ECLI:NL:TGZRSHE:2025:124 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7308
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:124 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-11-2025 |
| Datum publicatie: | 12-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7308 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen gz-psycholoog tevens medebestuurderinstelling voor Jeugd-GGZ. Onvoldoende zorgvuldig geweest wat betreft beëindigen van behandeling van de minderjarige dochter van klaagster en tekortgeschoten in rol regiebehandelaar en verantwoordelijkheid op het gebied van het faciliteren van een onafhankelijke klachtencommissie. College heeft niet kunnen vaststellen dat verslaglegging niet klopte of klaagster niet serieus werd genomen door gz-psycholoog. Berisping. Klacht voor het overige ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 12 november 2025 op de klacht van:
[A],
klaagster, wonende in [B],
gemachtigde: [C], wonende in [B], partner van klaagster (hierna ook: de partner),
tegen
[D],
gz-psycholoog, werkzaam in [B], verweerder,
gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster, haar ex-partner en hun minderjarige dochter, geboren in 2014 (hierna:
de dochter)
waren in behandeling bij een instelling voor Jeugd-GGZ, die kinderen en hun ouders
behandelt in de
specialistische GGZ. Op enig moment werd de behandeling door de instelling stopgezet.
Klaagster
verwijt de gz-psycholoog, als regiebehandelaar, dat er op onheuse wijze is gecommuniceerd,
de
gesprekken in rapportages onjuist zijn weergegeven en de behandeling ten onrechte
abrupt is
stopgezet. Ook verwijt zij de gz-psycholoog dat de instelling niet was aangesloten
bij een
klachtencommissie.
1.2 De gz-psycholoog is van mening dat de weergave van de gesprekken in de rapportages
juist is
en dat klaagster ervan op de hoogte was dat de spel- en systeemtherapie mogelijk
zou worden
stopgezet als niet zou worden voldaan aan bepaalde voorwaarden. Hij heeft in eerste
instantie
erkend dat er een periode is geweest waarin de instelling niet was aangesloten bij
een
klachtencommissie, maar is hier later op teruggekomen. De gz-psycholoog is daarom
van mening dat de
klacht in alle onderdelen ongegrond is.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna
licht het
college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 14 juni 2024;
- de brief van 27 juni 2024 van de secretaris aan klaagster;
- de brief van 20 juli 2024, met bijlage, ontvangen van klaagster op 24 juli 2024;
- de brief van 29 juli 2024 van de secretaris aan klaagster;
- de USB-stick, ontvangen van klaagster op 14 augustus 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 4 september 2024;
- de e-mail met bijlage van de gz-psycholoog, ontvangen op 29 oktober 2024;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 17 december 2024;
- de aanvullende bewijsstukken, ontvangen van de gemachtigde van de gz-psycholoog
op 3 september
2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 september 2025. Partijen
zijn verschenen.
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen en hun gemachtigden hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigde van de gz-psycholoog heeft een pleitnotitie
voorgelezen en aan
het college en de gemachtigde van klaagster overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De gz-psycholoog is werkzaam bij een instelling voor Jeugd-GGZ (hierna: de
instelling) en is
tevens (mede)bestuurder van die instelling.
3.2 Per 18 juli 2022 is voor de dochter een ondertoezichtstelling (OTS) uitgesproken,
uitgevoerd
door Jeugdbescherming Brabant (JBB).
3.3 Tussen klaagster en de ex-partner (hierna: de vader) was sprake van
echtscheidingsproblematiek.
3.4 Op 8 december 2022 zijn klaagster, de vader en de dochter door JBB aangemeld
bij de
instelling. Klaagster en de vader voor systeemtherapie, gericht op het bereiken
van Parallel Solo
Ouderschap (PSO), en de dochter voor speltherapie.
3.5 De gz-psycholoog was als regiebehandelaar betrokken bij de behandeling.
3.6 Op 18 juli 2023 werd gestart met de behandeling.
3.7 Op 2 november 2023 vond ter voorbereiding op de tussenevaluatie een behandeloverleg
plaats
tussen de instelling en JBB.
3.8 De tussenevaluatie vond plaats op 7 november 2023. Klaagster, de vader, JBB,
de
systeemtherapeut en de gz-psycholoog waren daarbij aanwezig. Hiervan heeft de systeemtherapeut
diezelfde dag een verslag gemaakt waarin staat (alle citaten voor zover van belang
en letterlijk
weergegeven):
“Begin september 2023 is de systeembehandeling van ouders en de spelobservatie van
[de dochter] gestart bij [de instelling].
