ECLI:NL:TGZRSHE:2025:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7923

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:148
Datum uitspraak: 17-12-2025
Datum publicatie: 17-12-2025
Zaaknummer(s): H2024/7923
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen KNO-arts. Klaagster, patiënte, verwijt verweerder onder andere dat hij haar niet hielp met haar bloedneuzen met lage hemoglobine-waarden tot gevolg en dat hij haar huisarts onjuist informeerde. Verweerder verwees klaagster niet door en bood geen second opinion aan. Volgens klaagster stond verweerder klaagster onbeschoft te woord en leunde tegen haar borsten. Verweerder schond de privacy van klaagster door haar informatie te delen in deze procedure en door op illegale wijze informatie te verkrijgen, aldus klaagster.  College: Verweerder zag geen bevestiging van de bloedneuzen en spande zich voldoende in. Verweerder schond de privacy van klaagster niet.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH


Beslissing in raadkamer van 17 december 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen:

[C],
KNO-arts,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: (KNO-)arts,
gemachtigde mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster verwijt verweerder dat hij klaagster niet heeft geholpen met haar bloedneuzen die 
volgens klaagster hebben geleid tot lage hemoglobine-waarden (hierna: Hb-of HB-waarden). Verweerder 
wordt daarnaast verweten klaagster niet te hebben doorverwezen naar een academisch ziekenhuis en 
geen second opinion te hebben aangeboden. Volgens klaagster heeft verweerder verder klaagster 
onbeschoft te woord gestaan en heeft verweerder tegen de borsten van klaagster geleund toen hij 
klaagster onderzocht. Klaagster stelt ook dat verweerder de huisarts van klaagster onjuist heeft 
geïnformeerd over de Hb-waarden van klaagster. Verweerder heeft tot slot de privacy van klaagster 
geschonden door het delen van haar gegevens in deze procedure en door het op illegale wijze 
verkrijgen van informatie over klaagster, aldus klaagster.

1.2   Verweerder heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren. 
Verweerder kon geen aanleiding vinden voor de door klaagster gestelde ernstige bloedneuzen. De 
meermaals gemeten Hb-waarden waren stabiel en goed. Daarnaast heeft hij na herhaald onderzoek geen 
locatie van een bloeding (hierna: (bloedings)focus) in de neus kunnen vaststellen.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-    het klaagschrift, ontvangen op 11 december 2024;

-    het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 27 februari 2025;
-    de aanvulling op het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 april 2025;
-    het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 10 april 2025;
-    het e-mailbericht van klaagster van 19 april 2025;
-    de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 22 april 2025;
-    de brief van 7 mei 2025 van de secretaris aan klaagster;
-     de aanvulling op het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van klaagster, ontvangen 
op 27 mei 2025;
-    de dupliek, ontvangen op 17 juni 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
heeft beoordeeld op basis van de stukken zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   Klaagster is sinds 2017 onder behandeling op de KNO-afdeling vanwege bloedneuzen. Klaagster 
is vanwege de bloedneusklachten vier keer geopereerd: op 4 december 2020, 2 juni 2021, 12 juli 2023 
en op 15 januari 2024. Klaagster is bekend met het posttraumatisch stresssyndroom (hierna: PTSS). 
Vanwege de PTSS heeft klaagster gevraagd om onder narcose te worden geopereerd om haar bloedneuzen 
te verhelpen.

3.2  Tussen 17 februari 2023 tot en met 10 juni 2024 zijn op de KNO-afdeling Hb-
waarden van klaagster gemeten tussen de 7,2 en 7,9. Tussen 30 september 2024 en 17 januari 2025 
zijn de Hb-waarden van klaagster gemeten tussen 7,8 en 8,4.

3.3   Op 4 oktober 2024 heeft verweerder genoteerd in het medisch dossier van klaagster (alle 
citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Anamnese
wederom epistaxis links. Zou 3 keer per dag bloeden.
Lichamelijk onderzoek
RA: wat oud bloed in de neus links. Na schoon maken geen duidelijk focus
Conclusie rec epistaxis Beleid
Patiente dringt aan op opnieuw onder narcose [college: te worden geopereerd]. Echter geen duidelijk 
focus, ik verwacht niet dat ik haar onder narcose beter kan helpen dan op poli. (…)
Overige acties
(…) Behandeling van een neusbloeding met tamponade van voren.”


