We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2025:86 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/6778

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:86
Datum uitspraak: 06-08-2025
Datum publicatie: 06-08-2025
Zaaknummer(s): H2024/6778
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de GZ-psycholoog, die werkzaam is in de PI waar klager verblijft, dat zij klager geen hulp heeft geboden bij zijn problemen en dat zij klager op een afdeling met een zwaar regime heeft laten plaatsen. Het college acht de klacht kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 6 augustus 2025 op de klacht van:

[A],
verblijvende in [B],
klager,

tegen

[D],
GZ-psycholoog,
werkzaam in [C],
verweerster, hierna ook: GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1  Klager verbleef in de penitentiare inrichting (PI) waar verweerster als GZ-psycholoog werkzaam 
is.

1.2   Klager verwijt verweerster haar zorgtaken jegens hem te hebben verwaarloosd en te hebben 
geadviseerd klager op de afdeling Beheers Problematische Gedetineerden (BPG) te plaatsen.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 4 januari 2024;
-  het verweerschrift, ontvangen op 30 april 2024;
-  de nagekomen bijlage behorend bij het verweerschrift, ontvangen op 22 mei 2024;
-  een nagekomen stuk, ontvangen van klager op 4 juli 2024;
-  een nagekomen stuk, ontvangen van klager op 20 augustus 2024;
-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek gehouden op 21 oktober 2024;
-  het aanvullend verweerschrift, ontvangen op 28 november 2024;
-  de repliek, ontvangen op 18 februari 2025;
-  de e-mail ontvangen van de gemachtigde van verweerster, ontvangen op 4 maart 2025;
-  de intrekkingsbrief van klager, ontvangen op 11 maart 2025;
-  de brief van de gemachtigde van verweerster, ontvangen op 1 april 2025, waarin zij voortzetting 
van de behandeling vraagt.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager verbleef sinds 24 januari 2023 in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de 
PI. Verweerster was vanaf die datum als behandelcoördinator betrokken bij klager.

3.2   Tussen 24 janauari 2023 en 26 juni 2023 verbleef klager op verschillende afdelingen in 
afwachting van een plek op de zogenaamde flexafdeling.

3.3   Op 26 juni 2023 heeft zich een incident voorgedaan wat er toe leidde dat klager in de 
isoleercel werd geplaatst. Verweerster heeft klager daar bezocht op 26 en 27 juni, 6 en 11 juli en 
4, 8, 17, 21 en 24 augustus 2023. Op 24 augustus 2023 heeft verweerster aan klager de brief van de 
directie uitgereikt waarin staat dat hij op de afdeling BPG werd geplaatst. Nadien is verweerster 
niet meer betrokken geweest bij de behandeling van klager.

4. De klacht en de reactie van de GZ-psycholoog
4.1  Klager verwijt verweerster dat zij:
a. haar zorgtaken heeft verwaarloosd, door geen hulp te bieden voor het trauma of de 
slaapproblemen;

b. klager ten onrechte op de afdeling BPG heeft laten plaatsen.

4.2.1  Verweerster heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.

4.2.2  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de GZ-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor de GZ-psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2   Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna 
licht het college toe hoe het tot dit oordeel is gekomen.

Klachtonderdeel a) verwaarlozing zorgtaken
5.3   Verweerster heeft uiteengezet dat klager zijn stemmingsklachten en slaapproblemen met haar 
heeft besproken. Zij heeft hem geadviseerd oefeningen te doen en iets te ondernemen door deel te 
nemen aan het dagprogramma of een cursus/studie te volgen. Naar het oordeel van verweerster waren 
diverse klachten situationeel wat inhoudt dat deze samenhangen met het PI regime wat nu eenmaal 
voor klager geldt. Naar het oordeel van het college heeft verweerster de klachten van klager 
serieus genomen en suggesties aangedragen. Het incident van 26 juni 2023 heeft klager fysiek letsel 
opgeleverd (een snee in zijn neus) waarvoor hij door een verpleegkundige is behandeld. Van een 
trauma dat verweerster met klager had moeten bespreken is haar niet gebleken, zoals ook uit de 
rapportages blijkt. Daarmee is niet vast te stellen dat zij haar zorgtaken heeft verwaarloosd.

Klachtonderdeel b) advies gegeven klager opnieuw in het BPG regime te plaatsen
5.4   Verweerster heeft uiteengezet dat een advies om een gedetineerde in een BPG regime te 
plaatsen in een multi disciplinair overleg wordt besproken. De situatie van klager is in het 
multidisciplinair overleg en in de vrijhedencommissie besproken. Zowel het overleg als de commissie 
gaf een positief advies en vervolgens heeft de selectiefunctionaris de beslissing tot plaatsing in 
het BPG regime genomen. Deze collegiale besluitvorming, waarbij een groot aantal disciplines is 
vertegenwoordigd, valt niet tuchtrechtelijk aan verweerster toe te rekenen. In het tuchtrecht is 
een verweerder immers slechts verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Wel heeft verweerster, 
zoals zij in haar aanvullend verweerschrift uiteen heeft gezet, met klager gesproken over het 
incident van 26 juni 2023. Klager wenste geen reactie te geven, ook niet nadat verweerster klager 
had uiteengezet dat dat gevolgen kon hebben voor de besluitvorming rond zijn plaatsing in het BPG 
regime. Verweerster heeft vervolgens geadviseerd klager in het BPG regime te plaatsen. Dat advies 
was gebaseerd op het gedrag van klager voorafgaand aan het incident, tijdens het incident en zijn 
weigering zijn kant van het verhaal te vertellen. Een en ander leidde tot de afweging dat de 
veiligheid van klager, medegedetineerden en het personeel plaatsing in het BPG regime noodzakelijk 
maakten. Het college acht dit advies begrijpelijk, ondanks het verstrekkende karakter van het BPG 
regime. Ook dit klachtonderdeel is dus ongegrond.

Slotsom
5.5  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6 De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 6 augustus 2025 door J. Iding, voorzitter, C. Oele en M.J.E. Lemmens, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris.