ECLI:NL:TGZRSHE:2025:123 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7805

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:123
Datum uitspraak: 12-11-2025
Datum publicatie: 12-11-2025
Zaaknummer(s): H2024/7805
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen gz-psycholoog die een intakegesprek heeft gevoerd met klager. Gz-psycholoog wordt verweten dat zij een verkeerde diagnose heeft gesteld en onvoldoende sessies heeft gehouden om tot een gefundeerde diagnose te komen voor de traumatische ervaringen van klager. College oordeelt dat de gz-psycholoog tijdens intake voldoende informatie heeft vergaard om tot een goede conclusie te komen en dat meerdere sessies niet waren vereist. Kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 12 november 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klager,

tegen

[C],
gz-psycholoog,
destijds werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: gz-psycholoog,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam in Utrecht.


1. De zaak in het kort
1.1 Klager heeft een intakegesprek gehad bij de gz-psycholoog en is van mening dat zij een
verkeerde diagnose heeft gesteld en ten onrechte heeft aangegeven dat de ervaringen van klager heel
normaal zouden zijn na het doorgemaakte trauma. Ook zou zij ten onrechte tot de conclusie zijn
gekomen dat klager geen traumabehandeling zou behoeven en onvoldoende sessies hebben gehouden om
tot een juiste diagnose te kunnen komen.

1.2 De gz-psycholoog is van mening dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is
gekomen.

2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 12 november 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 3 januari 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 30 april 2025;
- de aanvullende stukken, ontvangen van klager per e-mail op 14 mei 2025 en per post op
15 mei 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager heeft op 2 september 2024, na verwijzing door zijn huisarts, een intakegesprek gehad
met de gz-psycholoog.

3.2 De hulpvraag van klager was dat hij wat meer rust wilde ervaren in de schuldvraag en minder
vermoeidheid wilde ervaren na een verkeersongeluk op 7 juni 2024, waarbij twee van zijn kinderen
door een scooter werden geschept.
3.3 De gz-psycholoog noteerde in het intakeverslag als volgt (alle citaten voor zover van belang
en letterlijk weergegeven):

“Hulpvraag: Wil wat meer rust ervaren In de schuldvraag en minder vermoeidheid ervaren
Hulpverleningsgeschiedenis: Blanco
Klachten:
Sinds ongeluk 7 juni gaat het minder goed met hem
-Heel moe, kleine dingen kosten hem veel Energy
-wisselende concentratie
-prikkelbaarheid; dit neemt al wat af
-genieten lukt nog niet, voelt zich bezet door van alles wat er moet gebeuren n.a.v. Het ongeluk
-in het begin heel erg alert, Dat is nu niet meer zo
-zware benen slapen gaat wel goed
-niet somber
-geen herbeleving/nachtmerries
-piekert wel veel over het ongeluk, de schuldvraag, dit maakt hem ook wel machteloos en
verdrietig/boos (wil zijn recht halen).
-Rijdt wel minder op de fiets sinds het ongeluk (…)
Beschrijvende diagnose:
Een 53-jarige man, die als gevolg van een fietsongeluk waarbij zijn beide kinderen gewond zijn
geraakt, psychische klachten heeft ontwikkeld. Bij het ongeluk werden twee van zijn kinderen (12 en
8 jaar oud) door een scooter geschept, hijzelf kon nog net op tijd uitwijken. Beide kinderen
belandden hierna in het ziekenhuis, zoon zelfs op de IC. Operaties en revalidatie volgden. Dit
alles was een zeer heftige tijd voor cliente en zijn partner. Met dochter gaat het inmiddels een
stuk beter, zoon zit nog in een revalidatietraject. Client moet zich daarnaast bezig houden met de
letselschadezaak naar aanleiding van het ongeluk. Hij is sinds de aanrijding ziekgemeld van zijn
werk als IT-projectmanager. In de huidige intake rapporteert hij vermoeidheid, een wisselende concentratie, moeite met genieten en ontspannen en piekeren over het ongeluk (met name de schuldvraag). In de voorgeschiedenis speelt dat client tussen zijn 6e en zijn 11e op een kostschool in Marokko gezeten heeft terwijl zijn ouders in
Nederland woonden. Dit was een heel zware tijd voor hem, met name door de druk op prestatie, de
lijfstraffen en het gebrek aan warmte en geborgenheid. Hij zegt hier geen klachten aan overgehouden
te hebben maar geeft aan dat het zijn persoonlijkheid wel gevormd heeft. De persoonlijke stijl
neigt (mogelijk hierdoor) meer naar hoge eisen stellen aan zichzelf en emoties wegdrukken dan naar
in contact staan met zijn gevoel. Er is geen sprake van een DSM-diagnose, zijn psychische klachten
zijn logisch te verklaren vanuit zijn ervaringen en de stress die dit opgeleverd heeft (niet-
pathologisch).
(…)
Afspraken na intake / beleid:
Client wordt terugverwezen naar de huisarts met het advies begeleiding op te starten bij de
praktijkondersteuner (POH-GGZ). Zijn klachten zijn passend bij het beeld dat ontstaat na de heftige
periode waar hij en zijn gezin doorheen gegaan zijn en die nog steeds voortduurt (letselschadezaak,
revalidatietraject zoon). Er is geen sprake van een psychische stoornis in engere zin, waarvoor
behandeling door een psycholoog in de GGZ aangewezen is.
(…)
Methodiek / Plan van aanpak om doelen te bereiken:
E-health, ondersteunende gesprekken, mindfulness”.

