ECLI:NL:TGZRSHE:2025:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8453

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:136
Datum uitspraak: 03-12-2025
Datum publicatie: 03-12-2025
Zaaknummer(s): H2025/8453
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, gedeeltelijke ontzegging
Inhoudsindicatie: Klacht IGJ tegen internist-hematoloog, momenteel werkzaam in het buitenland, gegrond in alle onderdelen: voorschrijven onderhoudsdoseringen Rituximab (off-label), niet voldaan aan regels omtrent informed consent, tekortgeschoten in dossierplicht en onvoldoende collegiaal overleg gevoerd/onvoldoende samengewerkt. Maatregel: Binding aan bijzondere voorwaarden (als bedoeld in artikel 48 lid 1 onder g van de Wet BIG), inhoudende dat de internist-hematoloog gedurende twaalf maanden uitsluitend werkzaam mag zijn onder supervisie, ingaande vanaf het moment dat de internist-hematoloog zijn werkzaamheden in Nederland hervat.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 3 december 2025 op de klacht van:


INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd in Utrecht, klaagster, hierna: de Inspectie,
ter zitting vertegenwoordigd door:
mevrouw drs. P.M. Sleeuwenhoek als coördinerend specialistisch inspecteur en mevrouw mr. C. Neve
als senior juridisch adviseur,

tegen

[A],
internist-hematoloog,
destijds werkzaam in [B],
verweerder, hierna: de internist-hematoloog,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Na een melding van het ziekenhuis waar de internist-hematoloog werkte, heeft de Inspectie een
onderzoek gedaan. Volgens de Inspectie week de internist-hematoloog gedurende lange tijd af van de
geldende richtlijnen en protocollen. Zo schreef hij, tegen de richtlijnen in, onderhoudsdoseringen
voor van oncologische medicatie (Rituximab). Naar aanleiding van de bevindingen is deze tuchtklacht
ingediend.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de Inspectie ontvankelijk is in haar klacht en dat de
klacht in al haar onderdelen gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is
verlopen. Daarna licht het college het oordeel toe.

2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
1. Het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 april 2025;
2. De e-mail van 27 mei 2025 van de Inspectie;
3. De brief van 8 juli 2025 van de gemachtigde van de internist-hematoloog;
4. De brief van de secretaris van 16 juli 2025 aan de Inspectie;
5. De e-mail van 22 juli 2025 met de bijlagen, ontvangen van de Inspectie;
6. Het verweerschrift, ontvangen op 26 augustus 2025;
7. De brief van 5 september 2025 van de gemachtigde van de internist-hematoloog, ontvangen op
8 september 2025;
8. De brief van 9 september 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van de internist-hematoloog;
9. Het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van 16 september 2025;
10. De brief van 24 september 2025 van de gemachtigde van de internist-hematoloog met als bijlagen
acht cd-roms;
11. De brief van 29 september 2025 van de gemachtigde van de internist-hematoloog en het antwoord
per e-mail van de voorzitter hierop van 1 oktober 2025.

2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 8 oktober 2025. De partijen zijn verschenen.
De internist-hematoloog werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De Inspectie en de gemachtigde van
de internist-hematoloog hebben hun standpunten mondeling toegelicht en een pleitnotitie voorgelezen
en aan het college overhandigd.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 De internist-hematoloog was vanaf 2001 werkzaam bij een ziekenhuis in [B]. Dit ziekenhuis is
in 2016 gefuseerd met een ander ziekenhuis. Vanaf de fusie was hij werkzaam bij het gefuseerde
ziekenhuis (hierna: het ziekenhuis). Sinds de fusie heeft de internist-hematoloog een hogere
werkdruk en problemen in de samenwerking met (nieuwe) collega’s ervaren.

