ECLI:NL:TGZRSHE:2025:121 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8311

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:121
Datum uitspraak: 05-11-2025
Datum publicatie: 05-11-2025
Zaaknummer(s): H2025/8311
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, doorhaling inschrijving register
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht van de inspectie over een verpleegkundige. De verpleegkundige heeft in privétijd een ernstig beperkte vrouw meermaals seksueel misbruikt. De verpleegkundige is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Dit handelen is zo zeer in strijd met wat van een verpleegkundige mag worden verwacht dat de verpleegkundige de zwaarste maatregel wordt opgelegd. Onvoldoende reflectie en zelfinzicht gebleken. De door het NFI ingeschatte lage recidivekans geeft het college geen vertrouwen dat de verpleegkundige in de functie van verpleegkundige ook een lage recidivekans zou hebben. Maatregel: doorhaling, schorsing en algeheel beroepsverbod.


Beslissing van 5 november 2025 op de klacht van:

INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd in Utrecht,
klaagster,
in de personen van drs. P.W.J.M. Lammers, coördinerend/specialistisch inspecteur,
en mr. L.J.M. Franssen en mr. L. Antonides, senior juridisch adviseurs,

tegen

[A],
verpleegkundige,
destijds werkzaam in [C],
verweerder, hierna ook: (de) verpleegkundige.

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft een melding ontvangen van de politie dat de verpleegkundige en een derde
werden verdacht van seksueel misbruik van een meervoudig beperkte vrouw van 71 jaar (hierna: het
slachtoffer). De verpleegkundige is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Klaagster heeft onderzoek
gedaan naar de verpleegkundige. Klaagster is tot de conclusie gekomen dat de verpleegkundige zich
ernstig seksueel grensoverschrijdend heeft gedragen. De handelingen hebben plaatsgevonden in de
privésfeer. Klaagster is daarom van mening dat de tweede tuchtnorm van toepassing is. Klaagster
heeft het college verzocht om de verpleegkundige de zwaarste maatregel op te leggen met een
algeheel verbod tot het uitoefenen van enig beroep in de individuele gezondheidszorg.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en dat de zwaarste maatregel moet
worden opgelegd.

2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift, ontvangen op 26 maart 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 23 april 2025.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.

2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 12 september 2025. Klaagster is verschenen.
De verpleegkundige was afwezig zonder bericht van verhindering. Hij was voor de zitting behoorlijk
opgeroepen. Klaagster heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het college overhandigd.

3. De feiten
3.1 De verpleegkundige is op 28 juni 2022 geregistreerd in het register op basis van de Wet op de
Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (hierna: Wet BIG).

3.2 Op 23 augustus 2022 ontving klaagster een melding van de politie dat de verpleegkundige, die
werkzaam was in de zorg, werd verdacht van seksueel misbruik van het slachtoffer. Klaagster is
vervolgens een eigen onderzoek gestart naar het handelen van de verpleegkundige. Klaagster kwam tot
de vaststelling dat de verpleegkundige ervan werd verdacht het slachtoffer twee keer een erotische
massage te hebben gegeven en daarbij – samen met een derde, de broer van het slachtoffer –
ontuchtige handelingen te hebben gepleegd. Dit zou zijn gebeurd op 17 mei 2022 en op 26 juli 2022.
De handelingen werden uitgevoerd in de privésfeer. Verweerder werd hiervoor ook strafrechtelijk
vervolgd.

3.3 Op 3 april 2023 is de verpleegkundige onderzocht door een GZ-psycholoog in verband met het
opmaken van een Pro-Justitia rapport. De GZ-psycholoog heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzing
was voor psychiatrische stoornis, een persoonlijkheidsstoornis of een verstandelijke of
psychiatrische aandoening bij de verpleegkundige. Ook was er geen aanwijzing voor problematisch
middelengebruik, een seksuele stoornis of parafilie of ongewone seksuele interesse. Ook was er geen
indicatie voor een behandeling voor de verpleegkundige in een forensisch kader. De recidivekans
werd laag geschat.

