ECLI:NL:TGZRSHE:2025:115 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7717

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:115
Datum uitspraak: 22-10-2025
Datum publicatie: 22-10-2025
Zaaknummer(s): H2024/7717
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een verzekeringsarts. Verweerster heeft een medisch onderzoek, inclusief lichamelijk onderzoek, verricht bij klager in het kader van een hoger beroepsprocedure over de beëindiging van de ziektewetuitkering van klager en daarover gerapporteerd. Volgens klager heeft verweerster dit onzorgvuldig gedaan, waardoor zijn aandoeningen niet adequaat zijn beoordeeld en gewogen en zijn beperkingen zijn onderschat. Klacht kennelijk ongegrond.”


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 22 oktober 2025 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde mevrouw mr. M.L.G. den Ouden, werkzaam in Den Haag

tegen

[C],
verzekeringsarts,
destijds werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde: mevrouw mr. A.B. Schippers, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1 Verweerster heeft een medisch onderzoek, inclusief lichamelijk onderzoek, verricht bij klager
in het kader van een hogerberoepsprocedure over de beëindiging van de ziektewetuitkering van klager
en daarover gerapporteerd. Volgens klager heeft verweerster dit onzorgvuldig gedaan, waardoor zijn
aandoeningen niet adequaat zijn beoordeeld en gewogen en zijn beperkingen zijn onderschat.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht, maar de klacht
kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te
stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het
college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 11 oktober 2024;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 21 november 2024;
- het proces-verbaal van het op 11 februari 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek in deze zaak en
de zaak met dossiernummer H2024/7717.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld, samen met de klacht in de zaak met dossiernummer H2024/7717. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klager heeft zich op 18 mei 2017 ziekgemeld. Hij ontving op dat moment een
werkloosheidsuitkering.

3.2 In 2018 is klager medisch onderzocht in het kader van de Eerstejaars Ziektewet- beoordeling.
Bij besluit van 26 juni 2018 heeft de uitkeringsinstantie de ziektewetuitkering van klager per 27
juli 2018 beëindigd, omdat klager na beoordeling in staat werd geacht op 17 mei 2018 meer dan 65%
te kunnen verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Klager heeft daartegen
bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 februari 2019 heeft de uitkeringsinstantie, na herbeoordeling
door een verzekeringsarts, zijn bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft klager beroep
ingesteld. Bij beslissing van 17 september 2019 heeft de bestuursrechter zijn beroep ongegrond
verklaard. Klager heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep
(hierna: CRvB).

3.3 Op 2 juni 2021 heeft een (videobel)zitting plaatsgevonden bij de CRvB. Tijdens die zitting is
afgesproken dat de uitkeringsinstantie klager zal uitnodigen voor een medisch onderzoek bij een
verzekeringsarts tijdens een spreekuur, waarbij een lichamelijk onderzoek zal worden verricht, en
dat daarvan een rapport zal worden opgesteld, waarop klager mag reageren. In afwachting daarvan is
de zitting aangehouden.

3.4 Klager is daarop uitgenodigd voor een spreekuurcontact op 15 juni 2021 bij een collega van
verweerster (verweerder in de zaak met dossiernummer H2024/7717). Deze verzekeringsarts heeft
medisch onderzoek verricht en daarvan een rapport opgesteld, gedateerd 16 juni 2021. Hij heeft
daarbij afgezien van lichamelijk onderzoek van klager. In zijn rapport heeft hij geconcludeerd dat
er geen aanleiding is tot het herzien van de eerder vastgestelde belastbaarheid.

3.5 Bij beslissing van 7 oktober 2021 heeft de CRvB de beslissing van de bestuursrechter
vernietigd, het besluit van 1 februari 2019 vernietigd en de uitkeringsinstantie opgedragen een
nieuwe beslissing te nemen en in dat kader onder meer conform de gemaakte afspraak bij klager een
lichamelijk onderzoek te laten verrichten, waarbij in het bijzonder de handen worden onderzocht.

