ECLI:NL:TGZRSHE:2025:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7842
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:147 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-12-2025 |
| Datum publicatie: | 17-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7842 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen de gz-psycholoog die zijn regiebehandelaar was. De klacht kan niet los worden gezien van de klacht tegen de behandelend gz-psycholoog. Het college heeft de klacht tegen deze behandelaar eerder kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het college oordeelt dat klager zijn klacht heeft ingediend met het uitsluitend oordeel een contactverbod te omzeilen en om de behandelaar te bedreigen. Het college oordeelt dat de onderhavige zaak met hetzelfde doel is ingediend en dat de bedreigingen zich richten op de behandelaar en de beklaagde regiebehandelaar. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 17 december 2025 op de klacht van:
[A],
verblijvende in [B],
klager
tegen:
[C],
gezondheidszorgpsycholoog,
werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde mr. S.F. Tiems.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Verweerster is werkzaam als zorgverlener bij een instelling die forensische
ambulante zorg,
klinische zorg en reclasseringsdiensten verleent. Klager is bij de instelling onder
behandeling
geweest. Verweerster was de regiebehandelaar. Een collega gezondheidszorgpsycholoog
was zijn
behandelaar. Deze collega wordt hierna V. genoemd. Tegen V. heeft klager een klacht
ingediend bij
het college. Op 16 juli 2025 heeft het college klager in die zaak niet-ontvankelijk
verklaard
wegens misbruik van recht (zaaknummer H2024/7222 ECLI:NL:TGZRSHE:2025:81). Tegen
een derde
zorgverlener, werkzaam bij dezelfde instelling als psychiater, hierna R., heeft
klager ook een
klacht ingediend (zaaknummer H2024/7853).
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ook niet-ontvankelijk moet worden
verklaard in
zijn klacht tegen verweerster, eveneens wegens misbruik van recht. Hierna worden
eerst de procedure
en de feiten benoemd, daarna zal het college de klachtonderdelen benoemen en uitleggen
waarom het
tot het oordeel ‘niet-ontvankelijk’ is gekomen.
1.3 Heden verklaart het college klager ook kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen R.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 19 november 2024;
- de brief van 10 december 2024 van de secretaris aan klager;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 23 december 2024
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 maart 2025;
- de brief van 8 april 2025, ontvangen van de gemachtigde van verweerster;
- een USB-stick, op 9 april 2025 ontvangen van de gemachtigde van verweerster;
- de brief van 24 april 2025 van de secretaris aan klager;
- de brief van klager, ontvangen op 1 augustus 2025;
- het aanvullende verweerschrift, ontvangen op 28 augustus 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 11 september
2025;
- de brief van 13 oktober 2025 van klager, ontvangen op 15 oktober 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen V. Op die klacht heeft het college
op 16 juli 2025
een eindbeslissing gewezen. De feiten die het college in de onderhavige zaak vaststelt
zijn ook in
de zaak H2024/7222 vastgesteld.
3.2 De strafrechter heeft klager bij vonnis van 13 juli 2022 een aantal voorwaarden
opgelegd.
Deze bestonden er onder meer uit dat klager onder behandeling zou komen van een
zorgverlener. V.
was in dat kader uitvoerend behandelaar en verweerster was regiebehandelaar. Klager
is door V.
behandeld van 5 april 2023 tot 24 januari 2024.
3.3 V. had op 18 januari 2024 de laatste behandelafspraak met klager. Klager had
voorafgaand aan
dat moment een groot aantal appjes aan V. gestuurd. V. heeft klager gevraagd of
klager verliefd op
haar was. Het gesprek is geëindigd toen klager opstond en wegliep.
3.4 V. heeft daarover nadien bij de politie verklaard dat zij tijdens dit contact
duidelijk had
gemaakt dat zij enkel een vertrouwensband voelde in het kader van het hulpverleningstraject
en dat
zij geen andere gevoelens voor klager had.
3.5 De behandeling is vervolgens door V. gestaakt vanwege ernstige bedreigingen
die zij na 18
januari 2024 van klager ontving. De behandelovereenkomst als zodanig is niet beëindigd,
omdat deze
behandelovereenkomst is aangegaan met de instelling waar V. en verweerster werkzaam
zijn, niet met
V. zelf. Door de instelling is aangeboden om de behandeling door een andere medewerker
te laten
voortzetten. Klager heeft vervolgens afgezien van verdere behandeling.
