ECLI:NL:TGZRSHE:2025:125 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7804
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:125 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-11-2025 |
| Datum publicatie: | 12-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7804 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen psychotherapeut. Klager en volwassen zoon kwamen in behandeling vanwege verstoorde relatie. Klager heeft gesprekken als onveilig en hertraumatiserend ervaren. Daarbij miste klager een intakegesprek, behandelplan, dossier en kwaliteitsstatuut. Intake plaatsgevonden. College heeft niet kunnen vaststellen door welke factoren klager zich onveilig heeft gevoeld en kwaliteitsstatuut was tijdelijk niet in te zien, maar wel aanwezig. Tekortgeschoten in voorleggen/opstellen van een behandelplan en in de dossiervoering. Waarschuwing. Klacht voor het overige ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 12 november 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klager,
tegen
[C],
psychotherapeut,
(destijds) werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de psychotherapeut, gemachtigde: mr. L.F.W. van Zuijlen,
werkzaam in
Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager en zijn (volwassen) zoon (hierna: de zoon) zijn bij de psychotherapeut
in
systeembehandeling gegaan vanwege hun verstoorde relatie. Klager is niet tevreden
over die
behandeling. De psychotherapeut gaf volgens hem te veel ruimte aan de zoon en was
niet neutraal,
waardoor hij de gesprekken als onveilig en hertraumatiserend heeft ervaren. Daarbij
miste hij een
intakegesprek, behandelplan, dossier en kwaliteitsstatuut.
1.2 De psychotherapeut meent dat – gelet op de omstandigheden van deze zaak, het
systeemtherapeutisch kader en de inhoud van de systeemtherapeutische gesprekken
– haar geen
tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de psychotherapeut tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld en legt haar de maatregel van waarschuwing op. Hierna licht het college
dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 12 november 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 10 februari 2025;
- de brief van 25 maart 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
- de brief van 4 april 2025 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van verweerster.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van
het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 september 2025. Partijen
zijn verschenen.
De psychotherapeut werd bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten
mondeling
toegelicht. De gemachtigde van de psychotherapeut heeft een pleitnotitie voorgelezen
en aan het
college en klager overhandigd.
3. De feiten
3.1 De psychotherapeut heeft een praktijk voor psychotherapie, waarin zij psychotherapie
en in het
bijzonder systeemtherapie aanbiedt.
3.2 Begin 2024 kwamen klager en de zoon voor systeemgesprekken bij de psychotherapeut
in
behandeling. Tussen klager en de zoon was sprake van een verstoring in de familieverhouding.
3.3 Op 11 april 2024 vond het eerste gesprek plaats. Vervolggesprekken vonden plaats
op 25 april,
8 mei en 22 mei 2024. Het vijfde en tevens laatste gesprek vond plaats op
22 augustus 2024.
3.4 Aan het begin van het gesprek op 22 augustus 2024 gaf klager aan dat hij en
de zoon hadden
besloten dat dit de laatste behandelsessie zou zijn. Tijdens deze sessie is het
tussen klager en de
zoon geëscaleerd, waarbij klager boos voortijdig is weggelopen.
3.5 Daags erna, op 23 augustus 2024, heeft de psychotherapeut klager per e-mail
als volgt bericht
(alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
‘nadat je gisteren weggelopen ben, was er geen gelegenheid om de behandeling af
te ronden. Mijn
vraag is of je dat alsnog zou willen. Ik zou het op prijs stellen om zo het behandeltraject
af te
sluiten’.
3.6 Hierop volgde een e-mailcorrespondentie tussen klager en de psychotherapeut,
voor zover van
belang hierna weergegeven:
Bericht van klager diezelfde avond:
‘(…) Verwacht je dat ik opnieuw met jou en [de zoon] in gesprek ga? Dit bevestigt
voor mij dat je
niet begrijpt wat er in de achterliggende gesprekken is gebeurd.
Ik heb de gesprekken waarin je alle ruimte gaf aan [de zoon] om uit te ageren als
her-
traumatiserend ervaren (…)’
Bericht van de psychotherapeut op 24 augustus 2024:
‘mijn vraag om het alsnog te willen om de behandeling af te ronden, nadat je weg
gelopen bent, had
betrekking op jou. Niet op een gezamenlijk gesprek met [de zoon]. Sorry dat ik daarin
niet helder
en duidelijk was (…)’.