3.4  Op 7 oktober 2024 is in het medisch dossier door een collega van verweerder genoteerd:
“Anamnese (…)

MEt tampon toch nog wel iets gebloed
Lichamelijk onderzoek
Wil toch tampon eruit hebben
Na verwijederen (…) Geen actief (…) focus (…)
Conclusie
Droog na detamponnade
Beleid
Zn afspraak (…)”

3.5  Op 22 november 2024 noteerde verweerder in het medisch dossier:
“(…) Lichamelijk onderzoek
(…) Geen focus aanwijsbaar.
Conclusie
(…) Volgens patiente veel en 3-4 keer per dag een bloeding. Echter Hb blijft stabiel en ik zie geen 
bloedingsfocus. Verhaal past niet bij de feitelijke waarnemingen Beleid
Patiente stuurt aan op opnieuw behandelen onder narcose. Ik heb aangegeven dat ik geen focus zie en 
geen vertrouwen heb dat deze behandeling zal bijdragen.
Behandelingen onder plaatselijke verdoving staat zij niet toe, al zou daar op dit moment ook geen 
indicatie voor zijn. Na overleg met collega’s is het besluit dat ik op grond van de huidige 
situatie geen indicatie heb om mevrouw onder narcose te behandelen. Patiente verzoekt om verwijzing 
naar academisch ziekenhuis maar ook daarvoor bestaat geen indicatie. Expectatief beleid zal worden 
gevoerd”

3.6  Op 22 november 2024 e-mailde klaagster via het e-consult aan verweerder:
“(…) Misschien is het beter als U mij verwijst naar het (…) [academisch ziekenhuis]
(…). Daar ben ik jaren geleden behandeld aan mijn neus. En die gaat wel door om de oplossing te 
vinden van mijn bloedneuzen. (…) En bent U af van een mondige patiënt die door haar beperking geen 
behandeling meer krijgt die ze nodig heeft om te kunnen functioneren zonder rekening te houden met 
een plotselinge bloedneus”
Dezelfde dag is naar klaagster geantwoord dat verweerder haar verzoek zou bespreken met collega's.

3.7   Op 9 december 2024, na overleg met zijn collega's, heeft verweerder het volgende aan de 
huisarts van klaagster geschreven:
“(…) Bovengenoemde patiënt zagen wij op 22-11-2024 op: Polikliniek KNO.
Conclusie
Rec epistaxis. Volgens patiente veel en 3-4 keer per dag een bloeding. Echter Hb blijft stabiel en 
ik zie geen bloedingsfocus. Verhaal past niet bij feitelijke waarnemingen
Beleid
Patiente stuurt aan op opnieuw behandelen onder narcose. Ik heb aangegeven dat ik geen focus zie en 
geen vertrouwen heb dat deze behandeling zal bijdragen.

Behandelingen onder plaatselijke verdoving staat zij niet toe, al zou daar op dit moment ook geen 
indicatie voor zijn. Na overleg met collega's is het besluit dat ik op grond van de huidige 
situatie geen indicatie heb om mevrouw onder narcose te behandelen. Patiente verzoekt om verwijzing 
naar academisch ziekenhuis maar ook daarvoor bestaat geen indicatie. Expectatief beleid zou worden 
gevoerd
(…) Anamnese
Mevrouw meldt dat zij dagelijks 3-4 keer een bloedneus heeft. Op het moment van polibezoek aan de 
rechterzijde enig bloedverlies, niet stromend.
Lichamelijk onderzoek
(…) Geen focus aanwijsbaar. (…)”


3.8  Op 13 december 2024 heeft verweerder genoteerd in het medisch dossier:
“Anamnese
Patiente belt met assistente dat zij wederom een bloedneus heeft die reeds meer dan een uur aan de 
gang is. Daarop heeft assistente overlegd met mij en ik heb aangegeven dat patiente direct naar (…) 
[ziekenhuis waar verweerder werkt (hierna: ziekenhuis verweerder)] mag komen ter beoordeling. 
Patiente belt 5 minuten later terug (…) dat het even duurt voor zij in (…) [ziekenhuis verweerder] 
is. Mijn assistente geeft aan dat dit geen probleem is, we verwachten haar. Nadien belt patiente 
opnieuw terug. (…) voelt zich niet goed en wordt vervoerd naar (…) [ziekenhuis B waar verweerder 
niet werkt]. Geeft daarbij aan erg boos te zijn op (…) [verweerder] en dreigt met aanklacht (?) Ik 
wacht bericht vanuit (…) [ziekenhuis B] over de daar verrichtte behandeling af.”

