ECLI:NL:TGZRSHE:2025:88 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7503
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:88 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-08-2025 |
| Datum publicatie: | 13-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7503 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen huisarts. Hulpvraag van een niet in de praktijk ingeschreven kind en zijn oma. De klacht gaat over het niet verlenen van spoedeisende zorg en het negeren en afwimpelen van de passanten. Geen passantenzorg verleend. Adequate beoordeling of acute zorg al dan niet nodig was. Het ontbreken van noodzakelijke persoonsgegevens. Verwijzing naar eigen huisarts. Vastlopen van het gesprek tussen de huisarts en de oma. Geen sprake van onzorgvuldig handelen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 13 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
als wettelijk vertegenwoordiger van haar zoon [B], wonende in [C],
klaagster,
gemachtigde: mevrouw [D] (hierna: oma), wonende in [E],
tegen:
[F],
huisarts, werkzaam in [G], verweerster,
gemachtigde: mr. S. Dik, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De oma heeft zich op 29 juli 2024 met haar kleinzoon gemeld aan de balie van
de praktijk waar
verweerster als huisarts werkzaam is. Dit nadat haar kleinzoon van de bank was gegleden,
zich had
zich opgevangen op zijn handen en daarna pijn aangaf in zijn rechteronderarm.
1.2 Klaagster verwijt verweerster dat zij heeft geweigerd zorg, spoedeisende hulp,
te verlenen aan haar zoon. Tevens verwijt zij verweerster niet de moeite te hebben
genomen om een
kind met pijn te bekijken in een spoedeisende toestand, maar de oma en de zoon van
klaagster te
negeren en af te wimpelen omdat zij en haar gezin niet in de praktijk van verweerster
ingeschreven
stonden.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld en de klacht daarmee ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 7 augustus 2024;
- de brief van 29 augustus 2024 van de secretaris aan de gemachtigde van klaagster;
- de machtiging van klaagster, ontvangen op 24 september 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 18 oktober 2024.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 20 juni 2025. Klaagster is niet
ter zitting
verschenen. Ter zitting waren aanwezig de oma, als gemachtigde van klaagster, en
verweerster met
haar gemachtigde. Verweerster en de gemachtigden hebben hun standpunten mondeling
toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Tijdens het oppassen door de oma is haar tweejarige kleinzoon van de bank
gegleden. Hij heeft
zich op zijn handen opgevangen. Hij heeft gehuild en aangegeven pijn te hebben in
de rechter
onderarm. De oma is met haar kleinzoon naar de praktijk van verweerster gereden.
3.2 Toen de oma zich op 29 juli 2024 meldde aan de balie, stond verweerster in de
backoffice.
Deze heeft een open verbinding met de balie. De assistente van verweerster heeft
de oma om gegevens
(naam, geboortedatum, BSN en bij voorkeur de verzekeringsgegevens) gevraagd van
de kleinzoon. De
oma had deze niet paraat. Haar is het advies gegeven contact op te nemen met de
ouders van het kind
om deze gegevens te achterhalen. Deze waren volgens de oma niet bereikbaar. Klaagster
en haar gezin
waren kortgeleden in het dorp komen wonen en hadden nog geen nieuwe huisarts.
3.3 De assistente heeft de oma gevraagd of haar kleinzoon op zijn hoofd was gevallen
of buiten
bewustzijn was geweest. Dit was allebei niet het geval. Verweerster heeft het gesprek
deels
meegeluisterd door een open schuifdeur. Vervolgens heeft de assistente verweerster
bij het gesprek
geroepen en hebben zij samen de oma te woord gestaan. Verweerster heeft gekeken
hoe het kind op de
arm van de oma ‘erbij zat’.
3.4 Het was de inschatting van verweerster en haar assistente dat er op dat moment
geen
(spoed)zorg geleverd hoefde te worden die niet zou kunnen wachten. Daarop is aan
de oma nogmaals
het advies gegeven de juiste persoonsgegevens van haar kleinzoon te achterhalen.
