ECLI:NL:TGZRSHE:2025:143 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7737
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:143 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-12-2025 |
| Datum publicatie: | 17-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7737 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen oogarts ongegrond. Klager is gezien door de oogarts als onderdeel van de keuring voor de verlenging van zijn rijbewijs. Hij verwijt de oogarts onder meer dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld, zich ten onrechte heeft uitgegeven als behandelend arts en een behandelaanbod heeft gedaan als keuringsarts. Het college: Bij de oogarts is de verdenking van glaucoom gerezen. Dit dient te worden gedeeld met de patiënt en het CBR. De vermelding in de rapportage van behandelend specialist maakt niet dat de oogarts zich als behandelaar heeft uitgegeven. Niet is gebleken dat de oogarts een concreet aanbod tot behandeling van glaucoom heeft gedaan. Het voorstel van de oogarts betrof een nader onderzoek in het kader van de keuring. Het doen van dit voorstel valt hem niet te verwijten. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 17 december 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
oogarts,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna: de oogarts,
gemachtigde: mr. M.J. Roetert Steenbruggen-Hulshof, werkzaam in Arnhem.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager is gezien door de oogarts als onderdeel van de keuring voor de verlenging
van zijn
rijbewijs. Klager verwijt de oogarts dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld.
Ook verwijt hij
de oogarts dat hij zich ten onrechte heeft uitgegeven als behandelend arts en dat
hij een
behandelaanbod heeft gedaan als keuringsarts. Daarnaast is de privacy van klager
geschonden en is
de oogarts onzorgvuldig omgegaan met zijn beroepsgeheim, aldus klager.
1.2 De oogarts is van oordeel dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Hij stelt
zich op het standpunt dat hij de medische keuring zorgvuldig en overeenkomstig de
professionele
standaard heeft verricht. Hij heeft altijd gehandeld in zijn hoedanigheid van onafhankelijk
deskundige. Wel heeft hij klager aangeboden de oogafwijking nader te onderzoeken
om hem spoedig
uitsluitsel te bieden. Op geen moment is de privacy van klager geschonden of is
hij onzorgvuldig
omgegaan met zijn beroepsgeheim.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de oogarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 21 oktober 2024;
- de brief van 13 november 2024 van de secretaris aan klager;
- de brief van 22 november 2024 van klager met bijlagen, ontvangen op 26 november
2024;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 14 februari 2025.
2.2 Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college
met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 31 oktober 2025. De oogarts
is verschenen.
Hij werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Klager was afwezig met bericht van verhindering.
De
oogarts en zijn gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De oogarts verricht regelmatig medische keuringen voor patiënten die een rijbewijs
aanvragen
of willen verlengen. Klager is ouder dan 75 jaar en wilde zijn rijbewijs verlengen.
Het Centraal
Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) zag op basis van de door klager ingevulde
gezondheidsverklaring reden om hem naar een oogarts te verwijzen voor een medische
keuring. Op 22
januari 2024 heeft de oogarts een verwijsbrief van het CBR ontvangen met het verzoek
om een keuring
te verrichten bij klager. In deze brief staat vermeld dat klager bekend is met een
progressieve
oogaandoening. Verdere informatie over (de gezondheid van) de ogen van klager was
niet in de brief
opgenomen.
3.2 Op 7 maart 2024 heeft de medische keuring plaatsgevonden, waarbij klager eerst
werd gezien
door de assistent van de oogarts en daarna door de oogarts zelf. Klager heeft aan
de assistent
aangegeven dat hij onder behandeling was bij een ziekenhuis (hierna: het ziekenhuis)
vanwege
choroïdale neovascularisatie waarvoor hij veertig injecties heeft gehad. Tevens
heeft klager
aangegeven dat hij slechter zag bij regen en slecht weer. Na de anamnese werden
verschillende
onderzoeken verricht, zowel door de assistent van de oogarts als de oogarts zelf.
Omdat de
bevindingen volgens de oogarts wezen op de aanwezigheid van de oogziekte glaucoom
wilde de oogarts
dat nader onderzoek zou plaatsvinden alvorens de rapportage naar het CBR te sturen.
Hiermee heeft
klager ingestemd.