3.6 Klager is evenwel doorgegaan met het uiten van bedreigingen. Zo heeft klager
op 19 januari
2024 aan V. een bericht gestuurd dat luidde als volgt (alle citaten inclusief eventuele
taal- en spelfouten):
“Je bent gegaan van de enige die ik vertrouw naar mn grootste vijand thanks. Als
iemand
me zakelijk zo hard genaaid had was die dood geweest.”
3.7 Op 21 januari 2024 ontving V. het volgende bericht:
“spreek nooit meer een woord tegen of over mij geloof me je weet teveel laten we
daar geen
problemen door laten ontstaan dan laat je me geen keuze”.
3.8 Op 30 januari 2024 stuurde klager de volgende berichten aan V.:
“kijken hoelang we de bak ingaan als dr huis afgefikt word. Of 20k op laten halen
door een paar molukkers. Ook een leuk plan. De kankerslet gaat gevolgen zien
Of een wekomstcomite op werk
(…)
Misschien dat k 10op dr hoofd zet gaan we kijken wie t laatst lacht
(…)
Ook al ga ik zelf dood in de brand die ik sticht in dr woonkamer Nieuwe levensdoel
haar leven verkankeren tot het level dat dr zelf een einde aan maakt om mn eigen
plek weer op te
eisen
Gaat haar hoofd op tafel
(…)
Zeg maar tegen dr de groete broek heeft dr naam en foto die agent wordt nu gebeld
over half uurtje
heeft die dr adres
dus als ik haar was zou ik ook maar een agent gaan bellen ofzo He is niet alsof
dr kinderen
dooggeschoten worden ofzo
En 20kop kan gaan pinnen verspreid over paar dagen zou wel vervelend zijn dan mag
t gezin paar
dagen de deur niet uit
(…)
Nu wordt ptss voor het hele gezin
(…)
Zet een klink op je deur
dan lopen ze niet zomaar binnen met cilindertrekker dan moeten ze daarna met koeveoet
de deur
openbreken
wraak word genomen Dan is het losgelaten (…)
Ze weet teveel
van meerdere mensen Heb alles al doorgestuurd
adres wordt al geregeld via een agent
(…)
heb je deze gekken nog niet gezien heeft hij donderdag nog een pistool tegen mijn
hoofd aangezet
moet je nagaan wat daar thuis gaat gebeuren
(…)
Ahahahahahahaha Ik hoor net t adres is binnen ik d8 leuk om door te sturen maar
hij wilt me niks
zeggen via telefoon
Wel lastig dat ze werkt in de binnenstad nu word t chaos bij dr gezin
(…)
Ik zou ff niet thguis slapen als ik haar was en niet werken
(…)”
3.9 Op 30 januari 2024 heeft de werkgever van V., R. en verweerster aangifte gedaan
bij de
politie. Klager is op of rond 2 februari 2024 aangehouden. Op 13 februari 2024 is
aan klager een
contactverbod met V. opgelegd door de rechtbank. Dit contactverbod is op 29 februari
2024
uitgebreid naar de instelling waar V., R. en verweerster werkzaam zijn.
3.10 Op 28 maart 2024 heeft de werkgever van V. en verweerster in verband met opnieuw
door klager
geuite bedreigingen richting V. aangifte gedaan. Deze bedreigingen waren geuit tijdens
een gesprek
dat klager had met de reclassering.
3.11 In de maanden mei, juni en juli 2024 heeft klager brieven gestuurd aan cliënten
van V., R.,
en aan de werkgever van V. en verweerster. Daarin heeft hij zich lasterlijk over
V. uitgelaten.
Eveneens heeft hij zich in die periode opnieuw dreigend uitgelaten tegenover V.
3.12 In juni 2024 heeft klager zijn klacht tegen V. ingediend bij het college. De
klacht is op 13
juni 2024 in behandeling genomen.
3.13 Op 24 augustus 2024 heeft klager de gemachtigde van V. en van verweerster gebeld
en de
voicemail ingesproken. In dit gesprek heeft klager opnieuw bedreigingen geuit aan
het adres van V.
3.14 Op 5 september 2024 heeft V. zelf aangifte gedaan van doodsbedreiging en belaging
door
klager.
3.15 Bij brief van 19 november 2024 heeft de werkgever van verweerster de gemachtigde
van klager
laten weten niet te kunnen ingaan op het verzoek tot toezending van het behandeldossier
van klager
vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. De werkgever
heeft daarbij –
kort gezegd – gewezen op het feit dat zich ook informatie van andere behandelaren
in het dossier
bevindt, dat er doodsbedreigingen worden geuit door klager en dat hij heeft aangegeven
personen te
kennen buiten de penitentiaire inrichting die voor hem tegen betaling dreigementen
zouden kunnen uitvoeren.
