ECLI:NL:TGZRSHE:2025:114 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7718
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:114 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-10-2025 |
| Datum publicatie: | 22-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7718 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verzekeringsarts. Verweerder heeft een medisch onderzoek verricht bij klager in het kader van een hoger beroepsprocedure over de beëindiging van de ziektewetuitkering van klager en daarover gerapporteerd. Volgens klager heeft verweerder dit onzorgvuldig gedaan, omdat hij heeft afgezien van noodzakelijk lichamelijk onderzoek, cruciale medische diagnoses niet (voldoende) heeft meewogen en zijn conclusie onvoldoende heeft onderbouwd. Klacht kennelijk ongegrond.” |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 22 oktober 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde mevrouw mr. M.L.G. den Ouden, werkzaam in Den Haag,
tegen
[C],
verzekeringsarts,
destijds werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mevrouw mr. A.B. Schippers-Juergens, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Verweerder heeft een medisch onderzoek verricht bij klager in het kader van
een
hogerberoepsprocedure over de beëindiging van de ziektewetuitkering van klager en
daarover
gerapporteerd. Volgens klager heeft verweerder dit onzorgvuldig gedaan, omdat hij
heeft afgezien
van noodzakelijk lichamelijk onderzoek, cruciale medische diagnoses niet (voldoende)
heeft meewogen
en zijn conclusie onvoldoende heeft onderbouwd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is in zijn klacht,
maar de klacht
kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen
aan de partijen te
stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna
licht het
college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 11 oktober 2024;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 21 november 2024;
- het proces-verbaal van het op 11 februari 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek
in deze zaak en
de zaak met dossiernummer H2024/7718.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld, samen met de klacht in de
zaak met
dossiernummer H2024/7718. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft
op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Klager heeft zich op 18 mei 2017 ziekgemeld. Hij ontving op dat moment een
werkloosheidsuitkering.
3.2 In 2018 is klager medisch onderzocht in het kader van de Eerstejaars Ziektewet-
beoordeling.
Bij besluit van 26 juni 2018 heeft de uitkeringsinstantie de ziektewetuitkering
van klager per 27
juli 2018 beëindigd, omdat klager na beoordeling in staat werd geacht op 17 mei
2018 meer dan 65%
te kunnen verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Klager
heeft daartegen
bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 februari 2019 heeft de uitkeringsinstantie, na
herbeoordeling
door een verzekeringsarts, zijn bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft
klager beroep
ingesteld. Bij beslissing van 17 september 2019 heeft de bestuursrechter zijn beroep
ongegrond
verklaard. Klager heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Centrale
Raad van Beroep
(hierna: CRvB).
3.3 Op 2 juni 2021 heeft een (videobel)zitting plaatsgevonden bij de CRvB. Tijdens
die zitting is
afgesproken dat de uitkeringsinstantie klager zal uitnodigen voor een medisch onderzoek
bij een
verzekeringsarts tijdens een spreekuur, waarbij een lichamelijk onderzoek zal worden
verricht, en
dat daarvan een rapport zal worden opgesteld, waarop klager mag reageren. In afwachting
daarvan is
de zitting aangehouden. De afspraak is vastgelegd in een proces-verbaal.
3.4 Klager is daarop uitgenodigd voor een spreekuurcontact op 15 juni 2021 bij verweerder.
Verweerder heeft medisch onderzoek verricht en daarvan een rapport opgesteld, gedateerd
16 juni
2021. Hij heeft daarbij afgezien van lichamelijk onderzoek van klager. In zijn rapport
heeft hij
geconcludeerd dat er geen aanleiding is tot het herzien van de eerder vastgestelde
belastbaarheid.
3.5 Bij beslissing van 7 oktober 2021 heeft de CRvB de beslissing van de bestuursrechter
vernietigd, het besluit van 1 februari 2019 vernietigd en de uitkeringsinstantie
opgedragen een
nieuwe beslissing te nemen en in dat kader onder meer conform de gemaakte afspraak
bij klager een
lichamelijk onderzoek te laten verrichten, waarbij in het bijzonder de handen worden
onderzocht.
3.6 Klager is vervolgens uitgenodigd voor een spreekuurcontact op 15 december 2021
bij een
collega van verweerder (verweerster in de zaak met dossiernummer H2024/7718). Zij
heeft medisch
onderzoek verricht en daarvan een rapport opgesteld, gedateerd 28 december 2021.
Zij heeft klager
ook lichamelijk onderzocht en daarbij onder meer de handfuncties van klager onderzocht.
In haar
rapport heeft zij overwogen geen argumenten te zien voor het aannemen van zwaardere
beperkingen.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld tijdens het
spreekuur op 15
juni 2021 door een onzorgvuldige medische beoordeling te maken en klager niet lichamelijk
te
onderzoeken, terwijl dit wel had gemoeten, ook vanwege de afspraak die was gemaakt
tijdens de
(videobel)zitting op 2 juni 2021 bij de CRvB.
4.2 Verweerder betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere
professionele
standaarden, waaronder de Onderzoeksmethoden standaard van oktober 2000 en het Rapportageprotocol
verzekeringsgeneeskunde van maart 1999 van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen
(hierna:
LISV). Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn
voor hun eigen handelen.
De bespreking van de klacht
5.2 Klager verwijt verweerder dat hij in het kader van het medisch onderzoek van
klager op 15
juni 2021 heeft afgezien van een voor de beoordeling noodzakelijk lichamelijk onderzoek
en heeft
nagelaten om cruciale medische informatie en diagnoses van klager, waaronder osteoporose
en dunne
vezelneuropathie, (voldoende) bij zijn beoordeling te betrekken. Daardoor is volgens
klager zijn
medische toestand verkeerd ingeschat, zijn klagers functionele beperkingen ondergewaardeerd
en is
de conclusie in de rapportage van verweerder onvoldoende onderbouwd.