3.2 In een periode dat de internist-hematoloog wegens ziekte werd waargenomen door
collega’s zijn vragen gerezen over zijn handelen. Op 9 mei 2022 meldde het ziekenhuis bij de
Inspectie dat door de Vereniging Medische Staf (VMS) een procedure was opgestart met betrekking tot
het functioneren van de internist-hematoloog op grond van het ‘Reglement Functioneringsvraag
Medisch Specialist’. Het ziekenhuis heeft een Commissie van Onderzoek Vereniging Medisch
Specialisten (VSM) ingesteld, welke onderzoek heeft verricht. De internist-hematoloog werd met
ingang van mei 2022 vrijgesteld van werk. In de periode van 11 mei 2022 tot en met 30 november 2022
meldde het ziekenhuis bij de Inspectie elf calamiteiten waarbij de internist-hematoloog betrokken
was. De Inspectie ontving de onderzoeksrapportages van de interne onderzoeken die door het
ziekenhuis naar deze calamiteitenmeldingen zijn uitgevoerd. Op 12 december 2022 meldde het
ziekenhuis dat zij op basis van de uitkomsten van het onderzoek de samenwerking met de
internist-hematoloog per 1 juli 2023 zou beëindigen.

3.3 Op 27 december 2022 ontving de Inspectie een verplichte melding van het ziekenhuis over het
beëindigen van de samenwerkingsrelatie met de internist-hematoloog per 1 juli 2023 wegens
disfunctioneren op meerdere CanMEDS competenties. Deze bevatten verschillende kerncompetenties
waaronder communicatie, samenwerking, kennis en wetenschap, organisatie en professionaliteit.

3.4 De Inspectie heeft naar aanleiding van deze melding zelf een onderzoek ingesteld. Bij dit
onderzoek zijn de interne onderzoeksrapportages van het ziekenhuis betrokken van de eerder gemelde
elf calamiteiten voor zover die betrekking hebben op het individuele handelen van de internist-hematoloog. Daarnaast heeft de Inspectie met de internist-hematoloog gesproken en dossieronderzoek gedaan in de elf gemelde calamiteiten.

3.5 De Inspectie komt in haar onderzoek naar het handelen en functioneren van de
internist-hematoloog tot de conclusie dat de internist-hematoloog langdurig heeft gehandeld in
strijd met artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), omdat
hij bij de behandeling van zijn patiënten (structureel) afweek van geldende richtlijnen en
protocollen. Dit zou hij hebben gedaan door tegen de richtlijnen in (off-label)
onderhoudsdoseringen oncologische medicatie (Rituximab) voor te schrijven aan bepaalde patiënten.
De Inspectie stelt dat hij daarmee tevens in strijd met de normen van de KNMG en FMS over off-label
voorschrijven handelde. Daarnaast stelt de Inspectie dat de internist-hematoloog structureel in
strijd handelde met de professionele normen op het gebied van informed consent, dossiervorming en
samenwerking (overleg). Hij heeft volgens de Inspectie in vrijwel alle onderzochte dossiers zijn
overwegingen rondom diagnostiek, behandeling en medicatiebeleid niet, althans volstrekt
onvoldoende, in de patiëntendossiers vastgelegd en zijn keuzes niet besproken met collega’s in de
multidisciplinaire overleggen (hierna: MDO’s) of anderszins. Volgens de Inspectie heeft hij zich
door zijn solistische werkwijze niet toetsbaar opgesteld voor collega’s en was er geen sprake van afstemming. De Inspectie concludeert dat internist-hematoloog ernstig tekort is geschoten in de behandeling van de patiënten in de
onderzochte calamiteitendossiers.

3.6 Thans werkt de internist-hematoloog in een ziekenhuis in een ander land. Hij werkt in een vakgroep met drie internist-hematologen.

4. De klacht en de reactie van de internist-hematoloog
4.1 De Inspectie verwijt de internist-hematoloog dat hij:
a) onderhoudsdoseringen van Rituximab (off-label, in strijd met richtlijnen en
zorgvuldigheidsnormen) heeft voorgeschreven;
b) niet heeft voldaan aan de regels omtrent het informed consent;
c) is tekortgeschoten in de dossierplicht;
d) onvoldoende collegiaal overleg heeft gevoerd en onvoldoende heeft samengewerkt.

