ECLI:NL:TGZRSHE:2025:26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2023/6481

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:26
Datum uitspraak: 05-03-2025
Datum publicatie: 05-03-2025
Zaaknummer(s): H2023/6481
Onderwerp: Onzorgvuldige dossiervorming
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Verwijt aan longarts-intensivist dat zij zonder overleg met klager en zijn familie een niet-reanimeerbeleid in het dossier heeft genoteerd en daarbij ook heeft genoteerd dat dit beleid met de familie is besproken. Beslissing medisch zinloze behandeling. Besluit tot niet-reanimeren op medische gronden is per definitie een besluit waarvoor de wilsverklaring van de patiënt en/of toestemming van de familie niet vereist is. Wel moet de patiënt/familie over dit besluit geïnformeerd worden. Gelet op gewicht en betekenis van een dergelijk besluit moet arts ervoor zorgen dat de strekking van het besluit duidelijk bij de gesprekspartners overkomt. Niet-reanimeerbeleid is voldoende aan de orde geweest. Verweerster heeft zich er ook van vergewist of haar boodschap goed begrepen was. Dat verweerster de inhoud van het familiegesprek niet in dossier heeft genoteerd, leidt niet tot een gedeeltelijke gegrondheid van de klacht. Ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH


Beslissing van 5 maart 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager, gemachtigde: [C], wonende in [D],

tegen

[E],
longarts-intensivist,
werkzaam in [F],
verweerster, hierna ook: de longarts-intensivist; gemachtigde: mr. A.C. de Die, werkzaam in 
Amsterdam.

1.   Waar gaat de zaak over?
1.1   In verband met een hersenbloeding werd klager in kritieke toestand binnengebracht op de 
afdeling spoedeisende hulp (SEH) van het ziekenhuis. Na onderzoek op de SEH had de dienstdoende 
neuroloog van het ziekenhuis overleg met een neurochirurg van een neurologisch chirurgisch centrum 
(NCC). Na dit overleg is klager opgenomen op de afdeling intensive care (IC) van het ziekenhuis 
waar verweerster als longarts-intensivist werkzaam is. Verweerster vernam van de SEH-arts dat de 
conclusie uit het overleg van de SEH-arts, de neuroloog en de neurochirurg van het NCC was dat er 
bij verslechtering van de situatie van klager geen behandelmogelijkheid meer voor hem zou zijn. 
Verweerster heeft na de opname van klager op de IC een gesprek gehad met de echtgenote van klager, 
zijn dochter en haar partner. Na dat gesprek heeft verweerster in het dossier genoteerd dat klager 
niet gereanimeerd zou worden bij inklemming van de hersenen. Over dit beleid is door verweerster 
met de familie gesproken. In het medisch dossier is aangevinkt “besproken met familie”.

1.2   Klager verwijt verweerster dat zij dit niet-reanimeerbeleid zonder overleg met klager en zijn 
familie in het dossier heeft genoteerd. Ook verwijt hij verweerster dat zij in het dossier heeft 
genoteerd dat dit beleid in overleg met de familie is geweest, terwijl dit niet het
geval is.
1.3  Verweerster verzoekt het college de klacht ongegrond te verklaren.

1.4   Het college komt tot het oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2.  De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-    het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 27 oktober 2023;
-    het verweerschrift met de bijlagen;
-    de machtiging van klager, ontvangen op 20 maart 2024;
-    het proces-verbaal van het op 2 mei 2024 gehouden mondelinge vooronderzoek, met daaraan 
gehecht de reactie van verweerster op het proces-verbaal.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 8 januari 2025. Klager was met bericht van 
verhindering afwezig. De gemachtigde van klager, verweerster en haar gemachtigde zijn verschenen. 
Verweerster en beide gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht en vragen van het 
college beantwoord. Tijdens de zitting is op verzoek van verweerster, [G], IC-verpleegkundige, als 
getuige gehoord.