En vervolgens -
bij voorkeur - naar de eigen huisarts van de kleinzoon in de vorige woonplaats -
op een afstand van
ongeveer 15 kilometer - te bellen om hem die dag nog te laten beoordelen. De oma
heeft daarop de
praktijk bozig en geïrriteerd verlaten.
3.5 Op 29 juli 2024 is de kleinzoon in de avond door de eigen huisarts gezien. Op
30 juli 2024 is
in het ziekenhuis een röntgenfoto gemaakt. Er bleek sprake te zijn van een dubbele
onderarmfractuur
met standsafwijking.
3.6 Op 30 juli 2024 is de oma opnieuw aan de balie verschenen. Gelet op de wijze
waarop de oma
zich jegens de assistente gedroeg, heeft de assistente een melding bij de politie
gedaan. Ook heeft
de oma nog verschillende keren telefonisch contact gezocht met de praktijk en is
zij nog een keer aan
de balie geweest omdat zij verweerster wilde spreken en om haar BIG-registratienummer
op te vragen.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij onzorgvuldig, laakbaar, verwijtbaar en
onprofessioneel
heeft gehandeld door:
a) te weigeren zorg, spoedeisende hulp, te verlenen aan de zoon van klaagster;
b) niet de moeite te nemen om een kind met pijn te bekijken in een spoedeisende
toestand, maar de
moeder van klaagster en de zoon van klaagster te negeren en af te wimpelen omdat
zij niet in de
praktijk ingeschreven stonden.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Zij
is van mening
dat zij heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend huisarts
mag worden
verwacht.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) het weigeren zorg, spoedeisende hulp, te verlenen
5.2 Klaagster is van mening dat verweerster heeft geweigerd zorg, spoedeisende
hulp, te verlenen
aan haar zoon. Haar vertrouwen in de zorg is geschaad, nu haar zoon zonder enige
vorm van hulp door
verweerster naar huis is gestuurd. Klaagster is van mening dat een professioneel
en gecertificeerd
zorgverlener altijd hulp dient te verlenen als er een hulpvraag is.
5.3 Verweerster is van mening dat zij niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens
verweerster had
zij geen geneeskundige behandelingsovereenkomst met klaagster en haar zoon. Ook
kon zij de zoon van
klaagster niet als passant inschrijven in verband met het ontbreken van de noodzakelijke
persoonsgegevens. Deze inschrijving achtte zij noodzakelijk om te kunnen voldoen
aan de
dossierplicht en om bij daartoe strekkende noodzaak de zoon te kunnen verwijzen
voor nadere
diagnostiek.
5.4 Verweerster heeft zich er met de assistente van vergewist dat er objectief en
medisch gezien
geen sprake was van een spoedeisende situatie die tot acuut ingrijpen of hulp bieden
noopte. De
zoon van klaagster zat rustig bij de oma op de arm,
hij was niet overstuur, hij huilde niet en was alert aan het rondkijken. Zij heeft
de oma daarom het advies
gegeven om zo spoedig mogelijk de noodzakelijke persoonsgegevens zoals een geboortedatum
en de eigen
huisarts van het kleinkind te achterhalen en deze dezelfde dag nog te bezoeken.
5.5 Het college overweegt als volgt. In beginsel is een huisarts niet verplicht
zorg te verlenen
aan een patiënt die niet in de praktijk staat ingeschreven (passantenzorg).