Nadat de systeembehandeling bij [de instelling] is gestart hebben alle betrokkenen
ervaren dat er
meer rust kwam in de gespannen situatie van ouders.
Vanuit parallel ouderschap hebben ouders ervaren dat zij allebei aan hun eigen kant
van de muur in
hun kracht mogen staan en vanuit ieders visie op een positieve manier invloed kunnen
en mogen
hebben op de ontwikkeling van [de dochter].
Naar de toekomst toe is het doel van de systeembehandeling dat ouders zelf kunnen
laten zien hoe
zij bijdragen aan het creëren van een ontspannen sfeer in de omgang van [de dochter]
met allebei
haar ouders.
Een aandachtspunt hierbij zal o.a. zijn dat ouders handvatten krijgen in hoe zij vanuit
het belang
van [de dochter] kunnen denken en handelen zodat de ouders hun blijk op de toekomst
kunnen gaan
richten en de focus komt te liggen op wat ervoor nodig is om [de dochter] zo goed
mogelijk te laten
ontwikkelen.
De speltherapeut van [de instelling] heeft [de dochter] 5 keer in de spelkamer gezien.
De thema’s in haar spel gaan over onvoldoende kunnen vertrouwen op een ander en een
grote behoefte
aan voorspelbaarheid. Het spel bevestigt hiermee de hypothese dat [de dochter] belemmerd
wordt in
haar ontwikkeling door de gespannen situatie van ouders (loyaliteitsconflict).
Dit heeft vervolgens met name invloed op het zelfvertrouwen van [de dochter]. Conclusies
spelobservatie:
In het speltherapeutisch onder zoek heeft [de dochter] laten zien dat er sprake
is van onverwerkt
trauma wat voortkomt uit de gespannen situatie van ouders. Zowel in het verleden
als nu.
Voortzetting van de speltherapie behandeling is noodzakelijk met als doelen:
1. [De dochter] heeft handvatten gekregen hoe ze de scheiding van haar ouders een
plekje kan geven
zodat haar verdere sociaal/-emotionele ontwikkeling minder onder druk staat en zij
de gelegenheid
en ruimte krijgt zich naar vermogen te ontwikkelen.
2. [De dochter] heeft meer zelfvertrouwen en heeft een meer passend positief zelfbeeld
zodat zij
zich meer evenwichtig en krachtiger in haar vel voelt.
3. [De dochter] leert naar vermogen om zichzelf (emotioneel) te uiten en hij ervaart
een meer
stabiele stemming.
(…)
De systeembehandeling zal, met afstemming tussen de ouders en [de systeemtherapeut],
gecontinueerd
worden.
Tijdens de systeemgesprekken zal wel aandacht worden besteed aan hoe ouders onderling
op een
positieve en constructieve wijze zaken bespreekbaar kunnen maken, zodat er zo min
mogelijk spanning
ontstaat en we ons kunnen blijven richten op wat er nodig is voor de groei in de
ontwikkeling van
[de dochter] in het hier en nu en in de toekomst.”
3.9 Op 28 november 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en de
systeemtherapeut,
waarbij voor het eerst ook de partner aanwezig was. Klaagster heeft dit gesprek
opgenomen.
In het sessieverslag van de systeemtherapeut staat:
“(…) Het karakter van het gesprek slaat om van vriendelijk naar intimiderend.
Tijdens het gesprek stelt [de partner] mij vragen met als antwoord keuzes “ja” of
“nee”. Als ik zeg
dat ik geen antwoord kan geven en hier uitleg aan probeer te geven probeert hij
mij te dwingen tot
een antwoord ja of nee.
Ik heb aangegeven dat ik me door hem gedwongen voel een antwoord te geven dat ik
niet kan of wil
geven en dat ik dat ook niet ga doen.
[Partners] reactie is lacherig achter over in de stoel gaan zitten en benoemen dat
dit nu precies
de reden is dat hij vindt dat ik [de moeder] niet serieus neem in gesprekken.”
3.10 De systeemtherapeut noteerde in het dossier:
“Zie verslaglegging van het sessieverslag van het gesprek met moeder en haar partner.
Naar
aanleiding hiervan direct na het gesprek contact opgenomen met [de gz-psycholoog].
