ECLI:NL:TGZRSHE:2025:36 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7240

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:36
Datum uitspraak: 19-03-2025
Datum publicatie: 19-03-2025
Zaaknummer(s): H2024/7240
Onderwerp: Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht over de conclusie van een verzekeringsgeneeskundige rapportage. Garantie voor een volledig veilige terugkeer in eigen werk kan niet worden gegeven, maar dat betekent nog niet dat terugkeer in eigen werk niet mogelijk zou zijn.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
‘S-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 19 maart 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen

[C],
verzekeringsarts, werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts, gemachtigde: mr. A.C. de Die, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster is werkzaam bij een thuiszorgbedrijf, waarvan zij ook mede-eigenaar is. Zij heeft 
na klachten over haar dienstverlening haar werkzaamheden neergelegd en is arbeidsongeschikt 
geraakt. Het expertisebureau, waarvoor de verzekeringsarts werkzaam is, heeft de 
arbeidsongeschiktheid van klaagster beoordeeld op verzoek van de cliëntenraad van het bedrijf. Het 
betrof een gecombineerd psychiatrisch-verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Het onderzoek heeft 
plaatsgevonden op 7 maart 2024 en is uitgevoerd door een psychiater en de verzekeringsarts. De 
definitieve rapportage dateert van 16 april 2024 en bestaat uit een volledige rapportage, die 
alleen naar klaagster is gegaan en een niet- medische verzekeringsgeneeskundige rapportage, die ook 
naar de cliëntenraad is gegaan.

1.2  Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij in het rapport ten onrechte heeft
geconcludeerd dat “op de langere termijn volledige en duurzame terugkeer in haar werk” een optie 
is. Zij acht die conclusie onjuist, omdat klaagster alleen in haar eigen werk kan terugkeren als de 
patiëntveiligheid gegarandeerd is, de verzekeringsarts die garantie niet kan geven en zij daarom 
ook niet in eigen functie kan re-integreren. De verzekeringsarts heeft verweer gevoerd tegen de 
klacht.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.


2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-  het klaagschrift, ontvangen op 3 juni 2022;
-  de aanvulling op het klaagschrift met de bijlagen;
-  het verweerschrift met de bijlagen.

2.2   Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college 
in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1  De klacht betreft de conclusie over de prognose in de niet-medische verzekeringsgeneeskundige 
rapportage.

3.2   In het concept-rapport van 10 april 2024 is onder het kopje prognose het volgende opgenomen 
(alle citaten zijn letterlijk overgenomen):
“De prognose is in principe nog gunstig. Bij een goede behandeling en de juiste match tussen 
belastbaarheid en belasting kan er een goede en duurzame balans in arbeid ontstaan, ook in haar 
eigen werk als hulpverlener. Een terugval kan echter niet 100% voorkomen worden.
Het is dus zaak dat onderzochte met regelmaat contact houdt met de curatieve sector en dat er een 
goed signaleringsplan ligt opdat er tijdig geschakeld kan worden mocht het minder goed gaan met 
haar. Bij voldoende herstel kunnen met name de problemen in het sociaal functioneren goed 
verbeteren. Voor de gestelde beperkingen in het persoonlijk, dynamisch en statisch functioneren en 
t.a.v. de werktijden geldt dat minder, zij hebben nl. ook een preventief karakter, d.w.z. bij 
overschrijding treedt overbelasting van het bewegingsapparaat of haar mentale weerbaarheid op. Met 
name overschrijding van haar mentale grenzen kan terugval uitlokken, hetgeen uiteraard voorkomen 
dient te worden. Bij re-integratie in haar werk als zorgverlener – als onderzochte voldoende 
hersteld is – kan er eerst gekeken worden of zij een patiënt met voornamelijk lichamelijke klachten 
aankan. De grenzen van haar fysieke belastbaarheid acht ik flexibeler als die van haar mentale 
belastbaarheid. Bij haar klachten van het bewegingsapparaat is het van belang dat zij goed in 
beweging blijft, dit zonder zware belasting.”