3.   Wat is er gebeurd?
3.1   Klager (geboren in 1969) werd op 13 oktober 2023 in het ziekenhuis opgenomen in verband met 
een hersenbloeding. Hij werd op de SEH gezien door de dienstdoende SEH-arts en de dienstdoende 
neuroloog. Er werd een CT-scan gemaakt waarop een grote bloeding met kans op inklemming van de 
hersenen werd gezien. Vervolgens werd overleg gevoerd met een neurochirurg van het NCC, onder 
andere om te bezien of klager daar zou kunnen deelnemen aan een studie. In dat geval zou klager 
niet op de IC van het ziekenhuis worden opgenomen, maar zou hij worden overgeplaatst naar het NCC. 
Klager bleek niet voor deelname aan de studie in aanmerking te komen. Verweerster werd als 
dienstdoende longarts-intensivist van de uitkomst van dat overleg op de hoogte gesteld. De 
conclusie van het gezamenlijke overleg met verweerster was dat bij verslechtering van de situatie 
van klager, er geen behandelopties meer voor hem waren. De SEH-arts schreef in zijn brief aan de 
huisarts hierover op (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“   Beleid
(…)
iom [naam] neuroloog:
overleg [naam NCC] voor evt DIST
->geen mogelijkheid dus opname alhier gezien blijvende hypertensie opname IC iom [naam 
verweerster], intensivist akkoord
iom [naam], neuroloog: indien verslechtering geen behandelmogelijkheid dus dan infauste prognose”

Klager werd vervolgens opgenomen op de IC, waar verweerster hem heeft onderzocht en het verdere 
beleid heeft bepaald. Aansluitend is zij naar de familiekamer gegaan om de daar aanwezige drie 
familieleden van klager te informeren over de kritieke toestand van klager.

Verweerster noteerde daarna in het medisch dossier onder het kopje
‘Behandelbeperking’:
“Gekozen beleid           behandelbeperking Behandelbeperkingen volwassenen
Reanimeren             nee
(…)
Toelichting              Bij inklemming geen therapeutische opties. Besproken met 
patiënt/wettelijke   nee
Vertegenwoordiger
Besproken met familie        ja”

3.3   Op 16 oktober 2023 is klager verplaatst van de IC naar de afdeling Brain Care Unit (BCU) van 
het ziekenhuis. Op verzoek van zijn familie is klager vervolgens op 17 oktober 2023 overgeplaatst 
naar een ander ziekenhuis, zodat hij dichter bij zijn familie kon zijn.

4.   De klacht en de reactie van de longarts-intensivist
4.1  Klager verwijt de longarts-intensivist dat zij:
a)   in het medisch dossier van klager de woorden ‘geen reanimatie’ heeft genoteerd zonder 
wilsverklaring van de patiënt en zonder overleg met de patiënt en zijn familie daarover;
b)   in het dossier heeft genoteerd dat het niet-reanimeerbeleid ‘in overleg met de familie’ zou 
zijn geweest, terwijl dit niet met de familie is besproken.
Als toelichting stelt klager dat deze niet-reanimeerbeslissing later door een arts in het andere 
ziekenhuis bekend werd gemaakt aan hem en zijn familie. Klager stelt dat de vermelding van de 
woorden ‘geen reanimatie’ in het medisch dossier tot onomkeerbare gevolgen hadden kunnen leiden.

4.2  De longarts-intensivist heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.


5.   De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de longarts-intensivist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht 
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende longarts- intensivist. Bij 
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd 
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) het noteren van de woorden ‘geen reanimatie’ zonder wilsverklaring van
de patiënt en zonder overleg met de familie