4.2 De internist-hematoloog heeft het college verzocht de Inspectie niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Hij stelt zich ten eerste op het standpunt dat het
klaagschrift niet voldoet aan de eisen die daaraan in de wet worden gesteld. Daarnaast heeft hij
een beroep gedaan op verjaring, voor zover de klacht ziet op zijn handelen vóór 30 april 2015. Voor
het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de internist-hematoloog het
college verzocht rekening te houden met alle destijds aanwezige omstandigheden en de thans genomen
maatregelen waardoor de kans op herhaling is geminimaliseerd.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
Voldoet het klaagschrift aan de eisen die daaraan in de wet worden gesteld?
5.1 Het niet-ontvankelijkheidsverweer dat de internist-hematoloog primair heeft gevoerd treft geen
doel. De internist-hematoloog stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift niet voldoet aan de
eisen die bij wet aan het klaagschrift worden gesteld. Met het beoordelen van meerdere individuele
behandelingen in één tuchtzaak zou het tuchtrechtelijke uitgangspunt worden losgelaten dat iedere
behandeling individueel wordt beoordeeld, aldus de internist-hematoloog. Ter onderbouwing van dit
standpunt wordt verwezen naar twaalf zaken jegens eenzelfde verweerder die separaat werden
beoordeeld (het betreft de zaken Z2022/3994, 3996, 3997, 3999, 4000, 4001, 4002, 4003, 4004, 4005,
4006 en 4189 van het Regionaal
Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle, uitgesproken op 13 januari 2023).

5.2 De vergelijking met deze zaken gaat naar het oordeel van het college niet op. In deze zaken
ging het immers om twaalf individuele klagers terwijl het in de onderhavige zaak gaat om een
klacht, ingediend door de Inspectie en die wordt onderbouwd aan de hand van elf dossiers. De
vereisten waaraan een klaagschrift moet voldoen, zijn neergelegd in artikel 65 lid 2 van de Wet BIG
en artikel 4 lid 1 sub b en c van het Tuchtrechtbesluit BIG. Uit deze artikelen volgt niet, anders
dan de internist-hematoloog kennelijk veronderstelt, dat de Inspectie slechts individuele gevallen
kan neerleggen ter beoordeling. Het past bij de toezichthoudende taak van de Inspectie dat meerdere
meldingen uit een bepaalde periode in kaart worden gebracht en de uit het onderzoek gebleken
patronen ter beoordeling worden voorgelegd aan het tuchtcollege.

5.3 De internist-hematoloog stelt zich daarnaast op het standpunt dat het reflectieverslag dat
hij heeft geschreven in het kader van het onderzoek van de Inspectie niet had mogen worden
ingebracht in de tuchtprocedure. Hij stelt dat de gegevens uit het reflectieverslag nu worden
gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het reflectieverslag is opgesteld. Ook stelt hij dat het
tuchtrecht meer verwant is aan het strafrecht dan aan het bestuursrecht, de potentiële gevolgen van
een tuchtrechtelijke procedure voor een zorgverlener zeer groot zijn en dat niemand mee hoeft te
werken aan zijn eigen veroordeling.

5.4 Het college is van oordeel dat het de Inspectie vrij staat om het reflectieverslag in te
brengen in de tuchtprocedure. Het reflectieverslag maakte immers onderdeel uit van het door de
Inspectie uitgevoerde onderzoek. Anders dan de internist-hematoloog kennelijk bedoelt te stellen
blijkt uit vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege (onder andere CTG 11 december 2014,
ECLI:NL:TGZCTG:2014:387) dat een tuchtklacht niet als strafvervolging (criminal charge) kan worden
aangemerkt. De Inspectie hoefde dan ook geen zogenoemde cautie te geven aan de internist-hematoloog
of hem moeten waarschuwen dat het reflectieverslag onderdeel uitmaakte van het onderzoek. Er is dan
ook geen sprake van strijd met artikel 6 EVRM. Het college is van oordeel dat de Inspectie
ontvankelijk is in haar klacht.

Verjaring
5.5 Op grond van artikel 65 lid 5 van de Wet BIG vervalt de bevoegdheid tot het indienen van een
klaagschrift door verjaring tien jaar nadat het desbetreffende handelen of nalaten is geschied.
Deze verjaringsregeling, die ambtshalve en strikt moet worden toegepast, brengt mee dat in deze
zaak niet kan worden geklaagd over het handelen van de internist-hematoloog voor zover dat heeft
plaatsgevonden vóór 30 april 2015. Ten aanzien van het handelen van de internist-hematoloog vanaf
30 april 2015 is geen sprake van verjaring. Het college zal om die reden alleen het handelen van de
internist-hematoloog vanaf 30 april 2015 beoordelen. Het college is van oordeel dat er vanaf 30
april 2015 voldoende informatie beschikbaar is om de klachten te kunnen beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling
5.6 De vraag is of de internist-hematoloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende internist-hematoloog. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de internist-hematoloog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.