Bericht van klager diezelfde dag:
‘(…) Jouw antwoord is een bevestiging dat een laatste gesprek niets gaat oplossen.
Ik wil van deze
mogelijkheid dan ook geen gebruik maken.’
Daarbij heeft klager de psychotherapeut het verzoek gedaan hem per post een papieren
afschrift van
zijn patiëntendossier en een exemplaar van het Kwaliteitsstatuut te doen toekomen.
Dit laatste met
de toevoeging ‘want de link op jouw website die toegang zou moeten geven tot jouw
kwaliteitsstatuut
werkt niet’.
Bericht van de psychotherapeut 29 augustus 2024:
‘Inderdaad was mijn kwaliteitsstatuut onbereikbaar door een hack. Mijn systeembeheerder
is er
inmiddels in geslaagd deze hack ter herstellen en daarmee is het kwaliteitsstatuut
nu weer normaal
in te zien.
(…)
We hebben vijf gesprekken gehad, waar ik, zoals boven genoemd, korte werk aantekeningen
van heb
gemaakt.
Deze aantekeningen stuur ik in het kader van de privacy niet op.
Je mag deze hier bij mij op kantoor inzien en ook een kopie meenemen na ondertekening
van een
ontvangstbevestiging (…)’
3.7 Klager heeft hierop niet meer gereageerd.
4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut
4.1 Klager verwijt de psychotherapeut dat zij:
1. heeft nagelaten een intakegesprek te voeren met klager en de zoon;
2. heeft nagelaten een aanpak, dan wel behandelplan te bespreken met klager en de
zoon;
3. met de enkel door haar gehanteerde EFT-methodiek ervoor heeft gezorgd dat klager
zich onveilig
heeft gevoeld;
4. niet neutraal of multi-partijdig was;
5. geen dossier heeft aangelegd en dus geen inzage in en afschrift van het dossier
aan klager heeft
verstrekt;
6. de indruk heeft gewekt dat er sprake was van psychotherapie;
7. niet in het bezit was van een geldig kwaliteitsstatuut.
4.2 Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager klachtonderdeel 6 ingetrokken.
Verweerster
heeft niet te kennen gegeven voortzetting van de behandeling van het klachtonderdeel
te verlangen
en het college heeft ook geen redenen van algemeen belang gezien in dit kader, zodat
de behandeling
van dit klachtonderdeel is gestaakt (artikel 65d Wet BIG). Dit betekent dat niet
zal worden
geoordeeld over dit klachtonderdeel.
4.3 De psychotherapeut heeft op de afzonderlijke klachtonderdelen verweer gevoerd.
4.4 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de psychotherapeut de zorg heeft verleend die van haar mocht
worden verwacht.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut.
Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere
professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
Vanwege de onderlinge samenhang zal het college de klachtonderdelen 2 en 5 en de klachtonderdelen
3
en 4 gezamenlijk bespreken.
Klachtonderdeel 1) de psychotherapeut heeft nagelaten een intakegesprek te voeren
met klager en
zoon.
5.2 Volgens klager vond er geen intake plaats en is er zelfs niet gevraagd naar
zijn NAW (naam,
adres, woonplaats)-gegevens. Er werd geen enkele aandacht besteed aan ieders persoonlijke
knelpunten, ondanks dat hij er melding van deed ook elders in therapie te zijn.
Vanaf het eerste
moment begon de psychotherapeut met therapie.
5.3 Voor de inrichting van een intakegesprek bestaan geen strikte richtlijnen. Onweersproken
is
echter dat, conform aard en doelstelling van de intake, de psychotherapeut in het
gesprek op 11
april 2024 de hulpvraag, reden van aanmelding, wensen en behandeldoelen heeft verkend.
Dat daarbij
weinig tot geen aandacht was voor de persoonlijke knelpunten van de vader en zoon,
komt, zo betoogt
de psychotherapeut, omdat bij een systeemintake de focus niet ligt op persoonlijke
problematiek,
maar op interacties en dynamieken binnen het betrokken systeem, hier: de vader-zoon
relatie. Dat
klager in het intakegesprek bepaalde aspecten heeft gemist, betekent derhalve niet
dat dit niet is
gevoerd. Dit geldt ook voor het niet opvragen van de NAW-gegevens. Volgens de psychotherapeut
had
zij voldoende informatie over klager en de zoon verworven tijdens (en voor) het
intakegesprek.