3.9  Op 17 december 2024 berichtte klaagster verweerder in een e-consult:
“(…) Op de SEH van (…) [ziekenhuis B] is er door de kno arts van dienst wel degelijk een focus 
vastgesteld. Dat U mij een lastige patient vindt ok maar als U echt diep in mijn neus gekeken had 
was er volgens deze arts een focus te zien van de bloeding. Waarom als het zo onduidelijk stuurt U 
mij niet door naar een academisch ziekenhuis waar ik al eerder onder behandeling ben geweest. Ik 
neem dit U zeer kwalijk en ook dat U mij niet serieus neemt met een HB waarde van 5.8 ik heb een 
ijzer infuus gekregen en is er een tampon geplaatst. (…) ik moet wel terug naar de behandelende 
arts U dus. Maar wat heeft het voor zin als we ruziemaken in plaats van kijken wat er aangedaan kan 
worden. Ik wil geen narcose als het niet nodig is maar dat weigert U evenals een andere oplossing. 
(…) U heeft ook heel veel geduld en toewijding aan mij gegeven en dat waardeer ik ook maar ik ben 
ook zeer zeer boos en teleurgesteld (…)”

3.10  Op dezelfde dag e-mailde verweerder aan klaagster:
“(…) Is het handig als ik even overleg met de KNO-arts die u gezien heeft? Ik ken de KNO-artsen in 
(…) [ziekenhuis B] allemaal zeer goed en werk daar regelmatig mee samen (…). Het is eventueel ook 
mogelijk om de tampon bij mij te laten verwijderen, eventueel kunnen we een extra Hb controle in 
(…) [ziekenhuis verweerder] doen als u dat gerust stelt. (…)”


3.11  Op 17 december 2024 reageerde klaagster daarop in het e-consult:
“(…) Ik stuur U de brief die gestuurd is naar de huisarts wel door. En de tampon is er al 
uitgehaald. Gaat U nu achter mijn rug om contact opnemen of dat het wel klopt wat ik zeg niet te 
geloven hoezo overleg U was toch zeker van U zaak dat U op geen enkele manier wou helpen. Laat 
staan doorverwijzen dat is gelukkig ook geregeld.
Waarom geen enkele hulp van mijn probleem en dat mijn hb in het (…) [ziekenhuis verweerder] dossier 
op peil is niet gek ijzer infuus gehad. Nogmaals ik sta en stond open voor oplossingen en niet 
perse iets wat onder narcose moet. (…)”

3.12  Op 18 december 2024 e-mailde verweerder aan klaagster:
“(…) Het was een vraag, als u niet wil dat ik contact opneem dan doe ik dat uiteraard niet. Zou u 
de brief naar mijn poli willen doorsturen/mailen. Dan voegen we die in uw dossier. (…)”
De brief van het bezoek aan ziekenhuis B is niet in deze procedure ingebracht.


3.13  Op 19 december 2024 had klaagster een Hb-waarde van 7,8 die op 17 januari 2025 was gestegen 
naar 8,0.

3.14  Bij de brief van 27 februari 2025 heeft een KNO-arts werkzaam in een academisch ziekenhuis 
(hierna: ziekenhuis C) het volgende geschreven aan de huisarts van klaagster: “(…) Reden van 
telefonische controle: controle recidiverende epistaxis (second
opinion).
Anamnese
Het gaat nog niet goed met patiënte. (…) recidiverende epistaxis 3a4 keer per dag. Geeft aan 
ondanks conservatieve maatregelen met onder andere afdrukken de bloedneus moeizaam kan stelpen. 
Klachten hebben veel impact op dagelijks
functioneren. (…) Er wordt nagedacht over behandeling met Acenocoumarol maar dat
is nu nog niet opgestart. (…)”
Op 10 april 2025 heeft klaagster deze brief in deze procedure ingebracht.