3.3 Op 12 maart 2024 heeft een technisch oogheelkundig assistente een aanvullend
gezichtsveldonderzoek bij klager verricht. Op 18 maart 2024 had klager een afspraak
bij de oogarts
om de resultaten hiervan te bespreken. De oogarts heeft voor aanvang van het consult
de
gezondheidssituatie van klager en de uitslag van het onderzoek met de spreekuurassistente
besproken.
3.4 Tijdens het consult op 18 maart 2024 heeft de oogarts aan klager verteld dat
er afwijkingen
waren waargenomen tijdens het aanvullend gezichtsveldonderzoek. De uitkomst van
dit onderzoek in
combinatie met de bevindingen op 7 maart 2024 bevestigden volgens de oogarts dat
sprake was van
glaucoom. De oogarts heeft de vervolgstappen en de gevolgen voor de keuring besproken
met klager.
De oogarts heeft klager geadviseerd om de afwijking verder in kaart te brengen door
middel van (het herhalen van) onderzoeken. Hij heeft aangegeven dat hij/zijn oogkliniek
nog verder kon onderzoeken in welke mate er sprake was van glaucoom en dat het CBR
hoogstwaarschijnlijk op basis van de uitslagen zou verzoeken om een
Estermangezichtsveldonderzoek, welk onderzoek bij zijn oogkliniek kon plaatsvinden.
Klager wilde de
resultaten nader laten onderzoeken in het ziekenhuis. Bij het consult was de spreekuurassistente
aanwezig.
3.5 Op 18 maart 2024 is klager ermee akkoord gegaan dat de oogarts de resultaten
met het CBR zou
delen. De optometrist heeft op die datum in het CBR-portaal het standaardformulier
‘Specialist –
Oogarts’ ingevuld en verstuurd. Bij de vraag of de keurend arts onafhankelijk specialist
is of
behandelend specialist staat in de rapportage vermeld dat de oogarts behandelend
specialist is. Bij
de vraag wat de oorzaak van de gevonden afwijking(en) is, staat onder meer glaucoom
in het rechter-
en linkeroog vermeld.
3.6 Later in 2024 is klager onderzocht door zijn eigen oogarts in het ziekenhuis
waar volgens
klager is gebleken dat er geen sprake is van glaucoom. Het rijbewijs van klager
is verlengd.
4. De klacht en de reactie van de oogarts
4.1 De oogarts wordt verweten dat hij op of omstreeks 7 maart 2024 en daarna als
keurend arts in
opdracht van het CBR:
a) bij klager een onjuiste diagnose heeft gesteld (glaucoom);
b) zich ten onrechte heeft uitgegeven als behandelend arts en een behandelaanbod
heeft gedaan
terwijl verweerder optrad als keurend arts;
c) de privacy van klager heeft geschonden dan wel zijn beroepsgeheim niet in acht
heeft genomen.
4.2 De oogarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de oogarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende oogarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de oogarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Dat een
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk
verwijt.
Klachtonderdeel a) het stellen van een onjuiste diagnose
5.2 Klager voert aan dat de oogarts hem heeft verteld dat sprake is van glaucoom
in beide ogen.
Hij heeft dit voorgelegd aan iemand van het ziekenhuis, die hem heeft verteld dat
uit alle
onderzoeken van de afgelopen tien jaar niet is gebleken dat bij hem sprake is van beginnend
glaucoom. Ook uit onderzoeken verricht nadat de oogarts klager had medegedeeld dat volgens
hem sprake was van glaucoom, is volgens klager hiervan niet gebleken.
5.3 De oogarts is van mening dat hij op basis van de afwijkende resultaten van de
anamnese en de
uitkomsten van het aanvullend gezichtsveldonderzoek en de onderzoeken verricht op
7 maart 2024
heeft kunnen concluderen dat bij klager sprake was van glaucoom. Volgens hem waren
alle kenmerken
van glaucoom aanwezig, te weten een verhoogde oogdruk, een beschadiging van de oogzenuw
en (forse)
uitval van het gezichtsveld. Bovendien pasten de visusklachten bij glaucoom. De
oogarts stelt zich
op het standpunt dat de uitkomsten van de onderzoeken die ergens anders zijn verricht
en na zijn
vaststelling dat bij klager sprake was van glaucoom niet uitsluiten dat hiervan
wel sprake is. Hij
voert aan dat, zelfs al zou komen vast te staan dat klager toch geen glaucoom heeft,
hij niet
onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij op basis van de verrichte onderzoeken niet
anders kon dan
concluderen dat sprake was van glaucoom. Anders had hij in strijd gehandeld met
de voor hem
geldende professionele standaard en niet gehandeld als zorgvuldig handelend keuringsarts.
