ECLI:NL:TGZRSHE:2025:146 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7853

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:146
Datum uitspraak: 17-12-2025
Datum publicatie: 17-12-2025
Zaaknummer(s): H2024/7853
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen de psychiater die een aantal maal contact met klager heeft gehad. Klager was onder behandeling bij een zorgaanbieder en eerste behandelcontact was een gz-psycholoog tegen wie klager eerder een klacht had ingediend. De onderhavige klacht kan niet los worden gezien van de klacht tegen de behandelend gz-psycholoog. Het college heeft de klacht tegen deze gz-psycholoog eerder kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het college oordeelt dat klager zijn klacht heeft ingediend met het uitsluitend oordeel een contactverbod te omzeilen en om de behandelaar te bedreigen.  Het college oordeelt dat de onderhavige zaak met hetzelfde doel is ingediend en dat de bedreigingen zich richten op de gz-psycholoog en de beklaagde psychiater

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 17 december 2025 op de klacht van:
[A],
verblijvende in [B],
klager,

tegen

[C],
psychiater, werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. S.F. Tiems.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Verweerder is werkzaam als zorgverlener bij een instelling die forensische ambulante zorg, 
klinische zorg en reclasseringsdiensten verleent. Klager is bij de instelling onder behandeling 
geweest. Verweerder is psychiater. Een collega, gezondheidszorgpsycholoog (hierna: gz-psycholoog), 
was zijn behandelaar. Deze collega wordt hierna V. genoemd. Tegen V. heeft klager een klacht 
ingediend bij het college. Op 16 juli 2025 heeft het college klager in die zaak niet-ontvankelijk 
verklaard wegens misbruik van recht (zaaknummer H2024/7222 ECLI:NL:TGZRSHE:2025:81). Een andere 
collega, ook gz-psycholoog, was de regiebehandelaar van klager. Deze collega wordt aangeduid als T. 
Tegen T. heeft klager ook een klacht ingediend (zaaknummer H2024/7842).

1.2   Het college komt tot het oordeel dat klager ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard in 
zijn klacht tegen verweerder, eveneens wegens misbruik van recht. Hierna worden eerst de procedure 
en de feiten benoemd, daarna zal het college de klachtonderdelen benoemen en uitleggen waarom het 
tot het oordeel ‘niet-ontvankelijk’ is gekomen.


1.3  Heden verklaart het college klager ook kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen T.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 19 november 2024;

-  de brief van 10 december 2024 van de secretaris aan klager;
-  de brief van 15 januari 2025 van klager, ontvangen op 21 januari 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  de brief van 8 april 2025, ontvangen van de gemachtigde van verweerder;
-  een USB-stick, ontvangen op 9 april 2025 van de gemachtigde van verweerder;
-  de brief van 24 april 2025 van de secretaris aan klager;
-  de brief van klager, ontvangen op 17 juli 2025;
-  de brief van klager, ontvangen op 31 juli 2025;
-  de brief van klager, ontvangen op 1 augustus 2025;
-  het aanvullend verweerschrift, ontvangen op 1 september 2025;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 11 september 2025;
-  de brief van 13 oktober 2025 van klager, ontvangen op 15 oktober 2025.


2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager heeft een klacht ingediend tegen V. Op die klacht heeft het college op 16 juli 2025 
een eindbeslissing gewezen. De feiten die het college in de onderhavige zaak vaststelt, zijn ook in 
de zaak H2024/7222 vastgesteld.

3.2   De strafrechter heeft klager bij vonnis van 13 juli 2022 een aantal voorwaarden opgelegd. 
Deze bestonden er onder meer uit dat klager onder behandeling zou komen van een zorgverlener. V. 
was in dat kader uitvoerend behandelaar. Vanaf 22 augustus 2023 was verweerder als psychiater bij 
de behandeling betrokken. Klager is door V. behandeld van 5 april 2023 tot 24 januari 2024. Na 22 
augustus 2023 heeft verweerder een aantal maal contact gehad met klager.