4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1  Verweerder wordt verweten dat hij:
a)   geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van klaagster om een oplossing voor haar 
neusbloedingen;
b)   klaagster onbeschoft te woord heeft gestaan tijdens het laatste consult;
c)   een aanname heeft gedaan over de Hb-waarden van klaagster;
d)   klaagster niet heeft doorverwezen naar het academisch ziekenhuis waar klaagster eerder was 
behandeld;
e)   klaagster niet heeft doorverwezen voor een second opinion;

f)   de huisarts van klaagster een brief heeft gestuurd met onjuiste informatie over Hb-waarden, 
althans verweerder heeft zonder onderzoek gesteld dat de Hb-waarden van klaagster stabiel waren;
g)   meermaals tegen de borsten van klaagster heeft aangeleund als hij klaagster onderzocht. Als 
klaagster hierover een opmerking maakte dan verslechterde daardoor de arts-patiëntrelatie;
h)   de privacy van klaagster heeft geschonden door het delen van patiëntgegevens tijdens de 
tuchtprocedure, althans tijdens het mondeling vooronderzoek;
i)   op niet legale wijze informatie over klaagster heeft gekregen.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.


4.3   Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en licht 
dat hieronder toe. Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van 
partijen.

5. De overwegingen van het college
Criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende KNO-arts. Het gaat er niet om of de 
KNO-arts, achteraf beschouwd, misschien beter of anders had kunnen handelen, maar of hij bij de 
destijds bekende stand van zaken heeft gehandeld als een redelijk bekwame en redelijk handelend 
arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de KNO-arts geldende beroepsnormen en 
andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek om een oplossing
5.2   Klaagster verwijt verweerder geen oplossing te hebben aangedragen voor de dagelijkse hevige 
bloedneuzen. Het college begrijpt de klacht aldus dat klaagster verweerder verwijt dat hij 
klaagster onvoldoende heeft onderzocht en niet heeft willen opereren.

5.3   Verweerder heeft aangevoerd dat hij klaagster steeds heeft willen helpen. Hij heeft haar 
steeds uitgenodigd om direct bij hem langs te komen wanneer zij aangaf een hevige bloedneus te 
hebben. Op de momenten dat klaagster bij hem kwam, kon verweerder de klachten niet verifiëren. 
Verweerder heeft toegelicht dat hem na meermaals onderzoek geen operatie-indicatie is gebleken.

5.4   Het college overweegt dat uit het medisch dossier blijkt dat steeds wanneer klaagster aangaf 
hevige bloedingen te hebben, klaagster naar de polikliniek mocht komen en werd onderzocht. Bij deze 
onderzoeken werd telkens geen bloedingsfocus geconstateerd en bleken de Hb-waarden van klaagster 
stabiel en goed. Deze bevindingen bevestigden de door klaagster gestelde hevige bloedingen niet. 
Nadat klaagster had bericht dat in ziekenhuis B wel een bloedingsfocus en een lage Hb-waarde was geconstateerd, bood verweerder aan om contact op te nemen met ziekenhuis B om hun bevindingen met betrekking tot de klachten van klaagster te bespreken. Klaagster gaf daarvoor echter geen toestemming. Klaagster overlegde de brief van dit 
consult niet aan verweerder ondanks het verzoek van verweerder. Klaagster heeft de brief van dit 
bezoek ook niet in deze procedure ingebracht. Het college is hierdoor nog steeds geen 
bloedingsfocus, geen lage Hb-waarde en daarmee geen operatie-indicatie gebleken. Dat klaagster de 
informatie over de bloedingsfocus en de lage Hb-waarde niet aan verweerder heeft overgelegd, kan 
verweerder niet worden verweten. In zoverre is klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond.

5.5   Ondanks dat verweerder geen operatie-indicatie zag, heeft verweerder het operatieverzoek van 
klaagster intern besproken. Ook de collega’s van verweerder zagen geen operatie-indicatie. Het 
college meent dat verweerder zich voldoende heeft ingespannen om klaagster te onderzoeken en om een 
oplossing te (proberen te) vinden. Klachtonderdeel
a) is voor het overige kennelijk ongegrond.