De [gz-psycholoog] heeft naar aanleiding van het gesprek besloten dat de behandeling
per direct
stop gezet wordt.
De partner van moeder komt tijdens het gesprek intimiderend over.
Hij gebruikt de (zonder mijn medeweten opgenomen geluidsopnames van de behandeling
met moeder) als
input om mij aan te spreken op behandeling.
Hij is van mening dat ik moeder niet serieus neem in wat zij zegt.
Hij dwingt mij als behandelaar herhaaldelijk om een antwoord te geven wat ik niet
kan of wil geven.
Ik heb me tijdens de behandeling onveilig en zeer onprettig bejegend gevoeld.
In overleg met de [gz-psycholoog] is ervoor gekozen om per direct de behandeling stop te zetten.
Omdat de systeembehandeling een voorwaarde is voor de spelbehandeling is ook de spelbehandeling
stop gezet.“
3.11 Het besluit om de casus terug te verwijzen naar JBB is op 29 november 2023 door
de
systeemtherapeut telefonisch medegedeeld aan klaagster.
De systeemtherapeut noteerde hierover in het dossier:
“(…) Ik heb [klaagster] uitgelegd dat naar aanleiding van het gesprek gisteren een
intern overleg
heeft plaats gevonden, omdat het vertrouwen in goede afloop van de behandeling ontbreekt
bij
[klaagster].
…)
[Klaagster] vraagt nog aan mij wat zij [de dochter] nu moet vertellen; “Moet ik
[de dochter]
vertellen dat de speltherapie stopt, omdat [klaagster en de vader] er niet uitkomen?
Ik heb
[klaagster] geantwoord dat dit aan haar is.”
3.12 Klaagster heeft in een e-mail aan de systeemtherapeut als volgt gereageerd:
“Jou
berichtgeving vanochtend kwam nogal rauw op ons dak en vooral ook erg éénzijdig,
misschien was een
gesprek hierover meer op z’n plaats zijn geweest.
We zijn hier ook erg van geschrokken dit was totaal onverwacht zowel wij en JBB wisten
hier niets
van af. Het lijkt ons wel passend en professioneel om hier een gezamenlijk gesprek
over te hebben.”
3.13 Op 18 januari 2024 heeft de gz-psycholoog namens het behandelteam een eindverslag
opgesteld
waarin staat:
“(…) Op 28 november 2023 is de behandeling bij [de instelling] voortijdig geëindigd,
met de
volgende redenen:
De betrokkenheid van [de instelling] is geëindigd met de vaststelling dat de aan het
begin gestelde
doelen, met name het vormgeven van parallel ouderschap, toch niet gedragen bleek
te worden door
[klaagster].
Van de kant van [klaagster] is de behandelrelatie onder druk gezet met verwachtingen
die niet
binnen parallel ouderschap passen en niet respectvol zijn jegens andere betrokkenen.
[Klaagster]
neemt een bepalende houding aan.
In gesprek met [klaagster] en haar partner hebben zij uitgesproken dat zij geen
vertrouwen hebben
in de goede afloop van de systeemtherapie, wanneer die niet voldoet aan hun voorwaarden.
Het bleek
voor hen niet mogelijk de eerder genoemde bijzaken als zodanig te zien en er minder
nadruk op te
leggen, vanuit een kennelijke behoefte om de vader te diskwalificeren. (…)”
3.14 Op 25 januari 2024 heeft de instelling een klacht ontvangen van klaagster. Op
26 februari
2024 heeft hierover een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster, de gz-psycholoog
als bestuurder en
een medebestuurder. Daarin werd het volgende afgesproken:
- klaagster zou de feitelijke onjuistheden in de eindrapportage van 18 januari 2024
benoemen en
- haar eigen zienswijze aanleveren welke een aanhangsel van het rapport zou worden;
- de bestuurders zouden de gespreksopname van het gesprek op 28 november 2023 beluisteren
en feedback geven op de opstelling van klaagster tijdens dit gesprek.
3.15 Op 27 februari 2024 heeft de partner van klaagster aan de gz-psycholoog en medebestuurder
de
opname van het gesprek op 28 november 2023 toegestuurd met de mededeling dat, samengevat,
conform
het advies van hun raadsman de feedback op de opname wordt afgewacht alvorens klaagster
haar
aandeel in de afspraken zal nakomen.