3.4 Bij vonnis van 18 januari 2024 is de verpleegkundige door de rechtbank veroordeeld tot een
gevangenisstraf van drie jaar wegens het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer, die
niet of onvolkomen in staat was daartegen weerstand te bieden. De verpleegkundige werd veroordeeld
voor onder andere het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer op 26 juli 2022 en
voor het op 17 mei 2022 plegen van ontuchtige handelingen met iemand die niet of onvolkomen in
staat was om daartegen weerstand te bieden. Klaagster heeft haar klacht gebaseerd op hetgeen in het
vonnis van de rechtbank bewezen is verklaard. Klaagster heeft geconcludeerd dat de verpleegkundige
heeft gehandeld in strijd met artikel 47, eerste lid onder b van de wet BIG. Klaagster heeft
aangegeven zich te realiseren dat een gedeelte van het klachtwaardig handelen heeft plaatsgevonden
voordat de verpleegkundige BIG-geregistreerd was. Zij acht de gebeurtenissen voorafgaand aan de
BIG-registratie niettemin belangrijk.

3.5 Sinds 13 februari 2024 is de verpleegkundige gedetineerd.

4. De klacht en de reactie van de verweerder
4.1 De verpleegkundige wordt verweten dat hij de professionele grenzen in ernstige mate heeft
overschreden door ontuchtige handelingen te plegen en seksueel binnen te dringen bij een ernstig
meervoudig beperkte vrouw. De verpleegkundige heeft met zijn handelen gehandeld in strijd met
artikel 47, eerste lid onder b van de Wet BIG en in strijd met artikelen 4.1 en 4.7 van de
Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden (hierna: de beroepscode).

4.2 De verpleegkundige heeft toegegeven dat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Volgens de
verpleegkundige is er inmiddels sprake van zelfinzicht en reflectievermogen. Hij heeft gedurende de
detentie aan zichzelf gewerkt. Verweerder verzoekt het college hem een tweede kans te geven.

4.3 Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welk criterium geldt bij de beoordeling?
5.1 In deze zaak gaat het niet om het tekortschieten van de verpleegkundige in zijn beroepsmatig
handelen ten opzichte van een patiënt, maar om gedragingen die in de privésfeer hebben
plaatsgevonden. Ook deze handelingen kunnen door het college tuchtrechtelijk worden getoetst als
deze een gevaar voor patiënten kunnen opleveren of het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig
kunnen schaden. Het college moet beoordelen of die gedragingen in strijd zijn met hetgeen een
behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.

De beoordeling
5.2 De verpleegkundige heeft erkend dat hij het zedenmisdrijf heeft gepleegd en hij is daarvoor
strafrechtelijk veroordeeld. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. Daarmee staat vast dat de
verpleegkundige kan worden verweten dat hij seksuele handelingen heeft verricht met een zeer
kwetsbaar, meervoudig gehandicapt slachtoffer. Het college is van oordeel dat, hoewel het handelen
in de privésfeer heeft plaatsgevonden, de verpleegkundige daarmee ook in strijd heeft gehandeld met
hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Het handelen is op geen enkele manier verenigbaar
met de zorgplicht die hij als zorgprofessional heeft. Door niet als een goed hulpverlener te
handelen, heeft hij belangrijke normen geschonden en het vertrouwen van de samenleving in de
beroepsgroep in het algemeen geschaad. Het vertrouwen dat de samenleving, patiënten en anderen die
zorg behoeven, in een zorgprofessional mag stellen, wordt door dit handelen aangetast. Het begaan
van een zedenmisdrijf met een ernstig meervoudig beperkte en daarmee zeer kwetsbare vrouw raakt het
beroep van verpleegkundige in de kern. Aan de verpleegkundige was in zijn werk ook de zorg voor
(kwetsbare) patiënten toevertrouwd. In een dergelijke afhankelijke positie moeten patiënten erop
kunnen vertrouwen dat de verpleegkundige integer handelt. De verpleegkundige heeft daarbij de
gezondheid en het welzijn van kwetsbare mensen voor ogen te houden.

Slotsom
5.3 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de verpleegkundige op grond van de tweede tuchtnorm
kan worden aangesproken en dat de klacht gegrond is.

Maatregel
5.4 Volgens vaste jurisprudentie van de tuchtcolleges is in zaken waarin seksueel
grensoverschrijdend gedrag vaststaat, de maatregel van een (on)voorwaardelijke schorsing het
uitgangspunt.