5.4 Het college zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren. Bij de oogarts is op
basis van
onderzoek de verdenking van de oogziekte glaucoom gerezen. Die verdenking was reden
om nader
onderzoek te laten doen. De oogarts heeft daarom aan klager aanvullend onderzoek
geadviseerd.
Dergelijke bevindingen dienen vervolgens te worden gedeeld met de patiënt en het
CBR. Het college
kan zich voorstellen dat klager geschrokken en/of verbaasd was van dergelijk nieuws
tijdens een
keuring, maar het handelen van de oogarts doorstaat de tuchtrechtelijke toets der
kritiek. Dat
later in het ziekenhuis zou zijn gebleken dat er geen sprake is van glaucoom maakt
het oordeel niet
anders. De oogarts heeft gehandeld op basis van aanwijzingen uit door hem verricht
onderzoek. Dat
kon en mocht hij op deze wijze doen.
Klachtonderdeel b) het zich ten onrechte uitgeven als behandelend arts en het geven
van een
behandelaanbod terwijl de oogarts optrad als keurend arts
5.5 Klager voert aan dat de oogarts zich in de rapportage behandelend arts noemt
in plaats van
onafhankelijk deskundige. Verder voert hij aan dat de oogarts heeft aangeboden om
glaucoom verder
te onderzoeken en te behandelen in zijn oogkliniek. Desgevraagd heeft de oogarts
aan klager
aangegeven dat dit geen onderdeel van de keuring zou zijn, waarop klager heeft gereageerd
dat hij
zich dan zou wenden tot zijn behandelend specialist in het ziekenhuis.
5.6 De oogarts erkent dat in de rapportage behandelend specialist staat vermeld,
maar stelt zich
op het standpunt dat hij zich niet als zodanig heeft voorgedaan. Volgens hem staat
in de rapportage
behandelend specialist vermeld doordat de optometrist in het systeem het verkeerde
vakje heeft
aangekruist. Er is volgens hem sprake van een simpele fout door de optometrist die
het verkeerde
vakje heeft aangeklikt. De oogarts geeft aan dat hij tegen klager heeft gezegd dat
het
Estermangezichtsveldonderzoek bij zijn oogkliniek kon worden gedaan. Volgens de
oogarts kan dit niet worden aangemerkt als een behandelaanbod. Verder heeft hij aangeboden
nader onderzoek te verrichten naar de oogafwijking, zodat snel in kaart kon worden gebracht
in welke mate sprake was van glaucoom. De oogarts ziet in dat hij voor dit aanvullende vervolgonderzoek
achteraf bezien beter had kunnen verwijzen naar een andere oogarts en dat dit
wellicht opgevat kon worden als een behandelaanbod. Hij heeft hier lering uit getrokken
en zal er
in de toekomst nog scherper op zijn geen enkel aanbod voor vervolgonderzoek naar
aanleiding van een
keuring te doen. De oogarts geeft aan dat hij geen aanbod tot daadwerkelijke behandeling
van
glaucoom heeft gedaan. Dat was volgens hem op dat moment ook niet aan de orde.
5.7 Het college zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren. Vast staat dat in de
rapportage de
oogarts als behandelend specialist staat weergegeven. Naar het oordeel van het college
maakt die
enkele administratieve fout niet dat de oogarts zich als behandelaar heeft uitgegeven.
Jegens
klager heeft de oogarts zich in gesproken woord tijdens het onderzoek nimmer als
zodanig
gepresenteerd. Voor zowel de oogarts als klager was het duidelijk dat hij optrad
in de hoedanigheid
van keuringsarts zoals ook volgt uit de verdere inhoud van het rapport. Niet is
gebleken dat de
oogarts een concreet aanbod tot behandeling van de vermeende oogziekte heeft gedaan.
Hetgeen de
oogarts heeft voorgesteld betrof een nader onderzoek in het kader van de keuring.