5.2   Klager stelt dat in het geheel niet gesproken is over niet-reanimeren en dat ook geen 
gezamenlijk overleg daarover is geweest. Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij op goede 
gronden het beleid niet met klager zelf besproken heeft, maar wel met de familie. Zij heeft de 
zorgelijke situatie van klager met de familie besproken. Zij heeft verteld dat klager achteruitging 
en dat zij zich zorgen over klager maakte. Zij heeft uitgelegd dat er in het geval van inklemming 
van de hersenen medische redenen waren om af te zien van reanimatie. Volgens verweerster heeft in 
elk geval één van de drie aanwezige familieleden haar boodschap goed begrepen en dat was voor haar 
ook belangrijk. Verweerster voegt hieraan toe dat het beleid om niet te reanimeren een medisch 
besluit is dat zij aan de familie heeft medegedeeld. Van shared decision-making (een gezamenlijk 
besluit in overleg met de familie) was geen sprake. Verweerster heeft aangevoerd dat het aan de 
arts is om te beslissen of al dan niet sprake is van medisch zinloos handelen. Als de arts besluit 
dat reanimeren zinloos is, hoeft dat niet met de familie te worden overlegd. Wel moet tegen de 
familie worden gezegd dat dit besluit is genomen. Verweerster heeft dat ook in het medisch dossier 
genoteerd. Verweerster heeft echter geen verslag van het familiegesprek in het dossier opgenomen.

5.3   Het college stelt voorop dat artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat iedere 
arts verplicht is te handelen als een goed hulpverlener. Dit houdt onder meer in dat een medische 
behandeling altijd gerechtvaardigd moet kunnen worden. Die rechtvaardiging moet liggen in een 
bepaald belang voor de patiënt. Als een behandeling niet (meer) in het belang van de patiënt is, is 
sprake van medisch zinloos handelen. Op grond van de richtlijnen waarnaar artsen moeten handelen, 
is het een arts niet toegestaan een medisch zinloze behandeling uit te voeren. De beslissing of een 
behandeling medisch zinloos is, ligt uitsluitend bij de arts.

5.4   Dit betekent dat een besluit tot niet-reanimeren op medische gronden per definitie een 
besluit is waarvoor de wilsverklaring van de patiënt en/of toestemming van de familie niet vereist 
is. De arts dient de patiënt en/of zijn familie wel te informeren over dit medische besluit en dit 
ook in het dossier te noteren.

5.5   Op basis van de aantekeningen in het medisch dossier staat voor het college vast dat het 
besluit om - in het geval van inklemming van de hersenen - klager niet te reanimeren, een medisch 
besluit was en dat dit besluit in multidisciplinair overleg is genomen. Hierbij waren immers de 
SEH-arts, de dienstdoende neuroloog, de neurochirurg van het NCC en verweerster betrokken. De 
stelling van klager dat het een gezamenlijk besluit had moeten zijn, in die zin dat zijn 
toestemming en/of overleg met de familie noodzakelijk was, is gelet op hetgeen hiervoor in alinea 
5.3 en 5.4 is overwogen, onjuist. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel b) het noteren dat het niet-reanimeerbeleid ‘in overleg met de familie’ is
geweest

5.6   Klager stelt dat in het dossier ten onrechte is vermeld dat het niet-reanimeerbeleid met de 
familie is besproken. Volgens klager is tijdens de familiegesprekken niet over dit beleid 
gesproken. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van klager verklaard dat met de familie wel is 
gesproken over de ernst van de situatie en het grote risico op verergering van de bloeding. Gezegd 
is dat in dat geval allerlei functies in het lichaam zouden kunnen uitvallen.

5.7   Voor het college staat hiermee vast dat verweerster in ieder geval heel duidelijk is geweest 
over de kritieke toestand van klager. Ook het risico op inklemming en de gevolgen daarvan zijn door 
haar besproken.

5.8   In het dossier staat vermeld dat verweerster de familie heeft geïnformeerd over het 
niet-reanimeer-beleid. Klager stelt dat dit onterechte in het dossier staat vermeld. Het college 
gaat in beginsel uit van de juistheid van de inhoud van een medisch dossier, tenzij het tegendeel 
blijkt of aannemelijk wordt gemaakt. Dat laatste is hier niet het geval. Klager heeft zijn stelling 
niet onderbouwd noch aannemelijk gemaakt.