5.5 Zoals hiervoor reeds is overwogen, is sprake van zeer ernstig seksueel grensoverschrijdend
gedrag. Hoewel de eerste keer, op 17 mei 2022, de verpleegkundige niet BIG-geregistreerd was en hij
daarom strikt genomen voor het handelen op die datum niet tuchtrechtelijk kan worden aangesproken,
neemt het college bij de vaststelling van de maatregel de gebeurtenissen op die datum wel mee. Het
college stelt vast dat de verpleegkundige voorafgaand aan die verwijtbare handelingen meermaals
contact heeft gehad met de broer van het slachtoffer en herhaaldelijk met hem heeft gefantaseerd
over hoe de erotische massage van het slachtoffer eruit zou komen te zien en welke seksuele
handelingen daarbij zouden worden verricht. De verpleegkundige heeft zich op verschillende momenten
afgevraagd of het slachtoffer het wel prettig vond, maar dat heeft hem er niet van weerhouden om
met de broer af te spreken en om seksuele handelingen te verrichten. De tweede keer was er ook
sprake van het seksueel binnendringen van het lichaam. Het college acht dit handelen zozeer in
strijd met hetgeen van een verpleegkundige mag worden verwacht dat enkel een doorhaling een
passende maatregel is.

Reflectievermogen van de verpleegkundige
5.6 Hoewel de verpleegkundige heeft aangevoerd dat hij tijdens detentie aan zichzelf heeft
gewerkt terwijl hem geen verplichting daartoe was opgelegd, heeft het college daarover de nodige
twijfels. Weliswaar heeft de verpleegkundige een cursus ‘spreken over slachtoffers’ gevolgd en een
excuus/berouwbrief laten bezorgen bij het slachtoffer en haar familie, maar daarmee blijkt nog niet
van het vereiste inzicht in het laakbare van zijn handelen. Dat de verpleegkundige wekelijks de
psycholoog en regelmatig de geestelijk verzorger bezoekt, laat onverlet dat het college niet kan
vaststellen wat de bevindingen van de psycholoog zijn en of de verpleegkundige daadwerkelijk besef
heeft van de ernst van zijn handelen. De verpleegkundige heeft ervoor gekozen om niet aanwezig te
zijn op de zitting, zodat het college hem niet nader heeft kunnen bevragen omtrent onder meer zijn
reflectie en zelfinzicht. Ook uit het door de verpleegkundige gevoerde verweer blijkt niet dat de
verpleegkundige zichzelf de vraag heeft gesteld hoe hij tot het verweten handelen is gekomen en hoe
hij kan voorkomen weer in een dergelijke situatie te geraken. Juist dat mag van een zorgverlener
worden verwacht. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat de verpleegkundige de noodzaak of
behoefte heeft gevoeld om zijn drijfveren (onder professionele begeleiding) te onderzoeken. Het
college heeft daarom geen vertrouwen in een toekomst voor de verpleegkundige in zijn hoedanigheid
van verpleegkundige. Ook lijkt de verpleegkundige geen enkel oog te hebben voor de schade die hij
door zijn handelen heeft toegebracht aan het slachtoffer in het bijzonder en aan de beroepsgroep in het algemeen. Tijdens een eerste gesprek met de inspectie verklaarde de verpleegkundige onder meer er te zijn
‘ingestonken’ en ’te goed gelovig te zijn geweest’. Over de motieven en over de drijfveren achter
het handelen heeft de verpleegkundige niet anders toegelicht dan dat hij handelde uit ‘verveling’.
Gelet op al deze constateringen en het ontbreken van een toelichting van de verpleegkundige is de
doorhaling naar het oordeel van het college de enige passende maatregel.