Dit aanbod
kwalificeert het college niet als een behandelaanbod, maar als een onderzoeksvoorstel.
Dat de
oogarts een onderzoeksvoorstel heeft gedaan, valt hem niet te verwijten. Wel was
het volgens het
college beter geweest om niet het voorstel te doen om het onderzoek in de praktijk
van de oogarts
te verrichten, maar enkel het advies te geven om nader onderzoek te laten doen.
Klachtonderdeel c) het schenden van de privacy van klager dan wel het niet in acht
nemen van zijn
beroepsgeheim
5.8 Klager voert aan dat hij op 18 maart 2024, toen hij voor de uitslag van het
aanvullend
gezichtsveldonderzoek kwam, op de gang het voorbereidend gesprek tussen de oogarts
en een
assistente woordelijk heeft kunnen volgen doordat de deur van de spreekkamer openstond.
Ook anderen
hebben daardoor volgens klager kunnen horen dat de uitkomst van het gezichtsveldonderzoek
heel
slecht was, dat de oogarts dat zou gaan vertellen en dat de patiënt dat niet leuk
zou gaan vinden.
Verder voert klager aan dat de assistente niet werd voorgesteld, dat niet is gezegd
wat haar
functie was en dat niet is toegelicht wat de reden van haar aanwezigheid bij het
gesprek was.
Volgens klager is hem ook niet gevraagd of hij er bezwaren tegen had dat de assistente
bij het
gesprek aanwezig was.
5.9 De oogarts vindt het zeer onwaarschijnlijk dat klager en andere patiënten in
de wachtruimte
het gesprek tussen hem en de spreekuurassistente hebben kunnen volgen. Hij bespreekt
de situatie
van een patiënt namelijk steeds achter in de spreekkamer. De afstand van de plaats
waar hij met de
spreekuurassistente overlegt tot de dichtstbijzijnde stoelen in de wachtruimte bedraagt
volgens hem
meer dan acht meter. Verder is de deur van de spreekkamer tijdens het overleg gesloten
dan wel
nagenoeg gesloten en spreken de oogarts en spreekuurassistente op normaal volume
tegen elkaar. Volgens de oogarts is het dan ook onaannemelijk dat hij de privacy van
klager heeft geschonden. De oogarts is van mening dat hij ook
niet zijn beroepsgeheim heeft geschonden door de spreekuurassistente te laten aansluiten
bij het
consult. De spreekuurassistente is namelijk een rechtstreeks betrokkene bij de uitvoering
van de
medische keuring. De oogarts kan zich niet meer herinneren of hij de spreekuurassistente
aan klager
heeft voorgesteld, maar neemt aan dat hij dit wel heeft gedaan aangezien het volgens
hem bij een
consult de normale gang van zaken is dat iedereen zich kort voorstelt. De oogarts
meent echter dat
er geen sprake is van schending van het beroepsgeheim als dit op 18 maart 2024 niet
is gebeurd. Hij
geeft verder aan dat spreekuurassistenten een naamkaartje dragen.
5.10 In de gezondheidszorg wordt continue gebruik gemaakt van ondersteunende en assisterende
zorgprofessionals. De oogarts werkt onder meer samen met een spreekuurassistente
en bespreekt
patiënten inhoudelijk met haar. Dat staat hem vrij en levert geen schending van
zijn beroepsgeheim
op. Over het in de wachtkamer kunnen horen van het gesprek tussen de oogarts en
de
spreekuurassistente lopen de lezingen van partijen uiteen. Naar het oordeel van
het college valt
uit de stukken niet af te leiden dat de oogarts de privacy van klager heeft geschonden.
Voor een
tuchtrechtelijk verwijt moet worden vastgesteld dat er sprake is van een verwijtbare
gedraging. Dat
kan het college op dit punt niet vaststellen. Dat maakt dat de oogarts op dit punt
dan ook geen
verwijt kan worden gemaakt. Het college zal ook dit klachtonderdeel daarom ongegrond
verklaren.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J. Iding, voorzitter, C.M.H.M van Lent, lid-jurist,
B.F.Th.
Hogewind, H.J.B. van den Brom en J.W.M. van Ameijde, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door D. van
Grootveld, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 17 december 2025.