Klachtonderdeel 1) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 2) de psychotherapeut heeft nagelaten een aanpak dan wel behandelplan
te bespreken
met klager en zoon en
klachtonderdeel 5) de psychotherapeut heeft geen dossier aangelegd en dus geen inzage
in en
afschrift van het dossier aan klager verstrekt.
5.4 Volgens klager heeft de psychotherapeut nooit een aanpak/behandelplan besproken
en heeft zij
geen dossier aangelegd, waardoor hij een afschrift hiervan ook niet heeft gekregen
nadat hij daar
om had gevraagd.
5.5 De psychotherapeut weerspreekt weliswaar dat zij het behandelplan dan wel het
plan van aanpak
bij aanvang niet met de vader en de zoon heeft besproken – ‘het behandelplan bestond
immers uit het
voeren van gezamenlijke gesprekken, gericht op relatieherstel tussen klager en zoon,
waar zij ook mee hadden ingestemd’, maar geeft aan zich te realiseren dat het alleen
mondeling bespreken van het behandelplan niet afdoende is. Naar eigen zeggen, legt
zij nu bij iedere systeembehandeling een schriftelijk behandelplan ter goedkeuring
aan partijen voor.
Wat haar dossier betreft, erkent de psychotherapeut dat dit summier en wellicht
ondermaats is. Zij
verkeerde in de veronderstelling dat het voldoende was om (werk)aantekeningen te
maken van de
systeemgesprekken en deze later op te slaan in een digitaal en beveiligde omgeving
van het dossier.
In haar optiek kon zij aan de hand van haar (werk)aantekeningen die later werden
verwerkt en
opgeslagen in het dossier de voortgang van de behandeling op adequate wijze waarborgen
en daarover
zo nodig rekenschap afleggen. Zij geeft aan nu in te zien – mede naar aanleiding
van de door haar
(nog voor klager zijn klacht had ingediend) gevolgde cursus – dat zij meer in het
dossier had
moeten noteren dan enkel de verslaglegging van de gesprekken met partijen. Onder
meer had zij ook
een afschrift van het behandelplan met de daarin gestelde doelen moeten opnemen.
Het spreekt voor
de psychotherapeut dat zij, vermoedelijk na door klager te zijn aangesproken, actief
is geweest in
het opdoen van professionele kennis, hetgeen heeft geleid tot hernieuwde inzichten
en aangepaste
werkwijze met betrekking tot het behandelplan en dossier, maar dit neemt niet weg
dat naar het
oordeel van het college de klachtonderdelen 2) en 5) terecht door klager zijn voorgedragen.
Het
behandelplan is niet als zodanig kenbaar met klager en de zoon besproken en het
dossier is
ondermaats, onder meer omdat daarin een behandelplan ontbreekt. Deze klachtonderdelen
zijn daarom
gegrond.
Klachtonderdeel 3) de psychotherapeut heeft met de enkel door haar gehanteerde EFT
(Emotionally
Focused Therapy)-methodiek ervoor gezorgd dat klager zich onveilig heeft gevoeld
en
Klachtonderdeel 4) de psychotherapeut was niet neutraal of multi-partijdig.
5.6 Volgens klager ging het nooit over gedrag, laat staan over de noodzakelijke
begrenzing van
verbale agressie in de therapiekamer, waardoor hij de gesprekken als zeer onveilig
ervaarde. De
psychotherapeut steunde eenzijdig de zoon, waardoor de zoon zich gesteund voelde
in zijn verwijten
en niet uitgenodigd werd te mentaliseren.
5.7 De psychotherapeut stelt daar tegenover dat zij bij klager en de zoon verschillende
behandeltechnieken heeft gebruikt om interactie tussen hen in kaart te brengen,
het gedrag
bespreekbaar te maken en van daaruit gezamenlijk naar oplossingen te zoeken. In
de beginfase lag de
focus op het in kaart brengen van interactiepatronen, het identificeren van triggers
en het werken
binnen het ‘Windows of Tolerance’’. Daarbij heeft zij klager en de zoon ook psycho-educatie
gegeven
over het concept van emotionele regulatie, met uitleg omtrent het oplopen van emoties
en het
vermogen tot reflectie en mentalisatie kunnen beïnvloeden. Zij heeft met klager
en de zoon gewerkt
aan het herkennen en doorbreken van escalatiepatronen. Teneinde de verbinding tussen
klager en de
zoon te herstellen en de- escaleren, heeft zij via de EFT-methodiek gewerkt om onderliggende
behoeften, emoties en aannames over zichzelf en de ander te verkennen.