3.6 Klager is vervolgens uitgenodigd voor een spreekuurcontact op 15 december 2021 bij
verweerster. Zij heeft medisch onderzoek verricht en daarvan een rapport opgesteld, gedateerd 28
december 2021. Zij heeft klager ook lichamelijk onderzocht en daarbij onder meer de handfuncties
van klager onderzocht. In haar rapport heeft verweerster overwogen dat zij zich kan verenigen met
de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 1 juni 2018 en dat zij geen argumenten ziet
voor het aannemen van zwaardere beperkingen.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klager verwijt verweerster dat zij tijdens het spreekuur op 15 december 2021 onzorgvuldig
heeft gehandeld door diverse klachten niet goed te beoordelen en te wegen in relatie tot de FML.
Daardoor was sprake van onderschatting van de beperkingen van klager.

4.2 Verweerster betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden, waaronder de Onderzoeksmethoden standaard van oktober 2000 en het Rapportageprotocol
verzekeringsgeneeskunde van maart 1999 van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (hierna:
LISV). Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn
voor hun eigen handelen.

De beoordeling van de klacht
5.2 Klager verwijt verweerster dat zij in het kader van het medisch onderzoek van klager heeft
nagelaten om zorgvuldig lichamelijk onderzoek uit te voeren en om cruciale medische informatie en
diagnoses van klager (voldoende) bij haar beoordeling te betrekken. Daardoor zijn volgens klager
zijn aandoeningen niet adequaat beoordeeld en gewogen in de FML, wat heeft geleid tot ernstige
onderschatting van zijn beperkingen.

5.3 Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij het medisch onderzoek op 15 december 2021 en
de rapportage daarover van 28 december 2021 conform de geldende richtlijnen heeft uitgevoerd, ook
waar het gaat om het lichamelijke onderzoek. Haar bevindingen daarbij kwamen overeen met de
bevindingen die in het dossier aanwezig waren van de vele behandelend artsen van klager. Verder
heeft zij met alle haar toen bekende medische informatie, diagnoses en bevindingen in voldoende
mate rekening gehouden. Het onderzoek zag op de situatie van klager medio 2018. Gebeurtenissen van
nadien moesten buiten beschouwing worden gelaten evenals later gestelde diagnoses, tenzij het
evident was dat die aandoeningen al eerder, in de voor de beoordeling relevante periode, aanwezig
waren en uit die nieuwe informatie bleek dat er destijds bij klager meer of veel zwaardere
beperkingen bij het verrichten van arbeid waren. Bij haar handelen heeft zij zich professioneel en
onafhankelijk opgesteld, aldus verweerster. Het verrichte medische onderzoek leverde volgens haar
geen andere bevindingen op.

5.4 Het college stelt voorop dat in de in 5.1. genoemde standaard Onderzoeksmethoden is bepaald
dat lichamelijk onderzoek onderdeel uit kan maken van het medisch onderzoek en dat de
verzekeringsarts de uitgebreidheid en de diepgang van dat onderzoek bepaalt aan de hand van een individuele afweging per casus, die beargumenteerd dient te kunnen worden. Uit het rapport van verweerster blijkt dat zij tijdens het spreekuurcontact na afloop van het gesprek met klager een lichamelijk onderzoek heeft verricht, waarbij zij onder meer de gewrichten en polsen van klager heeft onderzocht en de handen van klager uitgebreid heeft onderzocht. Haar bevindingen heeft zij nauwkeurig beschreven. Klager heeft niet gespecificeerd wat verweerster bij het lichamelijke
onderzoek niet goed zou hebben gedaan. Aanwijzingen van onzorgvuldig handelen van verweerster zijn
het college ook niet gebleken. Uit het rapport van verweerster blijkt verder dat zij adequaat
kennis heeft genomen van alle bestaande informatie en van de door klager overhandigde nieuwe
medische stukken, dat zij een observatie heeft verricht en een anamnese heeft afgenomen waarbij de
klachten van klager en ook zijn thuissituatie zijn uitgevraagd en dat zij al die gegevens heeft
gewogen. De beschouwing en overwegingen van verweerster in het rapport zijn duidelijk beschreven en
onderbouwd en kan het college goed volgen. Verweerster heeft tot slot op inzichtelijke wijze
uiteengezet op welke gronden haar conclusie rust. Het medisch onderzoek en de rapportage voldoen
naar het oordeel van het college aan de daaraan te stellen eisen.

Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, J.M. Hoevers en M.A.L. Piegza,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.W.M. Dirksen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
op 22 oktober 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.