3.3   V. had op 18 januari 2024 de laatste behandelafspraak met klager. Klager had voorafgaand aan 
dat moment een groot aantal appjes aan V. gestuurd. V. heeft klager gevraagd of klager verliefd op 
haar was. Het gesprek is geëindigd toen klager opstond en wegliep.

3.4   V. heeft daarover nadien bij de politie verklaard dat zij tijdens dit contact duidelijk had 
gemaakt dat zij enkel een vertrouwensband voelde in het kader van het hulpverleningstraject en dat 
zij geen andere gevoelens voor klager had.

3.5   De behandeling is vervolgens door V. gestaakt vanwege ernstige bedreigingen die zij na 18 
januari 2024 van klager ontving. De behandelovereenkomst als zodanig is niet beëindigd, omdat deze 
behandelovereenkomst is aangegaan met de instelling waar V., T. en verweerder werkzaam zijn, niet 
met V. zelf. Door de instelling is aangeboden om de behandeling door een andere medewerker te laten voortzetten. Klager heeft vervolgens afgezien van verdere behandeling.

3.6   Klager is evenwel doorgegaan met het uiten van bedreigingen. Zo heeft klager op 19 januari 
2024 aan V. een bericht gestuurd dat luidde als volgt (alle citaten inclusief eventuele taal- en 
spelfouten):
“Je bent gegaan van de enige die ik vertrouw naar mn grootste vijand thanks. Als iemand
me zakelijk zo hard genaaid had was die dood geweest.”

3.7  Op 21 januari 2024 ontving V. het volgende bericht:
“spreek nooit meer een woord tegen of over mij geloof me je weet teveel laten we daar geen 
problemen door laten ontstaan dan laat je me geen keuze”.

3.8  Op 30 januari 2024 stuurde klager de volgende berichten aan V.:
“kijken hoelang we de bak ingaan als dr huis afgefikt word. Of 20k op laten halen
door een paar molukkers. Ook een leuk plan. De kankerslet gaat gevolgen zien
Of een wekomstcomite op werk
(…)
Misschien dat k 10op dr hoofd zet gaan we kijken wie t laatst lacht
(…)
Ook al ga ik zelf dood in de brand die ik sticht in dr woonkamer Nieuwe levensdoel
haar leven verkankeren tot het level dat dr zelf een einde aan maakt om mn eigen plek weer op te 
eisen
Gaat haar hoofd op tafel
(…)
Zeg maar tegen dr de groete broek heeft dr naam en foto die agent wordt nu gebeld over half uurtje 
heeft die dr adres
dus als ik haar was zou ik ook maar een agent gaan bellen ofzo He is niet alsof dr kinderen 
dooggeschoten worden ofzo
En 20kop kan gaan pinnen verspreid over paar dagen zou wel vervelend zijn dan mag t gezin paar 
dagen de deur niet uit
(…)
Nu wordt ptss voor het hele gezin
(…)
Zet een klink op je deur
dan lopen ze niet zomaar binnen met cilindertrekker dan moeten ze daarna met koeveoet de deur 
openbreken
wraak word genomen Dan is het losgelaten (…)

Ze weet teveel
van meerdere mensen Heb alles al doorgestuurd
adres wordt al geregeld via een agent
(…)
heb je deze gekken nog niet gezien heeft hij donderdag nog een pistool tegen mijn hoofd aangezet
moet je nagaan wat daar thuis gaat gebeuren
(…)
Ahahahahahahaha Ik hoor net t adres is binnen ik d8 leuk om door te sturen maar hij wilt me niks 
zeggen via telefoon
Wel lastig dat ze werkt in de binnenstad nu word t chaos bij dr gezin
(…)
Ik zou ff niet thguis slapen als ik haar was en niet werken
(…)”

3.9   Op 30 januari 2024 heeft de werkgever van V., T. en verweerder aangifte gedaan bij de 
politie. Klager is op of rond 2 februari 2024 aangehouden. Op 13 februari 2024 is aan klager een 
contactverbod met V. opgelegd door de rechtbank. Dit contactverbod is op 29 februari 2024 
uitgebreid naar de instelling waar V., T. en verweerder werkzaam zijn.