Klachtonderdeel b) klaagster onbeschoft te woord gestaan en g) meermaals tegen de borsten 
aangeleund
5.6   Deze klachtonderdelen worden gezamenlijk beoordeeld. Klaagster heeft geen concrete feiten of 
omstandigheden aangedragen waaruit de onbeschofte communicatie van verweerder zou hebben bestaan. 
Klaagster heeft ook niet genoemd onder welke omstandigheden en wanneer verweerder tegen de borsten 
van klaagster zou hebben geleund. Klaagster heeft weliswaar aangegeven dat, als zij dit met 
verweerder besprak, dit leidde tot een verslechtering van de behandelrelatie, zij heeft echter 
niets over dit gesprek toegelicht, op welke manier de behandelrelatie verslechterde en waaruit dat 
bleek. Verweerder heeft aangevoerd dat hij zich niet herkent in het door klaagster gestelde en dat 
er in de spreekkamer altijd een assistente aanwezig was.

5.7   Uit overgelegde stukken, waaronder het medisch dossier inclusief de e-consulten, is het 
college geen onbeschofte wijze van communicatie of (seksueel) grensoverschrijdend gedrag gebleken. 
Het college overweegt dat het enkele noemen dat ‘verweerder klaagster onbeschoft te woord heeft 
gestaan’ en ‘tijdens onderzoeken onnodig tegen de borsten heeft geleund’ onvoldoende concreet is. 
Het lag wel op de weg van klaagster om de situatie en het verwijt te beschrijven. Het college 
overweegt verder dat in gevallen waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken 
uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, een 
verwijt dat is gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet gegrond kan worden bevonden. Dat 
brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel 
berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van 
verweerder. Dit oordeel berust op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten 
gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten 
grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Deze 
klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

Klachtonderdelen c) aanname Hb-waarde en f) brief aan huisarts onjuiste Hb-waarden
5.8   Vanwege de samenhang lenen deze klachtonderdelen zich ook voor gezamenlijke beoordeling. 
Klaagster stelt dat de bij haar in ziekenhuis B gemeten Hb-waarde 5,8 was. Klaagster heeft geen 
onderzoeken overgelegd waaruit deze Hb-waarde is gebleken en heeft verweerder niet toegestaan om 
met de arts te overleggen die deze Hb-waarde zou hebben vastgesteld. Ook heeft klaagster niet 
aangegeven over welke brief aan de huisarts zij klaagt. Verweerder heeft de laboratoriumonderzoeken 
van de Hb-waarden van klaagster en zijn brief van 9 december 2024 aan de huisarts van klaagster 
overgelegd.

5.9   Het college stelt vast dat verweerder in de brief aan de huisarts geen concrete Hb-waarden 
heeft genoemd. Hij heeft enkel geschreven dat de Hb-waarden stabiel en goed waren, wat ook was 
gebleken uit de verrichte onderzoeken. Klachtonderdelen c) en f) zijn kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d) Geen doorverwijzing naar academisch ziekenhuis
5.10  Het college overweegt dat op basis van de door verweerder beoordeelde situatie, namelijk 
bloedneuzen waarbij geen bloedingsfocus is gebleken met daarbij een stabiele goede Hb-waarde, er 
geen aanleiding was om klaagster door te verwijzen naar een academisch ziekenhuis. Verweerder valt 
geen tuchtrechtelijk verwijt te maken nu hij klaagster niet heeft doorverwezen. Dit klachtonderdeel 
is ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel e) Geen second opinion
5.11  Het college is niet gebleken dat klaagster aan verweerder heeft gevraagd om een second 
opinion. Dit blijkt niet uit het dossier en klaagster heeft niet concreet toegelicht wanneer zij 
dit gevraagd zou hebben. Gezien het eerder overwogene had verweerder geen aanleiding om een second 
opinion te adviseren. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel h) privacy van klaagster geschonden tijdens de tuchtprocedure
5.12  Paragraaf 5.7.1 van de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens versie 2024, (hierna: 
KNMG-richtlijn) bepaalt het volgende:
“(…) Tegen de arts kan een klacht worden ingediend bijvoorbeeld (…) een tuchtklacht op grond van de 
Wet BIG. (…) In al deze gevallen zal een arts zijn kant van het verhaal willen doen. (…) van artsen 
wordt ook verwacht dat zij zich toetsbaar opstellen en verantwoording afleggen voor hun handelen. 
(…) Om zich in een juridische procedure goed te kunnen verweren, heeft de arts doorgaans medische 
gegevens van de patiënt nodig, die hij vervolgens inbrengt in de procedure zodat de beoordelende 
instantie daar kennis van kan nemen. (…) Voor het gebruiken, c.q. delen, van medische gegevens van 
de patiënt voor het verweer is wel een rechtvaardiging nodig. Met het verstrekken van de gegevens in een juridische procedure doorbreekt de arts immers zijn medisch beroepsgeheim.