5.3 Verweerder heeft aangevoerd dat hij opdracht had gekregen om medisch onderzoek
bij klager te
verrichten, dat op verzoek van de CRvB tijdens een fysiek spreekuur diende plaats
te vinden, dus
niet telefonisch of via beeldbellen. Hem was toen niet bekend dat was afgesproken
dat in dat kader
ook lichamelijk onderzoek zou worden verricht en hij zag daarvoor zelf geen aanleiding.
Volgens
verweerder heeft hij bij het medisch onderzoek gehandeld conform de geldende standaard.
Hij heeft
gebruik gemaakt van de informatie van collega-verzekeringsartsen in het primaire
proces en de
uitvoerige informatie van behandelaars over het toenmalige ziektebeeld van klager.
Ook heeft hij
een anamnese afgenomen en een observatie verricht. Op basis van al die gegevens
is hij na
uitgebreide weging en argumentatie tot zijn heroverweging gekomen, zoals is beschreven
in zijn
rapportage van 16 juni 2021.
5.4 Naar het oordeel van het college kan verweerder niet worden verweten dat hij
in het kader van
de medische beoordeling van klager geen lichamelijk onderzoek heeft verricht.
Tijdens de zitting bij de CRvB is weliswaar afgesproken dat tijdens een fysiek spreekuur
bij een
verzekeringsarts ook een lichamelijk onderzoek bij klager zou worden verricht, maar
verweerder zegt
dat hij op 15 juni 2021 niet op de hoogte was van die afspraak: hij beschikte toen
niet over het
proces-verbaal van de zitting bij de CRvB en hij wist ook niet langs andere weg
van de bedoelde
afspraak. Aanwijzingen dat verweerder toen wel bekend was met (de inhoud van het
proces-verbaal
met) de gemaakte afspraak zijn het college niet gebleken. Verweerder heeft een zittingsverslag
overgelegd van degene die namens de uitkeringsinstantie via een digitale verbinding
bij de zitting
was. In dat verslag is vermeld dat de CRvB tijdens de zitting is ingegaan op de
zienswijze van de
CRvB dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een eigen medisch onderzoek moet
doen en dat de CRvB
daadwerkelijk fysiek onderzoek noodzakelijk lijkt te vinden, zodat niet kan worden
volstaan met
aanwezigheid bij de hoorzitting en het slechts aanbieden van de “onder-4-ogen-
mogelijkheid”. Over (de noodzaak van) lichamelijk onderzoek is niets vermeld. Op
basis van de
beschrijving in dit verslag hoefde verweerder naar het oordeel van het college niet
te
veronderstellen dat er tijdens het spreekuurcontact bij klager een lichamelijk onderzoek
moest
worden verricht. Bij dit oordeel is van belang dat in medische context, dus ook
als het gaat om een
verzekeringsgeneeskundige kwestie, de term ‘fysiek onderzoek’ de vaste betekenis
heeft dat de
onderzoekende arts de patiënt ‘live’ in zijn praktijk ziet en daarbij onderzoek
doet naar diens
klachten, op de voor die klachten geëigende wijze. Dat verweerder de term ‘fysiek
onderzoek’, zoals
gebezigd in het verslag van de zittingsvertegenwoordiger van de uitkeringsinstantie,
in die zin
heeft opgevat en niet heeft opgevat als een direct door verweerder aan het lichaam
van klager te
verrichten onderzoek, kan het college om die reden billijken.
5.5 In de in 5.1. genoemde standaard Onderzoeksmethoden is bepaald dat het medisch
onderzoek door
een verzekeringsarts altijd observaties en een gerichte anamnese dient te omvatten
en dat
lichamelijk onderzoek daarvan onderdeel kan uitmaken. De indicatie tot en de uitgebreidheid
van het
lichamelijk onderzoek vergt bij iedere casus een individuele afweging die door de
arts
beargumenteerd dient te kunnen worden. Hieruit volgt dat het aan de verzekeringsarts
is om per
casus te bepalen of lichamelijk onderzoek aangewezen is. Verweerder heeft toegelicht
dat hij bij
klager heeft afgezien van lichamelijk onderzoek, omdat de datum in geding (17 mei
2018) drie jaar
eerder lag, er in ruime mate medische informatie aanwezig was die op die datum zag
en er geen
sprake was van nieuwe aandoeningen die terug te herleiden waren tot die datum. Deze
onderbouwing
heeft hij ook opgenomen in zijn rapport. Het college kan de overweging van verweerder
goed volgen.
Uit het rapport van verweerder blijkt dat er voldoende relevante objectieve medische
gegevens
beschikbaar waren en dat er geen sprake was van nieuwe medische informatie over
aandoeningen die te
herleiden waren tot de datum in geding. Dit is ook bevestigd in het latere rapport
van verweerder
van 18 juli 2023, waarin is vermeld dat de diagnose osteoporose pas vlak voor nieuwjaar
2021 is
gesteld en de mogelijke diagnose dunne vezelneuropathie ook nog niet speelde op
de datum in geding.
Lichamelijk onderzoek is dan niet aangewezen, te meer omdat de situatie van klager
na een
tijdsverloop van drie jaar veranderd is. Verweerder heeft verder in zijn rapport
op inzichtelijke en consistente wijze
uiteengezet op welke gronden zijn conclusie rust, dat er geen reden was om zwaardere
beperkingen
vast te stellen. Het medisch onderzoek en de rapportage voldoen naar het oordeel
van het college
aan de daaraan te stellen eisen.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, J.M. Hoevers en M.A.L.
Piegza,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.W.M. Dirksen, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken
op 22 oktober 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.