3.16 Op 4 maart 2024 heeft de gz-psycholoog hierop in een e-mail aan klaagster en
haar partner als
volgt gereageerd:
“De eventuele feitelijke onjuistheden in het eindverslag zullen niet kunnen worden
afgeleid uit het
gesprek van 28 november.
Evenmin zal uit dit gesprek jullie visie kunnen worden afgeleid.
Wij zouden dus graag, zoals afgesproken, willen weten welke feiten onjuist zijn
weergegeven – die
moeten dan worden gecorrigeerd – en wat jullie visie is met betrekking tot het gestelde
in het
eindverslag. Daarbij moet worden meegenomen dat het eindverslag is gebaseerd op
het gehele traject,
inclusief startgesprek en tussenevaluatie.
We kunnen dan, zoals besproken, jullie klacht behandelen met informatie uit deze
drie bronnen.”
3.17 Klaagster heeft hierop dezelfde dag als volgt geantwoord:
“Zoals besproken tijdens ons gesprek zouden jullie het gesprek van 28 november na
luisteren en
hierbij luisteren of dit echt allemaal zo naar en vervelend is geweest als eerder
is aangegeven.
Ook is hierover samenspraak geweest met onze raadsman. Deze gaf aan eerst jullie
reactie op het
gesprek af te wachten, die we nu dus nog steeds niet hebben.
De daarom feitelijke onjuistheden staan hier ten eerste al los van.
En om deze wel te toetsen gaan jullie dan ook alle opnames van de wel plaatsgevonden
sessies na
luisteren?
Waar door jullie allemaal is gezegd” het siert je dat je alles nog samen wil doen
maar dat wil
vader niet meer” en op papier wordt gezet dat ik vader probeer te disqualificeren.
Graag vernemen
wij spoedig van jullie.”
3.18 Vervolgens heeft klaagster op 13 maart 2024 als volgt bericht:
“Op 4 maart ontvingen wij een email van jullie, anders dan was afgesproken in ons
persoonlijk
gesprek.
Hierop hebben wij gereageerd, waarna er nu een complete radio stilte volgt.
Graag zie ik jullie reactie naar aanleiding van onze email van 4 maart en conforme
afspraak naar
aanleiding van de opname tegemoet.
Ik heb jullie expliciet gevraagd of jullie, jullie bevindingen naar aanleiding van
de opname met
mij wilde delen.
En ik jullie daarna mijn toevoeging op de eind rapportage zou sturen.
Op 27 februari hebben wij dit ook naar jullie gecommuniceerd na overleg met onze raadsman,
zoals we
ook hebben aan gegeven tijdens ons gesprek op 26 februari. Hierop is ook geen reactie
gekomen
waaruit zou blijken dat dit anders zou moeten.
Graag zou ik dus alsnog jullie reactie op het gesprek met [de systeemtherapeut] tegemoet zien.“
3.19 Op 20 maart 2024 heeft de medebestuurder klaagster en haar partner een brief
gestuurd waarin
wordt geconcludeerd:
“Onze slotconclusie is dat de aan [de instelling] gegeven opdracht (…) niet haalbaar
is gebleken.
Om die reden is de opdracht teruggegeven (…)
Ik vertrouw erop jullie hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Wij beschouwen
hiermee de
klachtafhandeling als voltooid.”
3.20 Op 9 april 2024 heeft klaagster aan de instelling als volgt bericht:
“(…) Dus ik ga ervanuit dat jullie alsnog onze klacht serieus in behandeling nemen,
maar dan
ditmaal wel bij een ONAFHANKELIJKE commissie zoals [de systeemtherapeut] heeft uitgelegd
dat er zou
zijn (…)”.
In reactie hierop werd klaagster op 12 april 2024 per e-mail door de medebestuurder
verwezen naar
de website van de instelling. Daarop stuurde klaagster op 6 mei 2024 een e- mail
waarin zij vraagt
naar de contactgegevens van een onafhankelijke klachtencommissie. Dit heeft zij
op 22 mei 2024
herhaald. In reactie hierop berichtte de medebestuurder haar op 24 mei 2024 dat
de instelling is
aangesloten bij het Klachtenportaal Zorg. Klaagster liet de bestuurders daarop per
e-mail weten
contact te hebben gehad met het Klachtenportaal Zorg, maar dat deze had aangegeven
haar niet te
kunnen helpen omdat de instelling een dag eerder pas klant was geworden. Klaagster
verzocht
nogmaals om de gegevens van de klachtencommissie.