De rechtvaardiging voor het gebruik van medische gegevens voor het verweer in een (…) tuchtzaak (…) 
kan worden gevonden in het 'recht op een eerlijk proces', zoals vastgelegd in het Europese Verdrag 
voor de Rechten van de Mens (EVRM). Als de arts de medische gegevens van de patiënt niet zou mogen 
gebruiken, zou hij immers in een ongelijke positie staan ten opzichte van de patiënt die deze 
gegevens wel kan gebruiken. Artsen hebben een te respecteren eigen belang om zich adequaat te 
kunnen verweren. (…)

Een arts die zich wil verweren aan de hand van medische gegevens van de patiënt heeft hiervoor dus 
géén toestemming van de patiënt nodig. (…) De inzage in en het gebruik van medische gegevens voor 
het verweer moeten wel binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit blijven. (…)”

5.13  Klaagster heeft niet aangegeven welke informatie verweerder volgens klaagster niet had mogen 
overleggen in deze procedure. Het college is niet gebleken dat verweerder irrelevante informatie of 
informatie van klaagster heeft overgelegd die buiten de grenzen van proportionaliteit en 
subsidiariteit zou vallen. Het college oordeelt dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

Klachtonderdelen i) op illegale wijze informatie over klaagster verkregen
5.14  Klaagster heeft niet aangevoerd welke informatie verweerder op illegale wijze zou hebben 
verkregen en wat de wijze van verkrijging zou zijn. Verweerder heeft enkel de medische informatie 
van de behandeling in zijn polikliniek overgelegd die relevant was voor de beoordeling van de 
klacht van klaagster. Tijdens het mondeling vooronderzoek is de door klaagster overgelegde brief 
van 27 februari 2025 uit ziekenhuis C met verweerder besproken. Omdat verweerder niet heeft 
bijgedragen aan het verkrijgen en inbrengen van deze informatie, kan hem hierover geen 
tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. In zoverre is dit klachtonderdeel i) ook kennelijk 
ongegrond.

5.15  In het geval klaagster met haar klacht doelt op het intern overleg over de 
operatie-indicatie, zoals overwogen in alinea 5.5, beschrijft de KNMG-richtlijn in paragraaf 1.4.1 
hierover het volgende:
“(…) Hulpverleners die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de 
behandelingsovereenkomst, worden ook wel ‘rechtstreeks betrokkenen’ genoemd. Tussen deze 
hulpverleners geldt de zwijgplicht niet. Dit betekent dat aan rechtstreeks betrokkenen informatie 
over de patiënt mag worden verstrekt, voor zover dit noodzakelijk is voor de door hen te verrichten 
werkzaamheden. (...) Daarnaast valt onder de rechtstreeks betrokkenen ook bijvoorbeeld de collega-
vakgenoot aan wie advies wordt gevraagd in het kader van de behandeling. (…)”

Het college oordeelt dat verweerder heeft gehandeld volgens de KNMG-richtlijn. Verweerder heeft 
zorgvuldig gehandeld door, nadat hij zelf geen indicatie voor een operatieve ingreep zag, hierover 
nog met zijn collega's te overleggen. Dit klachtonderdeel is ook kennelijk
ongegrond.


Slotsom
5.16  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door F.C. Alink-Steinberg, voorzitter, J.A.M. Engel en
R.N.P.M. Rinkel, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het 
openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.