3.3   Klaagster heeft de verzekeringsarts naar aanleiding van het concept rapport onder meer 
gevraagd of hij de prognose van terugkeer in eigen werk verder kon expliciteren. De 
verzekeringsarts heeft aan de reeds bestaande tekst in het definitieve rapport nog het volgende 
toegevoegd:

“Indien onderzochte er een gezonde levenswijze op na blijft houden, contact houdt met de 
behandelende sector en haar grenzen in de belastbaarheid goed bewaakt, acht ik op de langere 
termijn volledige en duurzame terugkeer in haar werk goed mogelijk. Ook als het gaat om zaken als 
1) de specifieke verantwoordelijkheden in haar het werk, en 2) het hanteren van een veilige manier 
van werken als zelfstandig ambulant begeleider bij kwetsbare cliënten.”

3.4   Klaagster heeft het expertisebureau op 17 april 2024 per e-mail onder meer bericht: 
“Hartelijke dank voor het expliciteren van de eventuele terugkeer in eigen werk. Ik ben blij dat er 
nog wel een verwachting is op langere termijn (…)
(…)
Kunt u aangeven op welke termijn ik me dan weer zal laten onderzoeken door [het
expertisebureau] (…)?
De cliëntenraad heft aangegeven in de toekomst mij pas weer als begeleider in te kunnen zetten als 
[het expertiseburau] heeft gerapporteerd dat het veilig en van goede kwalitatief niveau kan waarbij 
risico’s uit worden gesloten. (…)”

3.5  De psychiater en de verzekeringsarts hebben klaagster op 19 april 2024 onder meer het volgende 
geantwoord:
“ (…) Uw vraag, en de vraag van de cliëntenraad, is (…) eigenlijk om aan te geven of u zonder enig 
risico uw werk weer kunt hervatten. Hoewel wij deze vraag begrijpen, en zouden willen dat wij een 
dergelijke uitspraak zouden kunnen doen, is dat helaas erg moeilijk. Reden daarvoor ligt in het 
feit dat een bipolaire stoornis zich niet laat voorspellen: er zijn mensen die lange tijd zeer 
stabiel functioneren, echter zijn er ook mensen die ondanks medicamenteuze profylaxe toch een 
(hypo)manie of depressieve episode ontwikkelen. Een beoordeling is altijd slechts een momentopname, 
en het zou een schijnveiligheid bieden die geen uitsluitsel geeft over de situatie van bijvoorbeeld 
2 weken later. Ik ben bang dat de zekerheid die de cliëntenraad graag onderbouwd wil zien, niet te 
verkrijgen is.
(…)”

3.6   Hierop hebben zowel de cliëntenraad als klaagster zich opnieuw tot het expertisebureau 
gewend. Klaagster heeft op 2 mei 2025 onder meer geschreven:
“(…) Nu dus blijkt dat er er geen zekerheid kan worden geboden dat ik in de toekomst veilig 
begeleiding kan leveren als gevolg van mijn niet te voorspellen ziektebeeld waarbij het om de week 
anders kan zijn moet het uitblijven van deze zekerheid naar mijn mening ook (zwaar) meewegen in de 
conclusie.
Ik zou dan ook graag zien dat de conclusie wordt genuanceerd zoals ook door de clientenraad is 
gevraagd omdat op deze manier ik niet terug kan in eigen functie maar de 
arbeidsongeschiktheidsverzekeraar dat wel van mij gaat verwachten. (…)”

3.7   Vervolgens hebben klaagster en de cliëntenraad de klachtenfunctionaris van het 
expertisebureau om bemiddeling gevraagd en een klacht ingediend. De cliëntenraad heeft de verzekeringsarts in een e-mail van 15 mei 2024 een een gewijzigde tekst voor de conclusie 
voorgesteld.