3.10  Op 28 maart 2024 heeft de werkgever van V., T. en verweerder in verband met opnieuw door 
klager geuite bedreigingen richting V. aangifte gedaan. Deze bedreigingen waren geuit tijdens een 
gesprek dat klager had met de reclassering.

3.11  In de maanden mei, juni en juli 2024 heeft klager brieven gestuurd aan cliënten van V., aan 
T. en aan de werkgever van V., T. en verweerder. Daarin heeft hij zich lasterlijk over
V. uitgelaten. Eveneens heeft hij zich in die periode opnieuw dreigend uitgelaten tegenover V.

3.12  In juni 2024 heeft klager zijn klacht tegen V. ingediend bij het college. De klacht is op 13 
juni 2024 in behandeling genomen.

3.13  Op 24 augustus 2024 heeft klager de gemachtigde van V. gebeld en de voicemail ingesproken. In 
dit gesprek heeft klager opnieuw bedreigingen geuit aan het adres van V.

3.14  Op 5 september 2024 heeft V. zelf aangifte gedaan van doodsbedreiging en belaging door 
klager.

3.15  Bij brief van 19 november 2024 heeft de werkgever van V., T. en verweerder de gemachtigde van 
klager laten weten niet te kunnen ingaan op het verzoek tot toezending van het behandeldossier van klager vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen. De werkgever heeft daarbij – kort gezegd – gewezen op het feit dat zich ook informatie van andere behandelaren in het dossier bevindt, dat er doodsbedreigingen worden geuit door klager en dat hij heeft aangegeven personen te kennen buiten de penitentiaire inrichting die voor hem tegen 
betaling dreigementen zouden kunnen uitvoeren.

3.16  Op 19 november 2024 zijn de onderhavige klacht en de klacht tegen T. ingediend.


3.17  Op 16 april 2025 en op 24 april 2025 heeft het college twee brieven ontvangen van klager. De 
brieven zijn niet als processtuk aan het dossier H2024/7222 toegevoegd omdat de brieven in de kern 
geen betrekking hadden op de klacht. Vanwege de dreigende inhoud zijn de brieven wel aan de 
gemachtigde van V. doorgestuurd. Klager is daarvan op de hoogte gesteld. V., en nu ook verweerder, 
heeft deze brieven als producties overgelegd.

3.18  Klager heeft het college kort voor de zitting van de zaak H2024/7222 nog twee brieven 
gestuurd. Ook deze brieven zijn door het college niet als processtuk aangemerkt, maar wel naar de 
gemachtigde van V. gestuurd vanwege de ernstige bedreigingen die klager in deze brieven heeft geuit 
jegens V. en haar gezin. De gemachtigde heeft deze brieven als producties overgelegd. Een van de 
brieven betreft een nauwgezet martelplan van de kinderen van V. en V. zelf. Kort gezegd komen de 
bedreigingen neer op het martelen, castreren en verkrachten van de kinderen, alsmede het afsnijden 
van de genitaliën. V. zou moeten toekijken en de genitaliën in haar mond gepropt krijgen.

3.19  V. heeft in de zaak H2024/7222 een beroep gedaan op artikel 3:13 BW, inhoudend misbruik door 
klager van zijn recht een tuchtklacht tegen V. in te dienen. Het college heeft dit misbruik 
vastgesteld en daarbij het volgende overwogen:
- Het college oordeelt als volgt. Het klachtrecht is een groot goed dat slechts in zeer 
uitzonderlijke gevallen dient te worden beperkt. Dat neemt niet weg dat ook in het tuchtrecht 
sprake kan zijn van misbruik van recht en dat ook het tuchtrecht bescherming behoort te bieden 
tegen gerechtelijke procedures die uitsluitend of overwegend het oogmerk hebben een ander te 
schaden, zoals opgenomen in de artikelen 3:13 jo. 3:15 van het Burgerlijk Wetboek. Misbruik van 
procesrecht kan ook worden gegrond op artikel 3:303 BW. De bepaling stelt dat zonder voldoende 
belang niemand een rechtsvordering toekomt.
Artikel 3:303 BW eist dat de toewijzing van de vordering voldoende verschil maakt voor de positie 
van eiser om rechterlijke bemoeienis met de zaak te rechtvaardigen. Er moet sprake zijn van een 
relevant en respectabel – geen zuiver emotioneel – belang dat met de vordering is gediend. Het 
karakter van het tuchtrecht, namelijk een laagdrempelige mogelijkheid van het starten van een 
tuchtrechtprocedure, moet eveneens worden meegewogen bij de vraag of sprake is van misbruik van 
tuchtrecht. Dit laagdrempelige karakter maakt dat nog minder snel misbruik van tuchtrecht kan worden aangenomen.

