ECLI:NL:TGZRSHE:2025:85 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7429

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:85
Datum uitspraak: 06-08-2025
Datum publicatie: 06-08-2025
Zaaknummer(s): H2024/7429
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de GZ-psycholoog, die werkzaam is in de PI waar klager verblijft, klagers privacy te hebben geschonden, niets te hebben gedaan met zijn klachten aangaande het regime waarin hij is geplaatst en opnieuw te hebben geadviseerd klager op een afdeling met een zwaar regime te plaatsen. Het college acht de klacht kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 6 augustus 2025 op de klacht van:

[A]
verblijvende in [B],
klager,

tegen

[D],
GZ-psycholoog,
werkzaam in [C],
verweerster, hierna ook: GZ-psycholoog,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager verbleef in de penitentiaire inrichting (PI) waar verweerster als GZ-psycholoog 
werkzaam is. Klager verwijt verweerster dat zij zijn privacy heeft geschonden, dat zij klagers 
psychische klachten niet serieus heeft genomen en dat zij heeft geadviseerd klager in de afdeling 
Beheers Problematische Gedetineerden (BPG-afdeling) te plaatsen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 17 juli 2024;
-  de brief van klager met bijlagen van 13 oktober 2024, ontvangen op 5 november 2024;
-  het verweerschrift, ontvangen op 12 november 2024;
-  de brief van 14 november 2024, van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
-  de brief met bijlagen van 20 november 2024, ontvangen van de gemachtigde van verweerster;
-  de repliek, ontvangen op 2 januari 2025;
-  de dupliek, ontvangen op 5 februari 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager verbleef van 24 augustus 2023 tot 13 december 2023 in de penintentiaire inrichting 
(PI) waar verweerster als GZ-psycholoog werkzaam is. Hij verbleef op de afdeling BPG. Op 13 
december 2023 is klager overgeplaatst naar een BPG-afdeling in een andere PI, waar hij tot 30 april 
2024 is gebleven. Op die dag is hij teruggeplaatst naar de afdeling BPG van de eerste PI.

3.2   Verweerster heeft klager samen met een andere GZ-psycholoog gesproken. Tijdens de gesprekken, 
met name in september 2023 en eind mei begin/begin juni 2024 zijn klagers slaapproblemen en 
stemmingsklachten met hem besproken en is hem advies gegeven.

3.3   In het Psychiatrisch Medisch Overleg (PMO) van de instelling is tot een gezamenlijk 
psycho-medisch advies gekomen. Dit advies is vervolgens in het Multidisciplinair Overleg (MDO) 
nader uitgewerkt, waarna de selectiefunctionaris het besluit tot plaatsing heeft genomen.

4. De klacht en de reactie van de GZ-psycholoog
4.1 Volgens klager heeft verweerster onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:
a)   de privacy van klager heeft geschonden door gesprekken met klager te voeren in het bijzijn van 
een psychiater;
b)   niets heeft gedaan met de psychische klachten die klager ondervindt door het isolement op de 
afdeling BPG;
c)   heeft geadviseerd om klager opnieuw op een BPG afdeling te plaatsen.

4.2  Verweester heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5 De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de GZ-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor de GZ-psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2   Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna 
licht het college toe hoe het tot dit oordeel is gekomen.

Klachtonderdeel a) schending privacy
5.3   Verweerster heeft toegelicht dat zij met een collega psycholoog de gesprekken met klager 
heeft gevoerd met als doel hem de juiste begeleiding te kunnen geven. Ook heeft zij aangevoerd dat 
binnen de PI een twee-paar-ogen-beleid ten aanzien van klager werd gevoerd en dat zij en haar 
collega GZ-psycholoog de werkwijze in de PI en het MDO hebben uitgelegd. Het college is van oordeel 
dat geen sprake is van schending van de privacy van klager en daarmee dus ook dat verweester 
terzake geen verwijt valt te maken.

Klachtonderdeel b) actie op geuite psychische klachten
5.4   Verweerster heeft uiteengezet dat klager in mei/juni 2024 zijn stemmingsklachten en 
slaapproblemen met haar en haar collega heeft besproken. Zij hebben hem geadviseerd oefeningen te 
doen en iets te ondernemen door deel te nemen aan het dagprogramma of een cursus/studie te volgen. 
Naar het oordeel van verweeerster waren diverse klachten situationeel, wat inhoudt dat deze 
samenhangen met het BPG regime waarvoor klager nu eenmaal is geselecteerd. Verweerster heeft de 
geuite klachten serieus genomen en erover geadviseerd. Ook hierover valt verweerster naar het 
oordeel van het college geen verwijt te maken.

Klachtonderdeel c) advies klager opnieuw in BPG regime te plaatsen
5.5   Verweerster heeft uiteengezet dat zij een dergelijk advies niet heeft gegeven. Een dergelijk 
advies wordt in een PMO en daarna MDO besproken. Daarmee valt deze collegiale besluitvorming, 
waarbij een groot aantal disciplines is vertegenwoordigd, niet tuchtrechtelijk aan verweester toe 
te rekenen. In het tuchtrecht is een verweerder immers slechts verantwoordelijk voor zijn eigen 
handelen.

Slotsom
5.6  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6 De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 6 augustus 2025 door J. Iding, voorzitter, C. Oele en M.J.E. Lemmens, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris.