ECLI:NL:TGZRSHE:2025:38 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/6782

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:38
Datum uitspraak: 12-03-2025
Datum publicatie: 20-03-2025
Zaaknummer(s): H2024/6782
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Physician assistant. Klacht: a) patiënte niet na de val met een ambulance heeft laten vervoeren naar het ziekenhuis, maar in plaats daarvan de volgende dag met een rolstoeltaxi;b) patiënte niet in lighouding heeft onderzocht, waardoor zij onnodig lang pijn heeft gehad. College: kennelijk ongegrond. Vervoer volgende ochtend met rolstoeltaxi, na overleg orthopeed en inzet extra pijnmedicatie, was passend. Onderzoek in lighouding had geen meerwaarde, niet gebleken dat patiënte onnodig lang pijn heeft gehad.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 12 maart 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,

en

[C],
wonende in [B],
klaagster,

tegen

[D],
physician assistant, destijds werkzaam in [E],
verweerster, hierna ook: de physician assistant, gemachtigde: mr. C.M.P. Peersman, werkzaam in 
Zeist.


1. De zaak in het kort
1.1   Klagers klagen erover dat de physician assistant de patiënte, na een val in de instelling 
waar zij verbleef, niet direct met een ambulance naar het ziekenhuis heeft gestuurd, maar pas de 
dag erna met een rolstoeltaxi. Ook verwijten zij de physician assistant dat zij de patiënte niet in 
lighouding heeft onderzocht om meteen uitsluitsel te geven over de mogelijke aanwezigheid van een 
breuk. De physician assistant is van mening dat haar handelen zorgvuldig en goed afgewogen was.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.


2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 4 januari 2024;
-  de brief van 13 februari 2024 van de secretaris aan klagers;

-  de reactie van 25 februari 2024 van klagers op de brief van de secretaris;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 april 2024;
-  de repliek, ontvangen op 29 mei 2024;
-  de dupliek, ontvangen op 13 juni 2024;
-  de verklaring van de kinderen van wijlen patiënte, ontvangen van klagers op 15 juli 2024.


2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   De klacht betreft de zorg die door de physician assistant is verleend aan wijlen patiënte, 
(hierna te noemen: de patiënte). Klagers waren nauw bevriend met, en destijds tevens mentor van de 
patiënte. De patiënte leed aan Alzheimer en was vanaf 2018 opgenomen in de zorginstelling, waar de 
physician assistant werkzaam was. Ook had de patiënte last van angsten en onrust.

3.2   De patiënte kon nog zelfstandig mobiliseren. Hierbij was wel sprake van valgevaar. Dit risico 
was bekend bij klagers. Op 11 september 2023 is de patiënte aan het eind van de middag gevallen. De 
physician assistant heeft nadat zij de patiënte heeft onderzocht, als volgt gerapporteerd (alle 
citaten zijn inclusief eventuele taal- en typfouten):

“[voornaam physician assistant], 11-09-2023, 16:59:32
bijgeroepen door de zorg: mw is in haar kamer gevallen, mantelzorger van een andere client hoorde 
een harde klap. Mw is in de rolstoel gezet, maar heeft forse pijn van de linker heup.
O. in rolstoel, met schoenen aan en bril op. ABC stabiel. hoofd nek en wervelkolom geen pijn. 
onderzoek aan de linker heup niet mogelijk door forse pijn bij minimale beweging, palpatie van het 
bovenbeen pijnlijk, compressie van het bekken mild pijnlijk.
E. vermoedelijke fractuur heup links
P. mw heeft reeds paracetamol 3 dd 1000 mg, zo nodig 4 dd.
Overlegd met contactpersoon [naam klaagster]: akkoord voor insturen voor foto/orthopedie. Besproken 
dat het voor patiente mogelijk minder stressvol is als zij morgenochtend op de poli wordt gezien 
dan straks op de SEH, eerste contactpersoon vindt dit een goed idee. tevens besproken dat mw bij 
fractuur vermoedelijk onvoldoende pijnstilling heeft aan paracetamol en derhalve voorstel oramorph 
2 ml=4mg zo nodig rondom de zorgmomenten: dit is akkoord.
Potentiele bijwerking (sufheid, obstipatie) zijn besproken. (…)”
3.3  De physician assistant heeft aansluitend telefonisch contact opgenomen met de dienstdoende orthopeed in het ziekenhuis en afgesproken dat de patiënte de volgende dag met een rolstoeltaxi naar het ziekenhuis vervoerd zou worden voor het laten maken van een foto. Naar aanleiding van het telefonisch overleg heeft de physician assistant gerapporteerd: “akkoord voor insturen, echter gezien dementie en onwenselijk om patiente urenlang op de SEH te laten wachten zijn verzoek patiente morgen bij te plannen om 12.00 uur en tevoren foto 11.30 uur (…)”
De physician assistant is in de nacht of de ochtend na de val niet meer geconsulteerd door klagers 
en/of het personeel van de instelling met betrekking tot de zorg aan de patiënte. Om 06:09 uur is 
door een medewerker van de instelling in het dossier van de patiënte genoteerd dat zij haar “de 
hele nacht slapende had gezien.”

3.4   Klagers hebben de patiënte op 12 september 2023 vergezeld naar de afspraak in het ziekenhuis. 
Op 13 september 2023 heeft de physician assistant telefonisch contact gehad met klagers en vernomen 
dat er in het ziekenhuis een conservatief beleid werd gevoerd. Ook werd besproken hoe de rolstoel 
terug moest worden gebracht naar de instelling.

3.5   Op 20 september 2023 kreeg verweerster telefonisch bericht uit het ziekenhuis met de 
mededeling dat de patiënte was overleden. Dezelfde dag heeft de physician assistant klagers gebeld 
om hen te condoleren.

4. De klacht en de reactie van de physician assistant
Klagers verwijten de physician assistant dat zij;
a) De patiënte op 11 september 2023 niet na de val met een ambulance heeft laten vervoeren naar het 
ziekenhuis, maar in plaats daarvan de volgende dag met een rolstoeltaxi;
b) De patiënte niet in lighouding (middels exorotatie) heeft onderzocht, waardoor de patiënte 
onnodig lang pijn heeft gehad.

4.1   De physician assistant heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Zij is 
van mening dat zij de afweging om de patiënte de ochtend na de val met een rolstoeltaxi naar het 
ziekenhuis te laten vervoeren, zorgvuldig heeft gemaakt. Ook was exorotatie in het geval van de 
patiënte slechts extra belastend, vindt verweerster, en was ook niet noodzakelijk. Verweerster had 
het vermoeden al dat er sprake kon zijn van een breuk en had daarom al contact gelegd met het 
ziekenhuis.

4.2  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de physician assistant de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht 
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende physician assistant. Bij de 
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de physician assistant geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

5.2  Het college oordeelt dat de physician assistant niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld.

Klachtonderdeel a) patiënte niet na de val met een ambulance naar het ziekenhuis, maar in plaats 
daarvan de volgende dag met een rolstoeltaxi laten vervoeren
5.3   Het college zal eerst beoordelen of er redenen waren om de patiënte direct na de val naar het 
ziekenhuis te laten vervoeren. Daartoe wordt het volgende overwogen. De patiënte is op 11 september 
2023 aan het einde van de middag gevallen. De physician assistant heeft haar na de val gezien en 
haar toestand beoordeeld. De patiënte was toen al door de verpleging in een rolstoel gezet. De 
physician assistant heeft de patiënte in de rolstoel onderzocht en naar aanleiding daarvan 
telefonisch overleg gehad met de dienstdoende orthopeed van het ziekenhuis. Omdat de patiënte leed 
aan dementie en het daarom onwenselijk was om haar lang te laten wachten in het ziekenhuis, heeft 
de physician assistant, in overleg met de orthopeed, besloten de patiënte de volgende dag in te 
plannen voor een foto en vervolgens voor een beoordeling bij de orthopeed. Om de patiënte comfort 
te bieden werd extra pijnmedicatie afgesproken. Het college acht deze handelswijze, in combinatie 
met het voorschijven van extra pijnmedicatie, gezien de gegeven omstandigheden passend en 
zorgvuldig. Het wachten op de SEH had, voor de patiënte, die leed aan angsten en onrust, kunnen 
zorgen voor angst en stress. De extra pijnmedicatie was een goed alternatief om de patiënte comfort 
te bieden tot zij in het ziekenhuis was onderzocht.

5.4   Wat betreft het beleid om de patiënte te laten vervoeren met een rolstoeltaxi, overweegt het 
college het volgende. Vooropgesteld wordt dat het inschakelen van een ambulance om een patiënt te 
vervoeren waarbij verdenking is van een breuk, geen vereiste is. Het vervoer per rolstoeltaxi of 
ambulance kan in die omstandigheden even zorgvuldig gebeuren. Het college ziet ook geen 
aanwijzingen dat vervoer middels een ambulance voor de patiënte in de gegeven omstandigheden 
comfortabeler of minder belastend zou zijn geweest. Het voorgaande maakt dat het beleid dat door de 
physician assistant, in overleg met de dienstdoende orthopeed en tevens met klagers, is ingezet, 
goed te verdedigen is. Er is geen sprake geweest van onzorgvuldig handelen. Het eerste 
klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b) patiënte niet in lighouding onderzocht, waardoor patiënte onnodig lang pijn 
heeft gehad
5.5  Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Het niet onderzoeken van de patiënte
in lighouding kan niet worden aangemerkt als onzorgvuldig en/of tuchtrechtelijk verwijtbaar 
handelen door verweerster. De physician assistant heeft de patiënte na de val onderzocht in de 
rolstoel en had toen al het vermoeden dat er sprake was van een breuk. Het beleid is daarop ingezet. Er is contact gelegd met het ziekenhuis voor een foto en de pijnstilling is opgehoogd. Het onderzoeken van de patiënte in lighouding had daarom geen meerwaarde en zou wellicht enkel nog meer impact hebben gehad op de patiënte. Verder ziet het college in de stukken geen aanknopingspunten voor de stelling dat patiënte onnodig lang pijn heeft gehad, omdat zij niet in lighouding is onderzocht of dat het vangnet met betrekking tot de pijnmedicatie onvoldoende was.

5.6   Het college stelt vast dat de physician assistant pogingen heeft ondernomen om in gesprek te 
gaan met klagers. Klagers hebben daar niet voor gekozen. Het college wenst op te merken dat zij 
betreurt dat er geen gebruik is gemaakt van het voorstel tot een gesprek.

Slotsom
5.7  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 12 maart 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, voorzitter, S. Benoy-De Keuster en E.A.M. Vliexs, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M. Karatepe, secretaris.