Klachtonderdeel a) het off-label voorschrijven van onderhoudsdoseringen Rituximab
5.7 Op grond van onder andere artikel 68 van de Geneesmiddelenwet geldt als hoofdregel dat
geneesmiddelen alleen worden voorgeschreven voor de indicatie waarvoor het betreffende geneesmiddel
is geregistreerd. De Inspectie verwijt de internist-hematoloog dat hij in strijd met richtlijnen en
zorgvuldigheidsnormen aan meerdere patiënten onderhoudsdoseringen Rituximab heeft voorgeschreven.
De Inspectie acht dit handelen zeer risicovol voor een veilige patiëntenzorg. Het gaat namelijk om
immuno-suppressieve medicatie die (ernstige) bijwerkingen kan veroorzaken indien deze langdurig
wordt gebruikt. Bij sommige patiënten waarvan de Inspectie het dossier heeft onderzocht, hebben
deze bijwerkingen zich ook voorgedaan. Het college is van oordeel dat de internist-hematoloog
hiermee in strijd heeft gehandeld met de richtlijn “Chronische Lymfatische leukemie/ kleincellig
lymfocytair lymfoom”. Uit deze richtlijn volgt dat onderhoudsdoseringen Rituximab niet dienen te
worden voorgeschreven bij de ziektebeelden van de betreffende patiënten. Daarnaast gelden
aanvullende zorgvuldigheidseisen voor het off-label voorschrijven van medicatie, zoals een
verzwaarde motiveringsplicht en dossierplicht. Ook aan deze zorgvuldigheidseisen heeft de
internist-hematoloog niet voldaan.

5.8 De internist-hematoloog heeft erkend dat hij buiten indicatie (off-label) aan verschillende
patiënten onderhoudsdoseringen Rituximab heeft voorgeschreven, waarbij hij niet heeft voldaan aan
de aanvullende zorgvuldigheidseisen door in het medisch dossier niet op te nemen waarom het middel
off-label voorschrijven niettemin geïndiceerd was. Dit klachtonderdeel is reeds om die reden
gegrond.

Klachtonderdeel b) het niet voldoen aan de regels voor informed consent
5.9 Op grond van artikel 7:448 en artikel 7:450 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet een arts de
patiënt over de voorgenomen behandeling inlichten, zodat duidelijk is voor welke behandeling de
betreffende patiënt toestemming geeft. Omdat het hier ging om het off-label voorschrijven van
medicatie geldt een verzwaarde informatie- en motiveringsplicht. Het college stelt vast dat in geen
van de onderzochte patiëntendossiers is vastgelegd welke informatie met de patiënt is besproken. De
internist-hematoloog heeft ter zitting verklaard dat hij de behandeling met alle patiënten heeft
besproken, met uitzondering van twee patiënten (waarvan het in één geval ging om een overgenomen
patiënt). Omdat in geen van de dossiers is vastgelegd welke informatie met de patiënt is besproken,
kan achteraf niet meer worden vastgesteld of er sprake was van informed consent voor de ingezette
behandelingen. De conclusie is daarmee dat dit klachtonderdeel gegrond is.

Klachtonderdeel c) dossierplicht
5.10 De arts is op grond van artikel 7:454 BW verplicht om een medisch dossier in te richten. In
het dossier worden aantekeningen bijgehouden van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt
en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen. Ook neemt een arts daarin andere gegevens op, een
en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de patiënt noodzakelijk is. De Inspectie
concludeert op basis van haar onderzoek dat de internist-hematoloog structureel in strijd handelde
met de op hem rustende dossierplicht. De internist-hematoloog heeft dit (onder andere ter zitting)
ook erkend. Het college heeft zelf eveneens vastgesteld dat door de internist-hematoloog
onvoldoende aantekening is gemaakt van belangrijke onderdelen van een behandeling, zoals waarom
off-labelmedicatie kon worden voorgeschreven. Dit klachtonderdeel is daarmee gegrond.

