ECLI:NL:TGZRSHE:2025:116 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8125
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:116 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-10-2025 |
| Datum publicatie: | 22-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8125 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing kennelijk ongegrond. Patiënte verwijt verweerster, neuroloog, dat verweerster bewust onjuistheden heeft vermeld in de verwijsbrief naar ziekenhuis B en dat verweerster de privacy van klaagster heeft geschonden door de medische gegevens van klaagster aan ziekenhuis B te sturen. Ook verwijt klaagster dat verweerster ziekenhuis B bij voorbaat heeft bedankt voor de overname van de behandeling. |
Voorzittersbeslissing van 22 oktober 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen:
[C],
neuroloog, werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. Samenvatting
1.1 Klaagster verwijt verweerster dat verweerster de privacy van klaagster heeft
geschonden omdat
verweerster de medische gegevens van klaagster aan het [E] heeft gestuurd bij de
verwijzing naar
het [E]. Ook verwijt klaagster verweerster dat verweerster in de verwijsbrief naar
het [E] bewust
onjuistheden zou hebben opgenomen.
1.2 De voorzitter oordeelt dat de beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.
'Kennelijk'
betekent dat het niet nodig is om vragen aan partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht de voorzitter dat toe.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende relevante stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 februari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 mei 2025;
- de brief met de bijlagen, ontvangen van klaagster op 7 augustus 2025;
- de brief van 7 augustus 2025 van de secretaris aan klaagster;
- de e-mail van 13 augustus 2025, ontvangen van klaagster;
- de brief van 18 augustus 2025 van de secretaris aan klaagster.
2.2 Klaagster en verweerster hebben de gelegenheid gekregen om samen met de secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan, dat heet het mondeling vooronderzoek. Daarvan
hebben zij
geen gebruik gemaakt. Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op
de standpunten van
partijen.
3. De feiten
3.1 Op 10 juni 2024 schreef klaagster aan verweerster het volgende (alle citaten
voor zover van
belang en letterlijk weergegeven):
“(…) Nu u het niet nodig vindt om (…) [het door klaagster gevraagde onderzoek],
zie ik mij
genoodzaakt een second opinion aan te vragen. Graag verneem ik van u voor welke
werkwijze u kiest
(…) [het door klaagster gevraagde onderzoek] of een second opinion. (…)”
3.2 Bij e-mail van 15 juni 2024 stelde klaagster verweerster onder andere aansprakelijk
voor de
gevolgen van het niet toepassen van een noodzakelijke medische behandeling.
3.3 Op of omstreeks 18 juni 2024 schreef verweerster aan klaagster in een ongedateerde
brief:
“(…) In goede orde ontving ik uw brief van 10 juni 2024, waaruit blijkt dat u het
niet eens bent
met mijn beleid. U geeft mij de keuze om óf (…) [het door klaagster gevraagde onderzoek]
óf een
second opinion aan te vragen. Vervolgens ontving ik op 15 juni 2024 een aansprakelijkstelling.
Second opinion
Ik heb u eerder naar (…) [een andere instelling, hierna: instelling B] verwezen
voor de
terugkerende [epilepsie] aanvallen. U hoeft dus geen second opinion meer aan te
vragen, dat is al
in gang gezet. Van (…) [instelling B] begrijp ik dat zij twee keer contact met u
hebben geprobeerd
op te nemen, maar dat u hier niet op reageert.
We hebben naar aanleiding van uw brief vorige week contact met (…) [instelling B]
opgenomen. Zij
zullen u een brief sturen waarin staat dat u contact op kan nemen met (…) [instelling
B] voor het
maken van een nieuwe afspraak.
