ECLI:NL:TGZRSHE:2025:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7938

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:140
Datum uitspraak: 10-12-2025
Datum publicatie: 10-12-2025
Zaaknummer(s): H2024/7938
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: De moeder van een patiënt dient een klacht in tegen de tandarts omdat deze agressief zou zijn geweest tegen haar driejarige zoon. Het college kan niet vaststellen wat er precies is gebeurd omdat partijen verschillende lezingen over de feiten hebben. Voor zover het college dat wel vast kan stellen, acht het de reactie van de tandarts niet verwijtbaar. De klacht is ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 10 december 2025 op de klacht van:


[A], als wettelijk vertegenwoordigster van [B],
wonende in [C],
klaagster,

tegen

[D],
tandarts,
(destijds) werkzaam in [E],
verweerster,
gemachtigde: mr. M. Verstegen, thans werkzaam in Leusden.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster klaagt erover dat verweerster zich agressief heeft gedragen ten opzichte van haar
driejarige zoon tijdens een tandartsafspraak op 3 december 2024 en tegen diens kin heeft geduwd.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna licht het college dat
toe.

2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 18 december 2024;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 11 april 2025;
- de brief van 19 mei 2025 van de secretaris aan klaagster;
- de brief van 2 juni 2025 van de secretaris aan klaagster;
- de brief van 2 juni 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster.

2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 29 oktober 2025. Klaagster was afwezig zonder
bericht van verhindering. Verweerster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerster
heeft haar standpunt mondeling toegelicht. Haar gemachtigde heeft een pleitnotitie voorgelezen en
aan het college overhandigd.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 3 december 2024 had klaagster een (spoed)afspraak bij verweerster vanwege kiespijn bij
haar driejarige zoon, hierna: patiënt. Zij had ook haar tienjarige zoon bij zich.

3.2 Patiënt wilde niet in de behandelstoel gaan zitten, waarna klaagster met haar tienjarige zoon
voorgedaan heeft hoe dit zou gaan, om hem gerust te stellen. Patiënt liep naar een hoek van de
kamer en ging daar op een stoel zitten. Verweerster kwam naar hem toe. Zij had een spiegeltje
waarmee je in de mond kunt kijken in haar hand. Toen zij voor patiënt zat, maakte hij schoppende
bewegingen waarop verweerster ook een beweging naar patiënt maakte. Tegelijkertijd sprak
verweerster patiënt aan op zijn gedrag. Patiënt greep vervolgens met zijn handen naar de loepbril
van verweerster die om haar nek hing. Verweerster weerde dat af. Hierna verliet klaagster met
patiënt en haar tienjarige zoon boos de behandelkamer.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij zich tegenover patiënt niet heeft gedragen zoals van
een tandarts mag worden verwacht doordat:
a) verweerster zich agressief gedragen heeft door zijn beentjes vast te pakken en heel hard tegen
hem te roepen dat hij haar niet mocht schoppen of slaan;
b) verweerster met haar hand tegen de kin van patiënt geduwd heeft toen hij de loepbril van
verweerster probeerde te pakken.

4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) beentjes vastpakken en agressieve toon
5.2 Volgens klaagster heeft verweerster zich agressief gedragen door de beentjes van patiënt vast
te pakken toen hij schoppende bewegingen maakte en door heel hard tegen hem te roepen dat hij haar
niet mocht schoppen of slaan.

5.3 Verweerster erkent dat zij de schoen van patiënt vastgepakt heeft omdat zij schrok van zijn
schoppende bewegingen. Ook erkent zij dat zij op duidelijke toon gezegd heeft: Er is hier één ding
dat we niet doen en dat is schoppen en slaan. Verweerster ontkent patiënt bij zijn beentjes te
hebben vastgepakt.

5.4 Gelet op de tegenstrijdige verklaringen van klaagster en verweerster, heeft het college niet
kunnen vaststellen of de beentjes of de schoen van patiënt zijn vastgepakt door verweerster. Zij
heeft wel geprobeerd te voorkomen dat patiënt haar zou schoppen. Naar het oordeel van het college
is dit niet verwijtbaar. Het betrof een schrikreactie en niet gebleken is dat patiënt pijn hiervan
ondervonden heeft.

5.5 Voor wat betreft het heel hard roepen naar patiënt, oordeelt het college als volgt. Ter
zitting heeft verweerster de woorden die zij tegen patiënt gebruikt heeft en de toon waarop zij
deze heeft uitgesproken herhaald. Het college constateert dat verweerster op luide en duidelijk
toon gesproken heeft maar dat daarbij geen sprake was van heel hard roepen. Dat de woorden op deze
wijze zijn gezegd, is niet weersproken. Ter zake treft verweerster dan ook geen verwijt.

5.6 Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel b) duwen tegen de kin
5.7 Volgens klaagster duwde verweerster patiënt, toen deze naar haar loepbril greep, tegen diens
kin en duwde zij hem hard naar achteren, waardoor hij hard tegen de verwarming aankwam.

5.8 Volgens verweerster heeft zij iets gezegd als “niet doen” toen patiënt naar haar loepbril
greep en maakte zij een afwerende beweging met haar arm zonder kracht te gebruiken. Zij betwist dat
zij patiënt heeft geduwd en volgens haar is hij niet tegen de verwarming aangekomen. Toen hij van
zijn stoel afkwam, kwam de stoel volgens haar tegen de metalen bekisting van de verwarming aan wat
voor veel geluid zorgde.

5.9 Het college overweegt als volgt. Het college kan niet vaststellen wat er precies gebeurd is
toen patiënt naar de loepbril van verweerster greep. Klaagster en verweerster schetsen ieder een
eigen beeld van het voorval. In gevallen waarin de lezingen van partijen omtrent een
klachtonderdeel uiteenlopen en niet vastgesteld kan worden welke van beide lezingen het meest
aannemelijk is, kan dat klachtonderdeel niet gegrond verklaard worden. Dit betekent niet dat aan
het woord van klaagster minder geloof wordt gehecht dan aan het woord van verweerster maar voor een
tuchtrechtelijk verwijt moet eerst vastgesteld worden dat er sprake is van een verwijtbare
gedraging. Dat is in deze zaak niet vast te stellen. Dat betekent dat ook dit klachtonderdeel
ongegrond is.

Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door E.C.M. de Klerk, voorzitter, W.G.H. Corté, lid-jurist,
R.C.M. van Gorp, G.L.M.M. van der Werff en C. Coppen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G.
Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 10 december 2025.