3.16 Op 19 november 2024 zijn de onderhavige klacht en de klacht tegen R. ingediend.
3.17 Op 16 april 2025 en op 24 april 2025 heeft het college twee brieven ontvangen
van klager. De
brieven zijn niet als processtuk aan het dossier H2024/7222 toegevoegd omdat de
brieven in de kern
geen betrekking hadden op de klacht. Vanwege de dreigende inhoud zijn de brieven
wel aan de
gemachtigde van V. doorgestuurd. Klager is daarvan op de hoogte gesteld. V., en
nu ook verweerster,
hebben deze brieven als producties overgelegd.
3.18 Klager heeft het college kort voor de zitting van de zaak H2024/7222 nog twee
brieven
gestuurd. Ook deze brieven zijn door het college niet als processtuk aangemerkt,
maar wel naar de
gemachtigde van V. gestuurd vanwege de ernstige bedreigingen die klager in deze
brieven heeft geuit
jegens V. en haar gezin. De gemachtigde heeft deze brieven als producties overgelegd.
Een van de
brieven betreft een nauwgezet martelplan van de kinderen van V. en V. zelf. Kort
gezegd komen de
bedreigingen neer op het martelen, castreren en verkrachten van de kinderen, alsmede
het afsnijden
van de genitaliën. V. zou moeten toekijken en de genitaliën in haar mond gepropt
krijgen.
3.19 V. heeft in de zaak H2024/7222 een beroep gedaan op artikel 3:13 BW, inhoudend
misbruik door
klager van zijn recht een tuchtklacht tegen V. in te dienen. Het college heeft dit
misbruik
vastgesteld en daarbij het volgende overwogen:
- Het college oordeelt als volgt. Het klachtrecht is een groot goed dat slechts
in zeer
uitzonderlijke gevallen dient te worden beperkt. Dat neemt niet weg dat ook in het
tuchtrecht
sprake kan zijn van misbruik van recht en dat ook het tuchtrecht bescherming behoort
te bieden
tegen gerechtelijke procedures die uitsluitend of overwegend het oogmerk hebben
een ander te
schaden, zoals opgenomen in de artikelen 3:13 jo. 3:15 van het Burgerlijk Wetboek.
Misbruik van
procesrecht kan ook worden gegrond op artikel 3:303 BW. De bepaling stelt dat zonder
voldoende
belang niemand een rechtsvordering toekomt.
Artikel 3:303 BW eist dat de toewijzing van de vordering voldoende verschil maakt
voor de positie
van eiser om rechterlijke bemoeienis met de zaak te rechtvaardigen. Er moet sprake
zijn van een
relevant en respectabel – geen zuiver emotioneel – belang dat met de vordering is
gediend. Het
karakter van het tuchtrecht, namelijk een laagdrempelige mogelijkheid van het starten
van een
tuchtrechtprocedure, moet eveneens worden meegewogen bij de vraag of sprake is van
misbruik van
tuchtrecht. Dit laagdrempelige karakter maakt dat nog minder snel misbruik van tuchtrecht
kan
worden aangenomen.
- Tegenover de laagdrempelige mogelijkheid voor klagers om een klacht te kunnen indienen
staat dat
tuchtklachten grote impact kunnen hebben op een verweerder, zowel emotioneel als
financieel, dat
laatste vanwege de kosten voor een advocaat, de gemoeide tijd, het zoeken van een
vervanger en dergelijke. Daar komt in deze specifieke zaak bij dat klager [V.] en
haar gezin al langere tijd zeer ernstig bedreigt en dat
sprake is van een algeheel contactverbod, niet alleen geldend tegenover [V.], maar
ook tegenover
alle medewerkers van de werkgever van [V.]. Deze bedreigingen duren tot op de dag
van vandaag nog
voort, zij het niet – zonder meer – rechtstreeks maar wel door middel van het indienen
van stukken
waarin bedreigingen worden geuit aan het adres van [V.], alsmede via de gemachtigde
van [V.], die
bedreigingen heeft ontvangen jegens [V.] door het inspreken daarvan op haar voicemail.
- Het college staat nu voor een afweging of klager met zijn bevoegdheid om een tuchtklacht
in te
dienen enkel het doel voor ogen heeft om [V.] te schaden, dan wel in algemene zin
zijn bevoegdheid
om een tuchtklacht in te dienen misbruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is
verleend. De
vraag is of [V.] de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. Het
enkele feit dat de
klacht is ingediend door een oud-patiënt, ontneemt aan de klacht niet noodzakelijk
het karakter van
misbruik van procesrecht.