Ik verzoek u dan ook dringend om (…) [instelling B] te bellen om een afspraak te
plannen. De
zorgvraag die er eerder was - aanhoudende epileptische aanvallen ondanks medicatie
- blijkt heden
nog steeds actueel. Hiervoor heb ik nog steeds de expertise van (…) [instelling
B] nodig. Na
onderzoek bij (…) [instelling B] wordt de behandeling waar nodig bijgesteld
Ik heb op 3 juni dan ook niet gezegd dat het niet nodig is om (…) [het door klaagster
gevraagde
onderzoek te verrichten]. U heeft toen alleen de poli secretaresse
gesproken. Zij hebben aangegeven dat u contact op moet nemen met (…) [instelling
B].
Mogelijke beëindiging behandelingsovereenkomst bij blijvend gebrek aan vertrouwen
Het afgelopen jaar heeft u een tuchtklacht tegen mij ingediend over mijn handelen,
en ook uit uw
brief van 10 juni 2024 blijkt dat u onvoldoende vertrouwen in mijn handelen als
dokter heeft.
Vervolgens ontvang ik op 15 juni 2024 ook nog een aansprakelijkstelling van u. U
volgt mijn advies
niet op en werkt niet mee aan de behandeling door u niet verder te laten onderzoeken
bij (…)
[instelling B]. Hierdoor kan ik u ook niet de meest optimale behandeling geven.
Ook merk ik dat er
bij mij een gebrek aan vertrouwen in de behandelrelatie bestaat, gezien alles wat
er het afgelopen jaar gebeurd
is. Ik wil het een laatste kans geven om te kijken of we het vertrouwen in elkaar
kunnen herstellen.
Als dit niet lukt, en u blijft twijfelen aan mijn behandelbeleid of niet meewerken
aan de
behandeling, dan zal ik de behandel overeenkomst met u opzeggen. Ik zal dan meewerken
aan de
overdracht naar een ander ziekenhuis. (…)”
3.4 Op 20 juni 2024 reageerde klaagster als volgt na de ontvangst van een afspraakbevestiging
van
de polikliniek van verweerster:
“(…) Tot mijn verbazing heeft u op 16 september 2024 een afspraak ingepland. Ik
wens van u te
vernemen met welk doel u deze afspraak heeft ingepland (…) aangezien u, tot op heden,
geen enkele
reactie heeft gegeven op mijn beleefd gestelde vragen en met het oog op een mogelijke
aansprakelijkstelling, heb ik besloten (…), voorzitter van de Raad van Bestuur [hierna:
ook (de)
RvB], in kopie mee te informeren. (…)”
3.5 Op 21 juni 2024 e-mailde klaagster aan verweerster:
“(…) U heeft mij een brief gestuurd zonder datum. Indien het uw bedoeling is deze
brief in te
brengen in een (rechterlijke) procedure, kan ik u melden dat dit niet mogelijk is.
In (rechterlijke) procedures is de datum van het in te brengen document cruciaal
om de termijn vast
te stellen waarbinnen de zaak behandeld moet worden. U kunt uw brief dus niet inbrengen
bij eender
welke (rechterlijke) organisatie. Ook kunt u genoemde acties niet uitvoeren. Dat
geldt ook voor de
organisatie(s) die u noemt in uw brief zonder datum (…)”
3.6 Op 24 juni 2024 e-mailde klaagster aan verweerster met in kopie aan onder andere
de RvB:
“(…) Via deze mail laat ik u weten dat ik vandaag over u een klacht heb ingediend
bij
het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg ’s-Hertogenbosch De klacht gaat
over:
- het weigeren van het verlenen van een medische behandeling, die ik gezien de
ernst van de
situatie dringend nodig heb
- het niet nemen van uw verantwoordelijkheid als arts (…)”
3.7 Op 26 juni 2024 heeft klaagster aan de polikliniek van verweerster gemaild:
“(…) In het kader van een second opinion door een neuroloog van het [E], verzoek
ik u een