3.4 Op 2 september 2024 heeft de gz-psycholoog haar bevindingen opgenomen in een brief en
toegestuurd aan de huisarts van klager, waarin zij de beschrijvende diagnose en de afspraken na
intake/beleid heeft opgenomen.

4. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
4.1 Volgens klager heeft de gz-psycholoog onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:
a. een verkeerde diagnose heeft gesteld door aan te geven dat de ervaringen van klager na het
trauma normaal waren en geen traumabehandeling behoeven;
b. onvoldoende sessies heeft gehouden om tot een gefundeerde diagnose te komen voor de traumatische
ervaringen van klager.

4.2 De gz-psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de gz-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de gz-psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) verkeerde diagnose gesteld door aan te geven dat de ervaringen van klager na het
trauma normaal waren en geen traumabehandeling behoeven en
b) onvoldoende sessies gehouden om tot een gefundeerde diagnose te komen voor de traumatische
ervaringen van klager.
5.2 Het college oordeelt dat de gz-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en
dat beide klachtonderdelen ongegrond zijn. Vanwege samenhang zullen de twee klachtonderdelen
hieronder gezamenlijk worden besproken.

5.3 De doelstelling van een intakegesprek is het beoordelen van de hulpvraag en dit heeft de
gz-psycholoog op een juiste manier gedaan. De gz-psycholoog heeft tijdens het intakegesprek
voldoende informatie verkregen van klager om tot het oordeel te kunnen komen dat de klachten van
klager, zijnde vermoeidheid, wisselende concentratie, moeite met genieten en ontspannen en piekeren
over het ongeluk, werden veroorzaakt door het ongeval en niet per definitie duiden op de
aanwezigheid van PTSS. Het college volgt verweerster daarom in haar conclusie dat behandeling in de
tweede lijn, gezien de klachten die verklaard konden worden door het ongeval en niet per definitie
gerelateerd lijken te zijn aan ervaringen van klager uit het verleden, niet was geïndiceerd. Het
advies om de behandeling verder te laten verlopen middels e-health, ondersteunende gesprekken en
mindfulness was een passende en toereikende terugkoppeling naar aanleiding van de hulpvraag van
klager, welke inhield dat klager meer rust wilde ervaren in de schuldvraag en minder vermoeidheid
na het ongeluk.

5.4 Het college volgt klager ook niet in zijn stelling dat er meer sessies nodig waren om tot een
juiste diagnose te komen. De gz-psycholoog heeft blijkens het intakeverslag en de inhoud van de
brief aan de huisarts voldoende informatie gehad van klager om gerechtvaardigd tot haar conclusie
te komen dat de klachten van klager te koppelen waren aan het ongeluk en de nasleep daarvan.

Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond
zijn.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 12 november 2025 door I.M.E.A. van Eldonk, voorzitter, A.T.
Prinsen-Reinders en Ch. Oele, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Karatepe,
secretaris.