3.8  Op 17 mei 2024 hebben de psychiater en de verzekeringsarts klaagster en de cliëntenraad onder 
meer het volgende bericht:
“(…)
Een van de wijzigingen die wordt voorgesteld [college: door de cliëntenraad in de e-mail van 15 mei 
2024] luidt als volgt:
“Indien onderzochte er een gezonde levenswijze op na blijft houden, contact houdt met de 
behandelende sector en haar grenzen in de belastbaarheid goed bewaakt, acht ik op de langere 
termijn volledige en duurzame arbeidsgeschikt als hulpverlener goed mogelijk maar niet in
eigen functie.”
Met name het laatste deel van deze zin “… maar niet in eigen functie” wijkt sterk af van de 
conclusies die werden gesteld in de definitieve rapportages (medisch en niet-medisch). Wij kunnen 
ons niet vinden in deze wijziging. Dit lichten wij hieronder graag nader toe.
Het onderliggende ziektebeeld maakt het niet mogelijk een dergelijk definitief oordeel te stellen. 
Dat er sprake is van een complex ziektebeeld, staat vast; in diagnostische zin is er geen twijfel 
over de gestelde diagnose. Voor het huidige functioneren zijn er beperkingen vastgelegd in termen 
van een functionele mogelijkhedenlijst waarbij zeer aannemelijk is dat het eigen werk voor nu niet 
passend is. Het probleem ten aanzien van vaststellen van beperkingen voor het eigen werk in de 
toekomst zit hem in het feit dat niet met zekerheid vast te stellen is of er überhaupt een recidief 
zal plaatsvinden, en zo ja wanneer en in welke omvang. Er zijn mensen die met de stoornis – zoals 
die bij onderzochte aanwezig is – prima jarenlang kunnen functioneren in complex werk. Wij 
begrijpen dat deze onzekerheid ten aanzien van werk, gezondheid en toekomst ongewenst is, maar het 
is niet iets waar wij meer houvast in kunnen bieden dan wij gedaan hebben. (…)
Ter verduidelijking omtrent de eerder gestelde vraag van [klaagster] over vermeende inconsistenties 
in ons rapport: het is altijd ons oordeel geweest dat onderzochte niet volledig en duurzaam 
arbeidsongeschikt voor haar eigen werk te achten is. Om dit te verhelderen, hebben wij dit in het 
definitieve rapport duidelijker verwoord.

Dat gezegd hebbende is het bovendien hoogst ongebruikelijk dat dergelijke voorgestelde wijzigingen 
door een verwijzer aan ons geciteerd worden ter aanpassing. Dit ondermijnt namelijk onze 
onafhankelijkheidpositie.
(…)”


4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1  Volgens vaste rechtspraak moet een deskundigenrapport van een arts aan de volgende eisen 
voldoen:
1.   Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2.   Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3.   In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke
gronden de conclusies van het rapport steunen;
4.   Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de
gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5.   De rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur.

4.2   Het college toetst daarbij inhoudelijk of het onderzoek door de deskundige voldoende 
vakkundig en zorgvuldig is uitgevoerd. Met betrekking tot de conclusie van de rapportage beoordeelt 
het college of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

Beoordeling van de klacht – is de conclusie van de rapportage onjuist?
4.3   Het college overweegt dat de uitgebrachte rapportages voldoen aan de eisen die daaraan in de 
rechtspraak worden gesteld en hiervoor zijn weergegeven. De niet-medische rapportage van de 
verzekeringsarts bevat een weergave van de verzekeringsgeneeskundige conclusies uit het volledige 
rapport, waaruit de medische gegevens zijn verwijderd.

4.4   Het college kan de conclusie van de verzekeringsarts met betrekking tot de prognose volgen. 
Deze conclusie vloeit logisch voort uit de overwegingen, is goed onderbouwd en de argumentatie is 
niet onjuist. De verzekeringsarts heeft voorts op de nadere vragen van klaagster onderbouwd 
uitgelegd dat en waarom geen garantie kan worden gegeven voor een volledig veilige terugkeer in 
eigen werk, maar ook dat dit nog niet betekent dat terugkeer in eigen werk niet mogelijk zou zijn. 
De verzekeringsarts kon in redelijkheid tot zijn conclusie komen. Dit betekent dat de klacht 
kennelijk ongegrond is.

5. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 19 maart 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths–van Meerwijk, 
voorzitter, N.K.M. van der Plas en M.A.L. Piegza, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door N.A.M. Sinjorgo, secretaris.