3.21 Op 24 mei 2024 berichtte de medebestuurder:
“Spijtig dat klachtenportaal niets kan betekenen voor u. Het enigste alternatief
is dan dat U zich
met uw klacht meldt bij de gemeente die uiteindelijk formeel de opdrachtgever is.
Deze route stond
sowieso open.”
4. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
4.1 Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat:
1. hij op onheuse wijze met haar en haar partner heeft gecommuniceerd;
2. de inhoud van de eindrapportage van januari 2024 niet overeenkomt met hetgeen
daadwerkelijk is
besproken;
3. haar dochter onjuist is behandeld en de behandeling ten onrechte is stopgezet;
4. hij werkzaam was bij een instelling die niet was aangesloten bij een onafhankelijke
klachtencommissie.
4.2 De gz-psycholoog heeft het college verzocht de klacht in de eerste drie onderdelen
ongegrond
te verklaren. Wat betreft het vierde klachtonderdeel heeft de gz-psycholoog in zijn
verweer erkend
dat de instelling destijds niet was aangesloten bij een onafhankelijke klachtencommissie.
Op 29
oktober 2024 is de gz-psycholoog teruggekomen op deze erkenning omdat uit een recent
persbericht
met betrekking tot de klachtenregeling zou blijken dat de instelling niet in verzuim
is geweest bij
het inrichten van de klachtenregeling.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5.De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van hem verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij
de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere
professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel 1) op onheuse wijze gecommuniceerd en 2) onjuiste weergave gesprek
in
eindrapportage
5.2 Deze klachtonderdelen worden gezien hun onderlinge samenhang gezamenlijk besproken.
Ter zitting heeft de gemachtigde van klaagster duidelijk gemaakt dat deze klachtonderdelen
zien op
het feit dat het aan het adres van klaagster gemaakte compliment ‘dat het haar sierde
dat zij alles
nog in samenwerking met haar ex-partner wilde doen’, niet in de stukken terug te
vinden is, terwijl
in de eindrapportage wel is opgenomen dat zij haar ex-partner wilde diskwalificeren.
Daarom komt,
volgens klaagster, hetgeen mondeling werd besproken niet overeen met hetgeen uiteindelijk
werd
gerapporteerd. Ook voelde klaagster zich niet serieus genomen door de gz-psycholoog.
De
gz-psycholoog betwist dat hij op onheuse wijze heeft gecommuniceerd. Voor zover
het verwijt de
zinsnede in het eindverslag “vanuit een kennelijke behoefte om de vader te diskwalificeren”
betreft, heeft de gz-psycholoog aangevoerd dat die zinssnede ziet op de gedurende
de behandeling
herhaaldelijk geuite kritiek van klaagster op het ouderschap van de vader. Omdat
dit mede heeft
geleid tot het teruggeven van de opdracht aan JBB was het relevant om dit in het
eindverslag op te
nemen.
5.3 Het college kan niet vaststellen of genoemde zinsnede een (on)juiste weergave
is van hetgeen
klaagster gedurende de behandeling naar voren heeft gebracht. Uit de stukken blijkt
wel dat de
gespannen situatie tussen de ouders en hoe zij zich jegens elkaar dienen te verhouden,
het punt van
aandacht was tijdens de behandeling. Klaagster betwist ook niet dat zij kritiek
op de vader heeft
geuit, maar mist in de verslaglegging dat haar in de verhouding tot de vader ook
een compliment is
gemaakt. Dit kan niet tot een gegrondheid van de klacht leiden. Wat wel of niet
in een verslag
wordt opgenomen, is aan de professional. Het feit dat klaagster in de verhouding
tot de vader een
compliment is gemaakt, staat volgens het college ook niet per definitie op gespannen
voet met meergenoemde
zinsnede. Klaagster heeft de klachtonderdelen overigens niet onderbouwd. Evenmin
heeft zij
duidelijk gemaakt waarom zij zich door de gz-psycholoog niet serieus genomen voelde.
De
klachtonderdelen 1 en 2 zijn daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 3) onjuiste behandeling dochter en ten onrechte stopzetten behandeling
5.4 Het college stelt het volgende voorop. Een behandelaar mag de behandelrelatie
zonder
instemming van de client beëindigen als hij hiervoor een gewichtige reden heeft.