Klachtonderdeel d) onvoldoende collegiaal overleg en samenwerking
5.11 De Inspectie verwijt de internist-hematoloog dat hij zich solistisch heeft opgesteld door
onvoldoende collegiaal overleg te voeren en onvoldoende samenwerking op te zoeken met collega’s. De
internist-hematoloog erkent dat hij geruime tijd geen patiënten heeft ingebracht in het MDO en geen
overleg heeft gevoerd met collega’s. Hij wijdt dit aan de grote werkdruk en de slechte werksfeer
die is ontstaan na de fusie. Toen een collega waarmee hij voor en geruime tijd na de fusie goed
samenwerkte, vertrok, werd het nog lastiger om samenwerking op te zoeken. Hoewel de
internist-hematoloog hiermee een verklaring geeft voor zijn handelen, vormt dit naar het oordeel
van het college geen excuus voor het uitblijven van collegiaal overleg. Ook dit laatste
klachtonderdeel is om die reden gegrond.

Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in alle onderdelen gegrond is.

Maatregel
5.13 Daarmee staat het college voor de vraag of een maatregel moet worden opgelegd en, zo ja,
welke maatregel passend en geboden is. De Inspectie betoogt dat de internist-hematoloog langdurig
en structureel de voor zijn beroepsgroep geldende normen en richtlijnen niet volgde en verzoekt een
maatregel op te leggen die past bij de ernst van het normoverschrijdend gedrag. Het college is van
oordeel dat er sprake is van een ernstige normoverschrijding die bovendien meerdere keren en
gedurende een lange periode heeft plaatsgevonden. Dat de internist-hematoloog in meerdere dossiers
en gedurende een lange periode niet voldeed aan zijn uit artikel 7:454 BW voortvloeiende
dossierplicht acht het college zeer laakbaar. Hierdoor ontbreekt voor een volgend of waarnemend
arts inzicht in het medisch handelen en zijn beslissingen achteraf niet toetsbaar. Dit raakt direct
aan de patiëntveiligheid en de kwaliteit van de zorg.

5.14 Uitgangspunt is dat bij ernstige en langdurige normoverschrijdingen een (voorwaardelijke)
schorsing aangewezen kan zijn. De internist-hematoloog heeft ter zitting verklaard inzicht te
hebben in en te reflecteren op zijn handelen. Hij geeft aan zijn zaken inmiddels beter op orde te
hebben en zich veiliger te voelen op zijn werk. Deze toelichting is naar het oordeel van het
college echter onvoldoende concreet onderbouwd met aantoonbare verbetermaatregelen om een lichtere
maatregel te rechtvaardigen. Het college acht hier, mede gezien de huidige werksituatie en de
context waarin de internist-hematoloog werkzaam is, echter een maatregel passend die de
patiëntveiligheid en kwaliteit van de zorg borgt zonder de beroepsbeoefening volledig stil te
leggen. Het college legt om die reden de maatregel van binding aan een bijzondere voorwaarde als
bedoeld in artikel 48 lid 1 onder g van de Wet BIG op, inhoudende dat de internist-hematoloog
gedurende twaalf maanden uitsluitend werkzaam mag zijn onder supervisie. Op deze manier kan onder
gecontroleerde omstandigheden worden nagegaan of de internist-hematoloog zijn handelen duurzaam
weet te herstellen met toezicht van de Inspectie op de naleving van deze voorwaarde (artikel 48a
van de Wet BIG).

5.15 Het college weegt mee dat de werkdruk als internist-hematoloog in Nederland hoog is. Juist
indachtig het feit dat de internist-hematoloog als reden voor zijn handelen de hoge werkdruk
benoemt, acht het college het van belang dat een supervisietraject wordt ingezet wanneer de
werkzaamheden in Nederland worden hervat. Er wordt specifiek gerefereerd naar de hervatting van de
werkzaamheden in Nederland, omdat de internist-hematoloog op dit moment in het buitenland werkt.
Zijn huidige werkzaamheden in het buitenland vallen niet onder het toezicht van de Inspectie.

Publicatie
5.16 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de maatregel op van binding aan bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 48 lid 1 onder g van de Wet BIG, inhoudende dat de internist-hematoloog gedurende twaalf maanden uitsluitend werkzaam mag zijn onder supervisie;
- draagt de Inspectie op om toezicht te houden op de naleving van deze bijzondere voorwaarde, als bedoeld in artikel 48a Wet BIG;
- bepaalt dat deze maatregel ingaat vanaf het moment dat de internist-hematoloog zijn werkzaamheden in Nederland hervat;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere
herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden
aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter, L.A.B.M. Wijntjens, lid-jurist, G.A. Velders, E.J. van Lieshout en J.W.B. de Groot, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Karatepe, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.