- Tegenover de laagdrempelige mogelijkheid voor klagers om een klacht te kunnen indienen staat dat 
tuchtklachten grote impact kunnen hebben op een verweerder, zowel emotioneel als financieel, dat 
laatste vanwege de kosten voor een advocaat, de gemoeide tijd, het zoeken van een vervanger en 
dergelijke. Daar komt in deze specifieke zaak bij dat klager [V.] en haar gezin al langere tijd 
zeer ernstig bedreigt en dat sprake is van een algeheel contactverbod, niet alleen geldend 
tegenover [V.], maar ook tegenover alle medewerkers van de werkgever van [V.]. Deze bedreigingen 
duren tot op de dag van vandaag nog voort, zij het niet – zonder meer – rechtstreeks maar wel door 
middel van het indienen van stukken waarin bedreigingen worden geuit aan het adres van [V.], 
alsmede via de gemachtigde van [V.], die bedreigingen heeft ontvangen jegens [V.] door het 
inspreken daarvan op haar voicemail.

- Het college staat nu voor een afweging of klager met zijn bevoegdheid om een tuchtklacht in te 
dienen enkel het doel voor ogen heeft om [V.] te schaden, dan wel in algemene zin zijn bevoegdheid 
om een tuchtklacht in te dienen misbruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend. De 
vraag is of [V.] de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. Het enkele feit dat de 
klacht is ingediend door een oud-patiënt, ontneemt aan de klacht niet noodzakelijk het karakter van 
misbruik van procesrecht.
- De casus zoals deze nu voorligt aan het college kan niet worden vergeleken met de door [V.] 
aangehaalde jurisprudentie. Er is in deze zaak immers geen sprake van het herhaald indienen van 
klachten of het feit dat de klacht van klager niet zou kunnen vallen onder de eerste of de tweede 
tuchtnorm. Ook de door klager ingediende klachtonderdelen, zoals hierboven onder 4.1 benoemd, 
kunnen niet inhoudelijk zonder meer worden afgedaan als misbruik van procesrecht. De 
klachtonderdelen zien immers wel degelijk op het handelen van [V.] in haar hoedanigheid van 
zorgverlener van klager. Niettemin is het college van oordeel dat in dit geval klager misbruik 
heeft gemaakt van tuchtrecht door het tuchtrecht te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij 
is verleend. Daartoe overweegt het college als volgt.