5.9   Het college wijst er allereerst op dat het gebruik van de woorden ‘besproken met familie’ 
niet betekent dat de beslissing in overleg met de familie is genomen. Zoals hiervoor in alinea’s 
5.3 en 5.4 is overwogen, betreft het niet-reanimeer-beleid een medisch besluit, waarover de familie 
behoort te worden geïnformeerd. De vermelding van het woord
‘besproken’ betekent in dit verband dat de familie ‘geïnformeerd’ is, in die zin dat het medische 
besluit aan de familie is medegedeeld. Gelet op het gewicht en de betekenis van een dergelijk 
besluit, mag van een arts worden verwacht dat hij door het gesprek met de patiënt en de naaste 
familie ervoor zorgdraagt dat de strekking van het besluit om niet te reanimeren duidelijk bij de 
gesprekspartners overkomt. Van een arts mag worden verwacht dat hij nagaat of dat ook daadwerkelijk 
het geval is geweest.

5.10  Vaststaat dat verweerster tweemaal met de familie heeft gesproken. Eénmaal direct na opname 
van klager op de IC en een tweede keer, nadat de IC verpleegkundige verweerster liet weten dat zij 
dacht dat de slechte boodschap niet goed tot de familie was doorgedrongen. De IC-verpleegkundige 
heeft dit zowel schriftelijk als tijdens de zitting als getuige verklaard. In het medisch dossier 
is door de verpleegkundige daarover ook genoteerd: “Dochter en vrouw lijken infauste prognose te 
verdringen.”

5.11  Door klager is niet weersproken dat het mannelijke familielid, dat bij het eerste gesprek op 
de familiekamer aanwezig was (de partner van de dochter) heeft gezegd de boodschap van verweerster 
te begrijpen. Voor verweerster was het op dat moment voldoende te weten dat in elk geval een van de 
gesprekspartners begrepen had dat klager bij inklemming van de hersenen niet zou worden 
gereanimeerd. Naar het oordeel van het college mocht verweerster op dat moment dan ook besluiten om 
direct terug te keren naar de patiënt, wiens situatie haar prioriteit had. Een mededeling over de 
ernst van de situatie van de patiënt, kan voor de familie als een schok zijn aangekomen. Het is dan 
ook niet ongebruikelijk om na het brengen van een heftige boodschap, die veel emotie oproept en mogelijk nog 
niet tot alle gespreksdeelnemers doordringt, op een later moment terug te komen en verder te 
praten. Dat heeft verweerster ook gedaan, nadat zij van de IC- verpleegkundige vernam dat de 
boodschap mogelijk niet bij de familie was doorgedrongen. Verweerster heeft op dat moment gecheckt 
of de familie de boodschap die verweerster in het eerste gesprek had gebracht, begrepen had.

5.12  Naar het oordeel van het college is op meer dan voldoende wijze het niet- reanimeerbeleid aan 
de orde geweest. In het dossier staat immers vermeld dat het niet- reanimeren met de familie is 
besproken en daarnaast is niet weersproken dat de partner van de dochter naar aanleiding van de 
mededeling van verweerster heeft gezegd: “Ik vind het
heel moeilijk om te horen, maar ik begrijp het wel”. Ook staat vast dat verweerster, nadat de 
IC-verpleegkundige een opmerking had gemaakt, nogmaals met de familie in gesprek is gegaan. 
Verweerster heeft zich er bovendien van vergewist of haar boodschap goed begrepen was en mocht 
genoegen nemen met het feit dat in ieder geval de partner van de dochter het had begrepen. Er zijn 
door klager geen omstandigheden aangevoerd waaruit het tegendeel zou blijken, noch is dit door hem 
aannemelijk gemaakt. Ook aangenomen dat mogelijk niet letterlijk de woorden ‘niet-reanimeerbeleid’ 
gebruikt zijn, doet aan het voorgaande niet af. Het is immers de bedoeling dat familie begrijpt dat 
als verdere behandeling medisch zinloos is, er niet zal worden gereanimeerd. Wellicht was het wat 
zorgvuldiger geweest om een meer uitgebreid verslag te maken van de betreffende gesprekken in het 
dossier. Het niet noteren van de inhoud van die gesprekken acht het college echter van zodanig 
onvoldoende gewicht dat dit enkele gegeven niet tot een deels gegronde klacht zou kunnen leiden. 
Het klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.13  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
N.H.J. Lafghani, lid-jurist, B.E.E.M. van den Borne, P. Baas en W.N.K.A. van Mook, leden- 
beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 5 maart 2025.