verwijsbrief op te stellen (…) Wellicht ten overvloede meld ik u dat u verplicht
bent aan mijn
verzoek te voldoen. (…)”
3.8 Op 1 juli 2024 herinnerde klaagster per e-mail verweerster aan dit verzoek door
het volgende
te e-mailen:
“(…) Ik heb niets van u vernomen. Geen verwijzing voor een second opinion door een
neuroloog van
het [E] en ook geen onderbouwing van zwaarwegende
argumenten om geen second opinion te laten uitvoeren (…)”
3.9 Bij brief van 2 juli 2024 schreef verweerster aan klaagster:
“(…) Graag wil ik u uitnodigen op de polikliniek neurologie (…) op 4 juli 2024 (…)
om te
spreken over het beëindigen van de behandelrelatie. (…)”
3.10 Op dezelfde dag 2 juli 2024 mailde klaagster aan de RvB een herhaling van de
klacht die
klaagster op 24 juni 2024 aan verweerster had gemaild. Ook schreef klaagster aan
de RvB:
“(…) Ik verzoek u een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken, waarbij u
voor ogen houdt dat
het medisch belang van de patiënt voorop staat. (…)”
3.11 Op 3 juli 2024 heeft klaagster gemaild aan de RvB:
“(…) Ik heb geen enkel vertrouwen meer in (…) [verweerster]. Ik wens een andere
neuroloog. En dat gaat u regelen. (…)
Ik verzoek u deze mail door te geleiden naar de raad van toezicht, naar (…) [verweerster]
en naar
de polikliniek neurologie. U kunt in twee dagen een afspraak regelen. Dan kunt u
ook in twee dagen
een andere neuroloog regelen. (…)”
3.12 Bij e-mail van 9 juli 2024 e-mailde klaagster meerdere collega’s van verweerster,
waaronder de klachtenfunctionaris en de RvB, met de titel:
“Weigeren verwijzingsbrief second opinion (…) [verweerster]”
Klaagster schreef ook:
“(…) Door middel van deze mail dien ik een klacht in tegen (…) [verweerster]. Op
(…) 26 juni 2024
heb ik (…) [verweerster] verzocht een verwijzingsbrief op te stellen (…).
[Verweerster] heeft niet aan mijn verzoek voldaan. (…) Ik verzoek u de klacht in
behandeling te
nemen en er zorg voor te dragen dat ik de gevraagde verwijzing uiterlijk dinsdag
16 juli 2024 in
mijn bezit heb. (…)”
3.13 Dezelfde dag, op 9 juli 2024 heeft de RvB aan klaagster bericht:
“(…) In uw e-mail van 3 juli 2024 geeft u aan dat u een andere neuroloog wenst.
Het spijt mij te
horen dat u het vertrouwen bent verloren in een van onze artsen. Uw verzoek heb
ik doorgestuurd
naar (…) [verweerster], zij zal deze week conform uw verzoek een verwijzing voor
u maken naar het
[E]. (…)”
3.14 Verweerster heeft in de brief van 9 juli 2024 aan het [E] geschreven:
“(…) Mede op verzoek patiënte (zij wenst verwijzing [E]) en gezien het beëindigen
van de
behandelrelatie alhier, verzoek overname van behandeling in uw ziekenhuis. (…) Alvast
bedankt voor
uw overname. (…)”
4. De klacht en het verweer
4.1 Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a) een schending van de privacy van klaagster;
b) een leugen te hebben geuit over de beëindiging van de behandelrelatie tussen
klaagster en
verweerster;
c) een leugen te hebben geuit dat klaagster zelf zou hebben verzocht om overname
van de
behandeling door het [E];
d) alle gegevens van klaagster aan het [E] te sturen;
e) het [E] bij voorbaat te hebben bedankt voor de overname van de behandeling
van klaagster.
Klaagster stelt dat door voorgaande het medisch dossier van klaagster in het [E]
ligt waar
klaagster, volgens klaagster geen patiënte is.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht om de klacht kennelijk ongegrond te beoordelen.