- Uitgangspunt van het tuchtrecht is dat de tuchtrechtprocedure bijdraagt aan de bewaking en de 
verbetering van de gezondheidszorg. Dit belang, dat ook klagers normaal gesproken voor ogen zou – 
moeten – staan, maakt dat een klacht in behandeling wordt genomen. Bij de beoordeling van een 
klacht wordt eveneens in acht genomen de vraag of verweerster de zorg heeft verleend die van haar 
verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende 
zorgverlener. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. 
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een 
tuchtrechtelijk verwijt. Dit betreft een zakelijke beoordeling waarbij – in beginsel – niet gekeken 
wordt naar de gevolgen van het handelen van een zorgverlener. Klager heeft in onderhavig geval niet 
alleen een klacht ingediend die op voornoemde merites zou kunnen worden beoordeeld, maar gedurende 
de procedure heeft klager zich
– opnieuw – steeds meer op bedreigende wijze geuit richting [V.] en haar gezin. Het bedreigen van 
[V.] en haar gezin is al langere tijd gaande en wel op zodanige wijze dat aanvankelijk de werkgever 
van [V.], en daarna uiteindelijk [V.] zelf zich genoodzaakt hebben gezien om aangifte te doen tegen 
klager. Er is voorafgaande aan de procedure ook de noodzaak geweest om een contactverbod te vragen, 
welk contactverbod ook door de rechter aan klager is opgelegd. Klager heeft na het opleggen van het 
contactverbod een klacht ingediend bij het college. Nadat het college deze klacht in behandeling 
heeft genomen, heeft klager verschillende brieven gestuurd. In deze brieven heeft klager zich op 
zodanige wijze jegens [V.] geuit dat het college zich genoodzaakt heeft gezien om [V.] daarvan 
middels haar gemachtigde op de hoogte te brengen. Hoewel dus de klacht aanvankelijk ging over 
inhoudelijke bezwaren betreffende de behandeling die klager had ondergaan, kan het college niet 
anders dan vaststellen dat klager gaandeweg de procedure de mogelijkheid heeft gezien dat hij 
middels het college zijn contactverbod kon omzeilen en zijn bedreigingen, die aanvankelijk ook tot 
het contactverbod hadden geleid, wederom aan [V.] kenbaar kon maken. Klager heeft daarbij ook 
meermalen aangegeven dat - zeer tot zijn ongenoegen - de behandeling door [V.] was gestaakt. Dit 
was nadat [V.] hem had duidelijk gemaakt geen gevoelens voor hem te hebben. Via het college heeft 
klager daadwerkelijk alsnog toegang gekregen tot [V.] en haar gezin. Zo heeft klager kort voor de 
zitting nog een aantal stukken ingediend waarin klager op gruwelijke wijze het gezin van [V.] en 
[V.] zelf heeft willen tarten. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft klager zich wederom 
zodanig bedreigend uitgelaten over [V.] en haar gezin dat klager als ordemaatregel is verwijderd 
uit de zittingszaal. In het licht van al deze feiten en omstandigheden kan het college niet anders 
concluderen dan dat klager zijn klacht enkel heeft willen indienen met als doel het contactverbod 
te omzeilen en bedreigingen te kunnen uiten aan het adres van [V.]. Dit is een ander doel dan het 
bewaken en verbeteren van de gezondheidszorg. Nu klager het tuchtrecht heeft gebruikt met een 
volstrekt ander doel dan waarvoor het is ingesteld, komt het college tot de slotsom dat sprake is 
van misbruik van recht door klager.

3.20  In het dossier van de onderhavige klacht heeft klager zich uitgelaten over verweerder:


In de brief van klager aan het college, ontvangen op 21 januari 2025, schrijft klager onder meer:
-  “De pogingen van [verweerder] om mij tot suïcide te drijven zullen de komende jaren nog grote 
gevolgen hebben in het leven van de onbekwame psychiater. Hij gaat hetzelfde lot tegemoet als [naam 
andere collega] en V.”
-  “Als je Nabil B. speelt weet je de gevolgen.”
-  “Ik wil [verweerder] adviseren de waarheid over V. te vertellen voor dit gevolgen voor zijn 
privéleven krijgt. Hulpverleners werken er niet binnen [de GGZ-instelling]. Veredelde imbecielen 
die levens ruïneren en denken dat ze daarmee weg komen. Dan heb je aan mij de verkeerde.”
-  “[Verweerder] speelt dealertje als psychiater, leuk tot je adres op straat ligt. Dus adviseer ik 
[verweerder] nogmaals om de waarheid te vertellen over V. voor ik andere stappen zet.”
-  “[Verweerder] brengt zijn gezin in gevaar door mensen tot suïcide te drijven.”
In zijn brief, ontvangen door het college op 1 augustus 2025, vergelijkt klager de werkwijze van 
verweerder en van V. met die van Robert M. en schrijft hij dat verweerder en V. een Epstein-eiland 
binnen [de GGZ-instelling] hebben gecreëerd en dat de cliënten veiliger zijn ‘bij Jeffrey’ dan bij 
V.