- De casus zoals deze nu voorligt aan het college kan niet worden vergeleken met
de door [V.]
aangehaalde jurisprudentie. Er is in deze zaak immers geen sprake van het herhaald
indienen van
klachten of het feit dat de klacht van klager niet zou kunnen vallen onder de eerste
of de tweede
tuchtnorm. Ook de door klager ingediende klachtonderdelen, zoals hierboven onder
4.1 benoemd,
kunnen niet inhoudelijk zonder meer worden afgedaan als misbruik van procesrecht.
De
klachtonderdelen zien immers wel degelijk op het handelen van [V.] in haar hoedanigheid
van
zorgverlener van klager. Niettemin is het college van oordeel dat in dit geval klager
misbruik
heeft gemaakt van tuchtrecht door het tuchtrecht te gebruiken voor een ander doel
dan waarvoor zij
is verleend. Daartoe overweegt het college als volgt.
- Uitgangspunt van het tuchtrecht is dat de tuchtrechtprocedure bijdraagt aan de bewaking
en de
verbetering van de gezondheidszorg. Dit belang, dat ook klagers normaal gesproken
voor ogen zou –
moeten – staan, maakt dat een klacht in behandeling wordt genomen. Bij de beoordeling
van een
klacht wordt eveneens in acht genomen de vraag of verweerster de zorg heeft verleend
die van haar
verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende
zorgverlener. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener
geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders
had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Dit betreft een
zakelijke
beoordeling waarbij – in beginsel – niet gekeken wordt naar de gevolgen van het
handelen van een
zorgverlener. Klager heeft in onderhavig geval niet alleen een klacht ingediend
die op voornoemde merites zou kunnen worden beoordeeld, maar gedurende de procedure
heeft klager zich
– opnieuw – steeds meer op bedreigende wijze geuit richting [V.] en haar gezin.
Het bedreigen van
[V.] en haar gezin is al langere tijd gaande en wel op zodanige wijze dat aanvankelijk
de werkgever
van [V.], en daarna uiteindelijk [V.] zelf zich genoodzaakt hebben gezien om aangifte
te doen tegen
klager. Er is voorafgaande aan de procedure ook de noodzaak geweest om een contactverbod
te vragen,
welk contactverbod ook door de rechter aan klager is opgelegd. Klager heeft na het
opleggen van het
contactverbod een klacht ingediend bij het college. Nadat het college deze klacht
in behandeling
heeft genomen, heeft klager verschillende brieven gestuurd. In deze brieven heeft
klager zich op
zodanige wijze jegens [V.] geuit dat het college zich genoodzaakt heeft gezien om
[V.] daarvan
middels haar gemachtigde op de hoogte te brengen. Hoewel dus de klacht aanvankelijk
ging over
inhoudelijke bezwaren betreffende de behandeling die klager had ondergaan, kan het
college niet
anders dan vaststellen dat klager gaandeweg de procedure de mogelijkheid heeft gezien
dat hij
middels het college zijn contactverbod kon omzeilen en zijn bedreigingen, die aanvankelijk
ook tot
het contactverbod hadden geleid, wederom aan [V.] kenbaar kon maken. Klager heeft
daarbij ook
meermalen aangegeven dat - zeer tot zijn ongenoegen- de behandeling door [V.] was
gestaakt. Dit was
nadat [V.] hem had duidelijk gemaakt geen gevoelens voor hem te hebben. Via het
college heeft
klager daadwerkelijk alsnog toegang gekregen tot [V.] en haar gezin. Zo heeft klager
kort voor de
zitting nog een aantal stukken ingediend waarin klager op gruwelijke wijze het gezin
van [V.] en
[V.]zelf heeft willen tarten. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft klager
zich wederom
zodanig bedreigend uitgelaten over [V.] en haar gezin dat klager als ordemaatregel
is verwijderd
uit de zittingszaal. In het licht van al deze feiten en omstandigheden kan het college
niet anders
concluderen dan dat klager zijn klacht enkel heeft willen indienen met als doel
het contactverbod
te omzeilen en bedreigingen te kunnen uiten aan het adres van [V.]. Dit is een ander
doel dan het
bewaken en verbeteren van de gezondheidszorg. Nu klager het tuchtrecht heeft gebruikt
met een
volstrekt ander doel dan waarvoor het is ingesteld, komt het college tot de slotsom
dat sprake is
van misbruik van recht door klager.