4.3 De voorzitter gaat hieronder verder, voor zover nodig, in op de standpunten van partijen.
5. De beoordeling
Criteria voor de beoordeling
5.1 Het college moet de ingediende klacht beoordelen aan de hand van zakelijke
criteria. Daarbij
gaat het erom of de neuroloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwaam en redelijk handelend neuroloog. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de neuroloog geldende beroepsnormen en professionele standaarden.
Ten slotte
geldt het uitgangspunt dat verweerster alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk is
voor haar eigen
handelen en niet voor het handelen van anderen.
Klachtonderdelen a) privacyschending van klaagster en d) gegevens van klaagster aan
het [E]
5.2 Vanwege de samenhang van beide klachtonderdelen beoordeelt de voorzitter deze
gezamenlijk. Op
basis van voorgaande feiten stelt de voorzitter vast dat klaagster zelf herhaaldelijk
en op
dwingende wijze aan verweerster en aan verschillende collega’s van verweerster heeft
verzocht om
een andere neuroloog en om een verwijzing van de behandeling naar het [E].
5.3 Voor een verwijzing is het gebruikelijk en noodzakelijk om de medische gegevens
van de te
verwijzen patiënt mee te zenden aan de arts die de behandeling van de patiënt overneemt.
Eerst dan
kan een zo optimaal mogelijke overdracht worden gerealiseerd. Voor zover klaagster
heeft bedoeld te
stellen dat er onnodige medische gegevens aan het [E] zouden zijn gezonden, stelt
de voorzitter het
volgende vast. Klaagster heeft weliswaar gesteld dat alle gegevens naar het [E]
zijn verstuurd maar
zij heeft niet onderbouwd dat daar niet-relevante gegevens bij zaten. Dat had wel
op haar weg
gelegen. De voorzitter is ook anderszins niet gebleken dat verweerster niet-relevante
gegevens van
klaagster aan het [E] zou hebben gezonden. Dat betekent dat de voorzitter geen tuchtrechtelijk
verwijtbaar handelen van verweerster is gebleken. Klachtonderdeel a) en d) zijn
kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdelen b) leugen over beëindiging behandelrelatie en c) leugen over verzoek
van klaagster
over overname behandeling door het [E]
5.4 De voorzitter stelt vast dat verweerster klaagster op of omstreeks 18 juni
2025 per brief een
toelichting heeft gegeven, op grond van welke redenen de behandelrelatie noodzakelijkerwijs
zou
moeten worden beëindigd. Anders dan klaagster kennelijk veronderstelt, leidt het
niet dateren van een brief er niet toe dat er geen waarde aan de inhoud van die brief
kan worden toegekend of dat deze brief niet in een rechterlijke procedure zou kunnen
worden ingediend.
5.5 Zoals eerder reeds is overwogen, is klaagster op eigen verzoek verwezen naar
het [E] voor de
overname van de behandeling van klaagster. De voorzitter heeft geen leugen of een
onwaarheid kunnen
ontdekken in de verwijsbrief naar het [E]. Integendeel, de tekst in de verwijsbrief
wordt bevestigd
door de hiervoor genoemde correspondentie van klaagster. De klachtonderdelen b)
en c) zijn
kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) het [E] bedanken voor de overname
5.6 Klaagster heeft enkel gesteld en heeft niet gemotiveerd in welke zin het bedanken
kan leiden
tot klachtwaardig gedrag. Het feit dat een arts de andere arts bedankt voor het
overnemen van een
medische behandeling getuigt ervan dat de algemene fatsoensnormen in acht zijn genomen.
Waarom het
in acht nemen van dergelijke fatsoensnormen tot enige verwijtbaarheid kan leiden,
kan de voorzitter
niet volgen. De voorzitter acht klachtonderdeel e) kennelijk ongegrond.
6. De beslissing
De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Aldus gedaan op door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter, in
tegenwoordigheid
van F.A.C. Bergervoet, secretaris, op 22 oktober 2025.