3.21  Gelijktijdig met het indienen van de onderhavige klacht heeft klager ook een klacht ingediend 
over de aan de werkgever verbonden gz-psycholoog T. Ook aan haar richt klager dreigementen, onder 
meer door te refereren aan de veiligheid van T’s gezinsleden.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij:
a) in de periode waarin klager door V. werd behandeld slechts twee gesprekken met hem heeft 
gevoerd;
b) strafbare feiten heeft verhuld en medeplichtig is geweest aan die strafbare feiten;
c) klager tot suïcide heeft gedreven;
d) heeft nagelaten werk te maken van schending van het beroepsgeheim door zijn collega V.;
e) heeft geweigerd een kopie van het medisch dossier van klager aan hem te verstrekken;
f) op onjuiste wijze de behandelovereenkomst en woonovereenkomst heeft beëindigd;
g) zijn beroepsgeheim heeft geschonden;
h) het adres van een collega aan klager heeft verstrekt;
i) weigert de diagnose ADHD te geven.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht 
dus niet inhoudelijk te behandelen.

4.3   Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Verweerder heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht, omdat 
ook in deze zaak klager zijn recht een klacht in te dienen misbruikt als bedoeld in artikel 3:13 
BW. Het college komt tot het oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is.

5.2   In de zaak H2024/7222 heeft het college overwogen dat uit de feiten volgt dat klager misbruik 
heeft gemaakt van zijn recht om een tuchtklacht tegen V. in te dienen. In die procedure heeft hij 
bij voortduring ernstige dreigementen geuit aan V., zowel in de schriftelijke fase van de procedure 
als tijdens de mondelinge behandeling van de zaak. Door het voeren van die procedure heeft hij het 
contactverbod dat voor hem gold jegens V. omzeild, door aan haar via het college en haar 
gemachtigde die dreigementen te uiten. De klacht die klager tegen verweerder heeft ingediend kan 
niet los gezien worden van het handelen van klager in de procedure jegens V. Ook voor de overige 
medewerkers van de werkgever van V. - waaronder dus verweerder - gold een contactverbod.

5.3   Met het indienen van de onderhavige klacht heeft klager dus wederom een contactverbod 
omzeild. Bovendien zien de klachten tegen verweerder, grotendeels direct of indirect, op het 
handelen van V. Ook zijn de jegens verweerder geuite dreigementen inhoudelijk gerelateerd aan zijn 
verwijten aan het adres van V. Ten slotte zijn voor verweerder, die bekend is met de dreigementen 
van klager aan V., de dreigementen aan hem niet los te zien van de dreigementen van klager aan V. 
Tegen de achtergrond van deze samenhang tussen de beide klachtprocedures en het handelen van klager 
daarin, komt het college tot zijn overwegingen en beslissing.

5.4  Op grond van het voorgaande komt het college, dat oordeelt op basis van het onder
3.19 weergegeven toetsingskader en de daar verwoorde afwegingen, tot het oordeel dat klager ook in 
de onderhavige zaak zijn recht een tuchtklacht in te dienen misbruikt omdat hij zijn klacht enkel 
heeft willen indienen met als doel het contactverbod te omzeilen en bedreigingen te kunnen uiten op 
directe wijze aan het adres van verweerder en op indirecte wijze aan het adres van V. en T., mede 
gelet op de zinsnede in zijn klaagschrift dat verweerder door zijn handelen de kinderen van V. in 
gevaar brengt. Hij dient op die grond niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.5  In verband met de door klager geuite bedreigingen, ook richting het college, zal deze 
beslissing in geanonimiseerde vorm worden uitgesproken.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door de voorzitter, lid-beroepsgenoot 1 en lid-beroepsgenoot 2, 
bijgestaan door de secretaris en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door de
voorzitter.