Zij herkent zich dan ook niet in het verwijt dat er geen aandacht is geweest voor
gedrag en/of
noodzakelijke begrenzing van verbale agressie. Haar aanpak is juist gericht geweest
op het
integraal benaderen van gedrag, emoties en interacties. Respectloos gedrag of verbale
agressie
tijdens behandelsessies tolereert of normaliseert zij in het geheel niet.
5.8 Gezien de uiteenlopende standpunten van partijen kan het college de gegrondheid
van deze
klachtonderdelen niet vaststellen. De psychotherapeut heeft de door haar gebruikte
behandeltechnieken gemotiveerd toegelicht en de indruk gegeven daarbij meervoudige
partijdigheid te
hebben nagestreefd. Niet is vast te stellen welke (combinatie van) factoren (heeft)
hebben gemaakt
dat klager zich desondanks onveilig heeft gevoeld. Dit betekent dat de klachtonderdelen
3) en 4)
ongegrond zijn.
Klachtonderdeel 7) de psychotherapeut was niet in het bezit van een geldig kwaliteitsinstituut.
5.9 Gebleken is dat de het kwaliteitsstatuut van de psychotherapeut tijdelijk
onbereikbaar is
geweest door een hack. Na de melding van klager dat het kwaliteitsstatuut onbereikbaar
was, heeft
de psychotherapeut direct gepaste actie ondernomen, waardoor de hack is hersteld
en het
kwaliteitsstatuut weer was in te zien. Klachtonderdeel 7) is daarom ongegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen 1), 3), 4), en
7) ongegrond zijn
en de klachtonderdelen 2) en 5) gegrond.
Maatregel
5.11 Nu de klachtonderdelen 2 en 5 gegrond zijn, moet het college beoordelen welke
maatregel
geboden is. De psychotherapeut is tekortgeschoten in het voorleggen van het behandelplan
aan klager
en in de dossiervoering. Wat het laatste betreft, verkeerde zij in de veronderstelling
dat het
volstond de verslaglegging van de gesprekken met partijen in het dossier op te nemen.
Het college
acht dit een ernstige tekortkoming. In het voordeel van de psychotherapeut spreekt
echter dat zij
zich op 7 november 2024, derhalve nog vóór onderhavige klacht is ingediend, de webinar
‘deugdelijke
dossiervoering’ van de Nederlandse Vereniging voor Relatie- en Gezinstherapie (NVRG)
heeft gevolgd
en, naar eigen zeggen, haar werkwijze daarop inmiddels heeft aangepast. Afspraken
omtrent de aard
van de therapie, de tarieven en wederzijdse verwachtingen die binnen het kader van
de
behandelovereenkomst worden gemaakt, legt zij nu vast in het dossier, waarvan zij
een afschrift
verstrekt aan cliënten. Ook in het voordeel van de psychotherapeut spreekt dat zij
ook overigens
blijk geeft van een actief reflecterend vermogen op haar beroepsmatig handelen.
Naar aanleiding van
de opmerking van klager dat hij vond dat zij partijdig leek, heeft zij haar beroepsmatig
functioneren in intervisieverband geanonimiseerd besproken met vakgenoten en geoefend
met
meervoudige partijdigheid. Die toetsbare en transparante opstelling heeft zij ook
jegens klager.
Nog tijdens de mondelinge behandeling toonde zij zich bereid met hem in gesprek
te gaan.
Hoewel de tekortkoming ernstig is, maken de algehele en adequate reflectie op het
beroepsmatig
handelen, dat het college zal volstaan met het opleggen van een waarschuwing.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen 2) en 5) gegrond;
verklaart de klachtonderdelen 1), 3), 4) en 7) ongegrond;
- legt de psychotherapeut de maatregel op van waarschuwing.
-
Deze beslissing is gegeven door I.M.E.A. van Eldonk, voorzitter, C.M.H.M. van Lent,
lid-jurist, Ch.
Oele, M.J.E. Lemmens en A.T. Prinsen-Reinders leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M. Karatepe, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 12 november 2025.