3.20 In het dossier van de onderhavige klacht heeft klager zich uitgelaten over V.
en verweerster:
- in de brief van klager aan het college, ontvangen op 23 december 2024 schrijft
klager dat hij
verweerster verwijt zijn leven te ruïneren in de hoop dat klager zelfmoord zou plegen
“met alle
risico’s voor het (toekomstige) gezin van verweerster als dit niet zou lukken“;
- in zijn brief ontvangen door het college op 13 februari 2025, schrijft klager
dat er
slachtoffers zullen vallen binnen de ggz zorgverleners en hun familie en dat de
gemachtigde van V.
en van verweerster hem doet denken aan Derk Wiersum, omdat zij dezelfde fout maakt
als hij. Direct
daarop schrijft klager ‘Wie praat die…”. In dezelfde brief schrijft klager dat het
weigeren van
verweerster om klager zijn medisch dossier te verstrekken gevolgen zal hebben voor
de kinderen van
verweerster en dat haar keuzes haar dierbaren in gevaar brengen. Ook worden V. en
verweerster
vergeleken met Robert M.
3.21 Gelijktijdig met het indienen van de onderhavige klacht heeft klager ook een
klacht ingediend
over de aan de werkgever verbonden psychiater R. Ook aan hem richt klager dreigementen,
onder meer
door te refereren aan de veiligheid van R.’s gezinsleden.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klager verwijt verweerster dat zij:
a) in de periode waarin klager door V. werd behandeld slechts twee gesprekken met
hem heeft
gevoerd;
b) strafbare feiten heeft verhuld en medeplichtig is geweest aan die strafbare feiten;
c) klager tot suïcide heeft gedreven;
d) heeft nagelaten werk te maken van schending van het beroepsgeheim door haar collega
V.;
e) heeft geweigerd een kopie van het medisch dossier van klager aan hem te verstrekken;
f) op onjuiste wijze de behandelovereenkomst en woonovereenkomst heeft beëindigd;
g) haar beroepsgeheim heeft geschonden;
h) het adres van een collega aan klager heeft verstrekt.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht
dus niet inhoudelijk te behandelen.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Verweerster heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in zijn
klacht, omdat
ook in deze zaak klager zijn recht een klacht in te dienen misbruikt als bedoeld
in artikel 3:13
BW. Het college komt tot het oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is.
5.2 In de zaak H2024/7222 heeft het college overwogen dat uit de feiten volgt dat
klager misbruik
heeft gemaakt van zijn recht om een tuchtklacht tegen V. in te dienen. In die procedure
heeft hij
bij voortduring ernstige dreigementen geuit aan V., zowel in de schriftelijke fase
van de procedure
als tijdens de mondelinge behandeling van de zaak. Door het voeren van die procedure
heeft hij het
contactverbod dat voor hem gold jegens V. omzeild, door aan haar via het college
en haar
gemachtigde die dreigementen te uiten. De klacht die klager tegen verweerster heeft
ingediend kan niet los gezien worden van het handelen van
klager in de procedure jegens V. Ook voor de overige medewerkers van de werkgever
van V.- waaronder
dus verweerster - gold een contactverbod.
5.3 Met het indienen van de onderhavige klacht heeft klager dus wederom een contactverbod
omzeild. Bovendien zien de klachten tegen verweerster, grotendeels direct of indirect,
op het
handelen van V. Ook zijn de jegens verweerster geuite dreigementen inhoudelijk gerelateerd
aan zijn
verwijten aan het adres van V. Ten slotte zijn voor verweerster, die bekend is met
de dreigementen
van klager aan V., de dreigementen aan haar niet los te zien van de dreigementen
van klager aan V.
Tegen de achtergrond van deze samenhang tussen de beide klachtprocedures en het
handelen van klager
daarin, komt het college tot zijn overwegingen en beslissing.
5.4 Op grond van het voorgaande komt het college, dat oordeelt op basis van het onder
3.19 weergegeven toetsingskader en de daar verwoorde afwegingen, tot het oordeel
dat klager ook in
de onderhavige zaak zijn recht een tuchtklacht in te dienen misbruikt omdat hij
zijn klacht enkel
heeft willen indienen met als doel het contactverbod te omzeilen en bedreigingen
te kunnen uiten op
directe wijze aan het adres van verweerster en op indirecte wijze aan het adres
van V. en R., mede
gelet op de zinsnede in zijn klaagschrift dat verweerster door haar handelen de
kinderen van V. in
gevaar brengt. Hij dient op die grond niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.5 In verband met de door klager geuite bedreigingen, ook richting het college,
zal deze
beslissing in geanonimiseerde vorm worden uitgesproken.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Deze beslissing is gegeven door de voorzitter, lid-beroepsgenoot 1 en lid-beroepsgenoot
2,
bijgestaan door de secretaris en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025
door de
voorzitter.