naar de dermatoloog had verwezen. Klager
ging akkoord.
Verweerder schreef Triamcinoloncrème voor.
3.5 Op 2 april 2024 kwam klager op consult bij verweerder:
“ S Plek die jeukt, brandt al 11 weken lang. In Thailand geweest, denkt dat er
een larve
inzit. (…) Week na Thailand thuiskomst (7/12/2024) ontstaan.
O kronkelende rode verheven plek, geen huidopeningen E Creeping eruption”
Ter verduidelijking van de gestelde werkdiagnose heeft verweerder foto’s van ‘creeping
eruption’ en
van ‘myasis’(een andere parasitaire infectie van de huid) op de computer opgezocht
en aan klager laten zien.
Ook vroeg verweerder een teleconsultatie aan met een dermatoloog.
3.6 Op 4 april 2024 belde klager met de praktijk om te horen waar het antwoord van
de dermatoloog
bleef. Klager was heel boos. Omdat er nog geen reactie was, belde verweerder met
de dermatoloog die
aangaf dat klager diezelfde dag nog door de dermatoloog kon worden gezien. Verweerder
stelde klager
hiervan op de hoogte.
3.7 In het verslag van de dermatoloog van 4 april 2024 staat vermeld:
“Conclusie/ diagnose:
Op dit moment lastig een diagnose te stellen, echter anamnestisch en op basis van
foto’s van
patiënt best passend bij een larva cutanea migrans Geen aanwijzingen voor scabies
Beleid:
Mondelinge informatie werd gegeven. Weg snijden is geen optie.”
In samenspraak met klager koos de dermatoloog voor een behandeling met medicatie.
Voorgesteld werd
het beleid na twee maanden te evalueren.
3.8 Op 8 april 2024 belde klager naar de praktijk waarbij hij aangaf geopereerd
te willen worden.
Hij wenste een spoedverwijzing naar een medisch centrum. Verweerder heeft daarop
contact opgenomen
met een gespecialiseerd medisch centrum om te overleggen. De infectioloog aldaar
adviseerde klager
niet te opereren maar het ingezette medicatiebeleid te vervolgen. Verweerder heeft
dit telefonisch
aan klager teruggekoppeld en met hem afgesproken dat klager een week later op consult
zou komen om
de situatie te evalueren. Dat heeft klager niet gedaan.
3.9 Op 18 april 2024 belde klager naar de praktijk omdat de bult dikker, pijnlijker
en
branderiger was geworden. Verweerder beoordeelde de foto die klager stuurde en noteerde
in het
dossier: “Foto ziet er rustig uit. geen ontsteking graag C volgende week donderdag.
Meneer heeft
volgende week donderdag afspraak met dermatoloog dus wacht die even af. Belt ons
als het toeneemt.”
3.10 Op 22 april 2024 heeft de dermatoloog een biopt afgenomen. Diezelfde dag belde
klager boos
naar de praktijk. In het dossier staat hierover genoteerd: “Ik kom net van de dermatoloog
vandaan
en ik ga een vette klacht indienen, zegt ik blijf nu kalm maar ik wil nooit meer
een voet in de
praktijk zetten. Als [initialen verweerder] of de vr. dokter wil bellen dan mag
dat maar ik laat
het verder over via de klacht.”
3.11 Verweerder belde op 25 april 2024 naar klager en noteerde in het dossier: ”gebeld
uit
interesse hoe het loopt, is erg boos geen gesprek mogelijk”.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij:
a) een verkeerde diagnose heeft gesteld;
b) verkeerde medicatie heeft voorgeschreven;
c) onvoldoende deskundigheid heeft laten blijken;
d) geen begrip voor of inzicht heeft getoond in hoe klager zich heeft gevoeld.
4.2 De huisarts meent dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en
heeft het
college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college heeft er oog voor dat klager nog steeds klachten ervaart en dat
het beloop van
het proces veel impact heeft gehad op zijn fysieke en mentale gezondheid.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat
een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) verkeerde diagnose, b) verkeerde medicatie en c) onvoldoende deskundig
5.3 Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking, aangezien ze
de medisch
inhoudelijke beoordeling betreffen.
5.4 Allereerst stelt klager dat er een verkeerde diagnose is gesteld en dat er nooit
een relatie
is gelegd met de vakantie van klager in Thailand, terwijl hij hierover wel al bij
het eerste
consult heeft verteld. Verweerder had een andere diagnose moeten overwegen en onderzoeken.
Dat is
niet (op tijd) gedaan. Klager heeft aangedrongen op meer spoed voor de afspraak
bij de dermatoloog,
maar dat is genegeerd. De voorgeschreven medicatie hielp niet; toch moest klager
er steeds te lang
mee doorgaan.
5.5 De huisarts stelt zich op het standpunt dat hij op 2 februari 2024, toen hij
de foto van de
buikhuid van klager beoordeelde, redelijkerwijs de door zijn collega eerder gestelde
werkdiagnose
‘wondje huid, geimpetiginiseerd’ mocht overnemen. Omdat het wondje van klager geen
pus meer
bevatte, concludeerde verweerder dat de door de collega voorgeschreven antibioticacrème
voldoende
had gewerkt. Hij schreef klager zinkzalf voor, zodat het wondje kon indrogen en
kon genezen. Toen
klager op 29 maart 2024 belde vanwege ernstige jeukklachten, schreef verweerder
Triamcinoloncrème
voor, dat ontstekingsremmend werkt en jeuk vermindert. Tijdens het consult op 2
april 2024 heeft
verweerder de werkdiagnose ‘creeping eruption’ gesteld, welke diagnose later door
de dermatoloog is
bevestigd. Van onvoldoende deskundigheid is volgens verweerder geen sprake. Verweerder
heeft een
andere werkdiagnose overwogen, heeft overleg gehad met een infectioloog en heeft
steeds actie ondernomen
als klager daarom vroeg.
5.6 Het college oordeelt als volgt. Op basis van zijn beoordeling van de foto van
de buikwand van
klager, kon en mocht verweerder op 2 februari 2024 de eerder gestelde
werkdiagnose ‘wondje huid, geimpetiginiseerd’ continueren. Het voorschrijven van
zinkzalf is
passend bij deze werkdiagnose. Dat de werkdiagnose achteraf gezien onjuist bleek
te zijn en
verweerder op 2 april 2024 een andere werkdiagnose heeft overwogen en gesteld, betekent
niet dat
verweerder jegens klager verwijtbaar heeft gehandeld. Ook het voorschrijven van
Triamcinoloncrème
naar aanleiding van de door klager gemelde jeukklachten op 29 maart 2024, is geen
reden voor een
aan de huisarts tuchtrechtelijk te maken verwijt.
5.7 Anders dan klager stelt, is zijn verzoek om een spoedafspraak bij de dermatoloog
niet
genegeerd. In het dossier staat immers op 29 maart 2024 vermeld dat klager is geadviseerd
om
contact op te nemen met de collega-huisarts die de verwijzing naar de dermatoloog
had gemaakt.
Klager heeft met dat advies ingestemd. Dat klager vervolgens geen contact met de
collega-huisarts
heeft gezocht, kan verweerder niet worden verweten.
5.8 Vaststaat dat verweerder naar aanleiding van de werkdiagnose ‘creeping eruption’
op 2 april
2024 meteen een teleconsultatie bij de dermatoloog heeft aangevraagd. Omdat een
reactie van de
dermatoloog uitbleef, heeft verweerder op 4 april 2024 telefonisch contact met de
dermatoloog
opgenomen, waarna klager diezelfde dag door de dermatoloog kon worden gezien. Ook
staat vast dat
verweerder op 8 april 2024 telefonisch contact met het gespecialiseerde medisch
centrum heeft
opgenomen om overleg te voeren over het verzoek van klager om geopereerd te worden.
Het advies aan
verweerder was om niet te opereren.
5.9 Uit het voorgaande volgt dat van een verkeerde diagnose, verkeerde medicatie
en onvoldoende
deskundig handelen geen sprake is. In het medisch dossier zijn hiervoor overigens
ook geen
aanwijzingen gevonden. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.
Klachtonderdeel d) geen begrip of inzicht getoond
5.10 Klager stelt dat hij niet serieus is genomen. Verweerder heeft tijdens de
behandeling geen
respect voor klager gehad door vieze, beangstigende foto’s van nesten parasieten
aan klager te
laten zien en daar grapjes over te maken. Pas nadat klager had gezegd dat hij een
klacht zou gaan
indienen, toonde verweerder begrip voor zijn situatie.
5.11 Het spijt verweerder dat klager zich niet serieus genomen heeft gevoeld. Toen
verweerder
vermoedde dat er sprake was van een ‘creeping eruption’ wilde hij klager van de
juistheid van de
diagnose overtuigen door hem foto’s te laten zien. Omdat het om een zeldzame aandoening
ging,
reageerde verweerder enthousiast. Verweerder realiseert zich achteraf dat dit enthousiasme
op dat
moment bij klager waarschijnlijk is overgekomen als onbegrip en het ontbreken van
respect. Dit is
nooit de intentie van verweerder geweest. Verweerder heeft het contact met klager
altijd als goed
ervaren. Nadat verweerder met de onvrede van klager bekend werd en deze op 22 april
2024
aankondigde een klacht te zullen indienen, heeft verweerder klager gebeld. Er was
echter geen gesprek
mogelijk omdat klager heel boos was.
5.12 Vaststaat dat het enthousiasme waarmee verweerder de zeldzame werkdiagnose aan
klager
uitlegde door het tonen van diverse foto’s, een grote impact op klager heeft gehad.
Verweerder
realiseert zich dat. Verweerder heeft zowel in zijn verweer, als tijdens het mondelinge
vooronderzoek en de zitting erkend dat, achteraf gezien, zijn houding en communicatie
op dat punt
beter had gekund en hij hieruit lering heeft getrokken. In het tuchtrecht gaat het
er echter niet
om of het handelen anders of beter had gekund. Het gaat erom of verweerder is gebleven
binnen de
grenzen van een redelijke beroepsuitoefening. Het college is van oordeel dat verweerder
die grenzen
niet heeft overschreden. Dat het enthousiasme van verweerder de lijdensdruk voor
klager heeft
verhoogd valt te betreuren, maar kan niet tot een ander oordeel leiden.
5.13 Tot slot is het college van oordeel dat verweerder juist heeft gehandeld door
het gesprek met
klager aan te willen gaan, nadat hij had vernomen dat klager een klacht wilde indienen.
Dat klager
zo boos was, dat een gesprek niet mogelijk was, kan verweerder niet worden verweten.
Ook dit
klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, W.G.H. Corté, lid-jurist,
T.A.W. Linssen, E. Jansen en J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
C.W.M. Hillenaar, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 13 augustus 2025.