Recidivekans
5.7 Het college overweegt dat de GZ-psycholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna:
NFI) heeft vastgesteld dat de kans op recidive op een zedendelict laag was. Dit neemt de zorgen van
het college niet weg. Een onderzoek bij het NFI richt zich vooral op de vraag of sprake is van een
stoornis. Het feit dat geen stoornis kon worden vastgesteld, maakt het mogelijk in strafrechtelijke
zin aannemelijk dat het recidiverisico laag is, maar dat laat onverlet dat de verpleegkundige ook
niet heeft kunnen verklaren waarom hij tot zijn daad is gekomen. Zorgverlening vereist doorgaans
één op één contact met (kwetsbare) cliënten. De zorgvrager verkeert altijd in een afhankelijke
positie ten opzichte van de zorgverlener omdat deze de zorg van de zorgverlener nodig heeft. Gelet
op deze afhankelijke positie moeten (kwetsbare) patiënten er altijd volledig op kunnen vertrouwen
dat een zorgverlener integer handelt, betrouwbaar is en de belangen van de persoon in kwestie niet
schaadt. Nu de verpleegkundige niet heeft uitgelegd waar zijn gedrag vandaan kwam en geen reden
ziet om professionele hulp te zoeken om herhaling te voorkomen, acht het college de kans op
herhaling van deze verpleegkundige - in de functie van verpleegkundige - aanzienlijk.

5.8 Het college acht het niet uitgesloten dat de verpleegkundige in de toekomst weer in de
zorgverlening werkzaam zal kunnen zijn, ook als hij niet BIG-geregistreerd is. Klaagster heeft
daarom verzocht om aan verweerder verdergaande beperkingen op te leggen met betrekking tot het
beroepsmatig handelen op het gebied van de individuele gezondheidszorg, het algeheel beroepsverbod.
Het college is van oordeel, gelet op het vorenoverwogene, dat aan de verpleegkundige een algeheel
verbod moet worden opgelegd, zoals hierna overwogen.

Opgelegde maatregel
5.9 Ingevolge artikel 48 lid 1, onder f, in samenhang met artikel 48, lid 2 Wet BIG kan het
college bij het opleggen van de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register aan de
beroepsbeoefenaar beperkingen opleggen met betrekking tot het beroepsmatig handelen op het gebied
van de individuele gezondheidszorg, indien gedragingen van de beroepsbeoefenaar een gevaar kunnen
opleveren voor de veiligheid van personen. Het college stelt vast dat sprake is geweest van
meermaals ernstig (seksueel) grensoverschrijdend gedrag bij een zeer kwetsbaar slachtoffer. Daarbij
is eveneens in aanmerking genomen dat niet is gebleken van voldoende zelfreflectie en evenmin is
gebleken van een lerend vermogen. Dit levert naar het oordeel van het college een risico op voor de veiligheid van (kwetsbare) patiënten, als de verpleegkundige in de zorg werkzaam is in een andere functie dan verpleegkundige. Het college noemt de mogelijkheid dat de verpleegkundige als verzorgende zou kunnen gaan werken. Het college zal op basis van artikel 48 lid 2 Wet BIG de verpleegkundige naast de doorhaling ook een algeheel beroepsverbod opleggen.

5.10 Gelet op al het voorgaande zal aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling worden
opgelegd. Daarnaast zal bij wijze van voorlopige maatregel worden bepaald dat de verpleegkundige
wordt geschorst in zijn bevoegdheid om de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te
oefenen, een en ander zoals bepaald in artikel 48 lid 9, in verbinding met artikel 48 lid 1 aanhef
en onder d Wet BIG.

Publicatie
5.11 In het algemeen belang zal deze beslissing zonder vermelding van namen of andere herleidbare
gegevens worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk
iets kunnen leren van deze zaak. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of
andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- bepaalt dat de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register wordt doorgehaald, dan
wel ontzegt de verpleegkundige, voor het geval hij op het moment van onherroepelijk worden van deze
beslissing niet is ingeschreven in het BIG-register, het recht om weer in dit register te worden
ingeschreven;
- bepaalt dat de verpleegkundige geen werkzaamheden mag verrichten in de zorg die zien op de
verzorging van patiënten. Zorgverlening betreft zorg in de ruimste zin van het woord;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 48 lid 9 wet BIG terstond
de bevoegdheid van de verpleegkundige om de aan die inschrijving verbonden bevoegdheid uit te
oefenen;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter
publicatie zal worden aangeboden aan ‘Nursing’ en ‘Medisch Contact’.


Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
H.J.C. Smink, lid-jurist, M. IJzerman, A. Petiet en G.J.T. Kooiman leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025.