Van de behandelaar
mag worden verwacht dat hij zich heeft ingespannen om met de cliënt overeenstemming
te bereiken
over de beëindiging. Daarbij is het van belang dat de beëindiging een logisch vervolg
is op
evaluaties en afspraken die daarbij zijn gemaakt. Een opzegging mag voor de cliënt
niet als een
verrassing komen.
5.5 Hoewel volgens de gz-psycholoog klaagster ‘op deze mogelijkheid van stopzetting’
is gewezen‘,
heeft klaagster, zo is gebleken, de beëindiging van de behandelrelatie niet zien
aankomen. In
hoeverre dit reëel is, laat zich moeilijk vaststellen. Wel stelt het college vast
dat de – in het
kielzog van de beëindiging van de systeemtherapie – abrupte beëindiging van de speltherapie
voor de
dochter zich niet verdraagt met de kort daarvoor in de tussenevaluatie getrokken
conclusie dat
voortzetting van de speltherapie behandeling voor de dochter noodzakelijk is. Uit
niets blijkt dat
de gevolgen die de stopzetting van de speltherapie voor de dochter zou hebben, punt
van aandacht is
geweest. Alternatieven of een verwijzing lijken niet te zijn overwogen, noch is
gebleken van enige
ruggespraak met JBB. Daarbij heeft de gz-psycholoog, als regiebehandelaar, nagelaten
zelf contact
op te nemen met klaagster of eventueel een kadergesprek te voeren en heeft hij ten
onterechte niet
gefaciliteerd dat de dochter in elk geval op een goede manier afscheid kon nemen
van de
speltherapie. Daarmee is de gz-psycholoog in zijn zorgplicht voor de dochter tekortgeschoten.
Klachtonderdeel 3 is daarom gegrond.
Klachtonderdeel 4) werkzaam bij een instelling die niet was aangesloten bij een onafhankelijke
klachtencommissie
5.6 Ook klachtonderdeel 4 is gegrond. Onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg (Wkkgz)
en de Jeugdwet is de zorgaanbieder verplicht om een klachtenregeling beschikbaar
te hebben, die
tevens bekend moet worden gemaakt bij cliënten. Gebleken is dat de instelling ten
tijde van het
handelen van de gz-psycholoog niet was aangesloten bij een onafhankelijke commissie.
Daaraan doet
niet af dat, zoals de gz-psycholoog betoogt, de klachtenregeling in overeenstemming
was met hetgeen
de gemeente hierover heeft gepubliceerd, nu dit in de gegeven situatie kennelijk
niet heeft gewerkt
omdat de instelling zelf verantwoordelijk bleek te zijn voor de aansluiting bij
de
klachtencommissie daar dit niet meer vanuit de gemeente werd gefinancierd. Omdat
de gz-psycholoog
medebestuurder is van de instelling, was hij medeverantwoordelijk voor het op dat
moment ontbreken
van een toereikende klachtenregeling.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat dat klachtonderdelen 3 en 4 gegrond
zijn en de andere
klachtonderdelen ongegrond.
Maatregel
5.8 Gezien de gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht moet beoordeeld worden
welke
maatregel passend is. Het college neemt daarbij in aanmerking dat aan de gz- psycholoog
meerdere
tuchtrechtelijke verwijten te maken zijn. Hij is onvoldoende zorgvuldig geweest
wat betreft het
beëindigen van de behandeling van de dochter en hierbij tekortgeschoten in zijn
rol van
regiebehandelaar, waarin hij juist de verantwoordelijkheid zou moeten dragen voor
de continuïteit
van zorg die wordt verleend aan cliënten. Ter zitting is niet gebleken dat de gz-psycholoog
zich
bewust is van de verantwoordelijkheden die deze rol met zich brengt. Ook is de gz-psycholoog
tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheid op het gebied van het faciliteren van
een
onafhankelijke klachtencommissie. Dit alles leidt ertoe dat het college het opleggen
van een
berisping aan de gz-psycholoog passend acht.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 3 en 4 gegrond;
- legt de gz-psycholoog de maatregel op van berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door I.M.E.A. van Eldonk, voorzitter, C.M.H.M. van Lent,
lid-jurist, Ch.
Oele, M.J.E. Lemmens en A.T. Prinsen-Reinders leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M. Karatepe, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 12 november 2025.