ECLI:NL:TGZRSHE:2025:55 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7535

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:55
Datum uitspraak: 07-05-2025
Datum publicatie: 07-05-2025
Zaaknummer(s): H2024/7535
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht ingediend tegen een ambulanceverpleegkundige namens overleden echtgenote. Klager verwijt verweerster dat zij ondeskundig heeft gehandeld bij het zetten van een infuusnaald ten behoeve van euthanasie en daarbij ongepaste kleding heeft gedragen.  Klacht kennelijk ongegrond.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 7 mei 2025 op de klacht van:

[A],
wonende in [B], klager,

tegen


[C],
ambulanceverpleegkundige, werkzaam in [B], verweerster,
gemachtigde: mr. J.F. Groen, werkzaam in ’s-Hertogenbosch.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klager heeft een klacht ingediend namens zijn echtgenote (hierna: patiënte), die is 
overleden. Klager verwijt verweerster dat zij ondeskundig heeft gehandeld bij het zetten van een 
infuusnaald bij patiënte ten behoeve van euthanasie en dat zij daarbij ongepaste kleding heeft 
gedragen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht, maar de klacht 
kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te 
stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het 
college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 2 juli 2024;
-  de brief van 23 juli 2024 van de secretaris aan klager met het verzoek om aanvullende 
   informatie;
-  de brief van klager, ontvangen op 16 augustus 2024, met aanvullende informatie;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2024;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 18 december 2024.

2.2   Het college heeft de klacht in deze zaak, samen met de gelijkluidende klachten in de zaken 
met dossiernummers H2024/7371 en H2024/7534, in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college 
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de

3. Wat is er gebeurd?
3.1  Patiënte leed aan uitgezaaide maagkanker.

3.2   Op 3 juni 2024 heeft de huisarts van patiënte bij de ambulancevoorziening een verzoek 
ingediend om op 6 juni 2024 bij patiënte thuis een infuusnaald bij haar in te brengen. Dat was 
nodig, omdat de huisarts die dag om 15.00 uur bij patiënte euthanasie zou gaan uitvoeren. 
Verweerster is werkzaam bij deze ambulancevoorziening.

3.3   Op 6 juni 2024 rond 13.00 uur is een ambulance met verweerster en een collega 
ambulanceverpleegkundige, die bij haar onder werkbegeleiding stond, bij het huis van patiënte 
aangekomen. De collega ambulanceverpleegkundige (verweerster in de zaak H2024/7534) is naar 
patiënte gegaan en heeft geprobeerd een infuusnaald te plaatsen. Dat is niet gelukt. Zij heeft hulp 
gevraagd aan verweerster. Daarna is besloten een ambulance met een verpleegkundig specialist op te 
roepen, die beschikt over mobiele echoapparatuur.

3.4   Op 6 juni 2024 rond 13.45 uur is een tweede ambulance met een verpleegkundig specialist 
(verweerder in de zaak H2024/7371) bij het huis van patiënte aangekomen. De verpleegkundig 
specialist heeft samen met verweerster en haar collega geprobeerd om met en zonder echogeleiding 
een infuusnaald te plaatsen bij patiënte. Dat is niet gelukt. Zij hebben dit telefonisch aan de 
huisarts gemeld.

3.5   In overleg met de huisarts is besloten dat patiënte de volgende dag met de ambulance naar het 
ziekenhuis zou worden vervoerd om daar een infuusnaald te laten plaatsen en daarna weer thuis zou 
worden gebracht. De huisarts gaf namelijk aan dat zij de euthanasie niet meer die middag kon 
uitvoeren. De huisarts heeft vervolgens de afspraak gemaakt om het ambulancetransport naar het 
ziekenhuis de volgende ochtend te laten plaatsvinden. Om 14.45 uur zijn beide ambulances 
vertrokken.

3.6   Op 7 juni 2024 is in de ochtend in het ziekenhuis een infuusnaald bij patiënte geplaatst. 
Daarna is zij thuis overleden na euthanasie.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klager verwijt verweerster dat zij:
a) ondeskundig en zonder resultaat heeft gehandeld bij het zetten van een infuus;
b) ongepaste kleding heeft gedragen.


4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   Klager heeft toegelicht dat de situatie voor hem en zijn echtgenote emotioneel zwaar was en 
dat zij zeer aangedaan waren toen het plaatsen van de infuusnaald niet lukte en de geplande 
euthanasie niet kon worden uitgevoerd op de afgesproken dag. Het college begrijpt dat dit veel 
impact heeft gehad. Dat neemt niet weg dat het college in deze tuchtzaak moet beoordelen of 
verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. Dit is een zakelijke 
toetsing. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende ambulanceverpleegkundige. 
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en 
andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen en dat het gevolg van hun handelen 
bij de beoordeling buiten beschouwing blijft.

Klachtonderdeel a) ondeskundig handelen
5.2   Klager verwijt verweerster dat zij ondeskundig heeft gehandeld, omdat zij er ondanks meerdere 
pogingen niet in is geslaagd een infuus bij patiënte te plaatsen. Volgens klager heeft verweerster, 
nadat zij door haar collega erbij was geroepen, patiënte meerdere keren geprikt zonder resultaat. 
Zij hebben gedurende een half uur vele pogingen gedaan en daarna besloten om een verpleegkundig 
specialist met echoapparatuur te laten komen. Na zijn komst hebben ze met zijn drieën 
tegelijkertijd nog meerdere pogingen gedaan. Volgens klager is er tientallen keren geprobeerd te 
prikken. Verweerster heeft dit weersproken. Volgens verweerster heeft zij, nadat bleek dat patiënte 
moeilijk te prikken was en zij niet meer opties zag dan de twee door haar collega al geprobeerde 
opties, direct voorgesteld om een verpleegkundig specialist te laten komen. Een verpleegkundig 
specialist beschikt over een mobiel echoapparaat, zodat er beter gekeken kan worden. De 
verpleegkundig specialist heeft geprobeerd op de armen van patiënte een naald te plaatsen. Deze 
pogingen zijn niet gelukt. Verweerster heeft vervolgens met haar collega en de verpleegkundig 
specialist gezocht naar aders op de onderbenen, enkels en voeten van patiënte en geprobeerd deze 
beter zichtbaar te maken met warme washandjes en “kloppen”. Met instemming van patiënte hebben 
verweerster en de verpleegkundig specialist nog enkele nieuwe prikpogingen gedaan, die evenmin zijn 
gelukt. Daarna hebben zij besproken dat zij maximaal hadden geprobeerd om de infuusnaald in te 
brengen en is contact opgenomen met de huisarts om te overleggen.

5.3   Het college constateert dat de lezingen van partijen over het handelen van verweerster 
verschillend zijn. De lezing van verweerster wordt ondersteund door wat daarover in het ritverslag 
van de ambulance is genoteerd: “(…) VS [verpleegkundig specialist] gevraagd om met de echo te 
kijken na 2 niet niet gelukte pogingen. Na verschillende mislukte pogingen(meerdere pogingen op 
vraag van de patient) overlegd met HA [huisarts] (…)” Het college heeft geen aanleiding om ervan 
uit te gaan dat deze notitie onjuist is. Daarbij heeft verweerster erop gewezen dat er per 
ambulance één tasje met zes naalden beschikbaar is en dat met iedere naald één keer wordt geprikt. 
Daardoor was het aantal prikpogingen dat kon worden ondernomen beperkt tot twaalf. Het college gaat 
daarom uit van de lezing van verweerster.

5.4   Het college is van oordeel dat het handelen van verweerster in de gegeven omstandigheden 
zorgvuldig is geweest. Hierbij weegt het college mee dat het prikken plaatsvond in de slaapkamer 
van patiënte en dat patiënte vanwege haar ziekte en verslechterde conditie moeilijker te prikken 
was. Uit de door verweerster gegeven toelichting blijkt dat haar collega eerst twee pogingen heeft 
gedaan om een infuusnaald aan te brengen in de armen van patiënte en na het mislukken daarvan 
verweerster erbij heeft gehaald. Toen verweerster zelf geen andere prikmogelijkheden zag, heeft zij 
terecht kunnen besluiten een verpleegkundig specialist met echoapparatuur op te roepen. Uit de door 
verweerster gegeven toelichting blijkt verder dat de verpleegkundig specialist heeft geprobeerd op 
de armen van patiënte een naald te plaatsen. Deze pogingen zijn niet gelukt. Daarna heeft 
verweerster samen met haar collega en de verpleegkundig specialist uitgebreid gezocht naar andere 
geschikte plekken om te prikken en geprobeerd aders zichtbaar te maken. Volgens verweerster hebben 
zij patiënte steeds geïnformeerd over wat zij deden en wilden doen en stemde patiënte met die 
voorstellen in. Op verzoek van patiënte heeft zij toen ook enkele prikpogingen gedaan. Klager heeft 
dit niet weersproken, zodat het college daarvan uitgaat. Het staat vast dat ook nog is aangeboden 
om patiënte met de ambulance naar het ziekenhuis te vervoeren en terug om de infuusnaald daar te 
plaatsen. Dat dit voorstel geen direct gevolg heeft gekregen is niet aan verweerster te wijten. 
Aanwijzingen van ondeskundig handelen van verweerster zijn het college niet gebleken. Dat het 
zetten van de infuusnaald niet is gelukt, is daarvoor geen aanwijzing.

Klachtonderdeel b) ongepaste kleding
5.5   Klager klaagt er verder over dat verweerster opvallende, alarmerende ambulancekleding droeg, 
die niet bij de situatie paste. Daarvan valt verweerster naar het oordeel van het college geen 
verwijt te maken. Verweerster droeg het voorgeschreven uniform. Die dienstkleding wordt standaard 
gedragen door alle ambulancezorgprofessionals tijdens hun werkzaamheden. Het is verweerster niet 
toegestaan andere kleding te dragen, ook niet bij het plaatsen van een infuusnaald ten behoeve van 
euthanasie.

Slotsom
5.6  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 7 mei 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, 
voorzitter, A. Petiet en B.F.A. Goosselink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
I.W.M. Dirksen, secretaris.