Wel dient de huisarts te hebben vastgesteld dat er geen sprake is van spoedeisende
zorg. Als
daarvan geen sprake is, kan de patiënt worden geweigerd dan wel worden geadviseerd
om een afspraak
te maken bij de eigen huisarts. Op grond van de toelichting ter zitting is het college
van oordeel
dat de zoon van klaagster voldoende adequaat is beoordeeld of al dan niet sprake
was van acute
zorg. De assistente heeft vragen gesteld, naar alarmsymptomen gevraagd en de zoon
van klaagster
beoordeeld. Daarnaast heeft verweerster – die een gedeelte van het gesprek tussen
de assistente en
de oma had opgevangen - ook zelf meegekeken. Verweerster heeft op basis van de observaties
de
conclusie getrokken dat er op dat moment geen sprake was van een spoedsituatie.
Daarop heeft zij de
zoon van klaagster verwezen naar de eigen huisarts. Zij heeft daarbij de oma geadviseerd
deze nog
dezelfde dag te bezoeken. Daar was ook nog voldoende tijd voor in de loop van de
middag. Op grond
hiervan is het college van oordeel dat verweerster heeft kunnen besluiten tot het
verwijzen van de
zoon naar de eigen huisarts van klaagster. Dat een dag later bleek dat de zoon een
dubbele
rechteronderarmfractuur met standsafwijking had, doet daaraan niet af en betekent
niet dat
verweerster, op dat moment, onzorgvuldig en medisch onjuist heeft gehandeld. Klachtonderdeel
a) is
daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b) niet de moeite nemen om een kind met pijn te bekijken, maar de
moeder van
klaagster en de zoon van klaagster te negeren en af te wimpelen
5.6 Klaagster is van mening dat verweerster haar zoon met pijn had moeten bekijken.
In plaats
daarvan heeft verweerster de oma en haar kleinzoon genegeerd en afgewimpeld omdat
de zoon niet in
de praktijk ingeschreven stond en er op dat moment geen gegevens, zoals BSN, bekend
waren.
5.7 Verweerster deelt de mening van klaagster niet. Zij heeft de oma en haar kleinzoon
niet
genegeerd of afgewimpeld. De oma is te woord gestaan en er is getracht de juiste
gegevens te
verkrijgen voor het inschrijven van de kleinzoon. Toen de oma deze gegevens niet
kon geven, is haar
geadviseerd de gegevens alsnog te achterhalen en dezelfde dag nog de eigen huisarts
van de
kleinzoon te bezoeken. Verweerster betreurt het dat de oma zich hierdoor mogelijk
genegeerd en
afgewimpeld heeft gevoeld. Verweerster heeft begrip getoond voor het feit dat de
oma geholpen wilde
worden en mogelijk in paniek was. Verweerster betreurt het dat het niet goed lukte
om het gesprek
met de oma te voeren omdat de oma geïrriteerd en boos was.
5.8 Het college kan ook voor wat betreft dit klachtonderdeel niet vaststellen dat
verweerster is
tekortgeschoten in de zorg aan de zoon. Duidelijk is dat tussen de oma en verweerster
ergernis is
ontstaan. De oma heeft getracht aandacht te krijgen voor haar uitingen van ongerustheid
over haar kleinzoon.
Zij heeft zich niet gehoord gevoeld door de reactie die zij hierop van verweerster
kreeg. Omgekeerd heeft
verweerster zich machteloos gevoeld toen de oma haar ongerustheid uitte op een wijze
die door haar als boos/geïrriteerd en later door de assistente als bedreigend is ervaren.
Hierdoor is de situatie voor beide partijen belastend geweest en is het gesprek tussen
beiden vastgelopen. Het college heeft evenwel niet kunnen vaststellen dat
de oma en haar kleinzoon door verweerster zijn genegeerd en afgewimpeld. Het college
verwijst naar
hetgeen hierover onder klachtonderdeel a) is overwogen. Ook kan het college op basis
van hetgeen
zij heeft vernomen, niet vaststellen dat verweerster onzorgvuldig jegens klaagster
heeft gehandeld.
Klachtonderdeel b) is daarom ook ongegrond.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, W.G.H. Corté, lid-jurist,
T.A.W. Linssen, E. Jansen en J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
C.W.M. Hillenaar, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 13 augustus 2025.