ECLI:NL:TGZRSHE:2025:112 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7762
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:112 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-10-2025 |
| Datum publicatie: | 15-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7762 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klager kennelijk niet-ontvankelijk in klacht tegen arts. Voorzittersbeslissing. De klacht gaat over de beslissing om de patiënt, de vriend van klager, met ontslag naar huis te laten gaan zonder volledig te onderzoeken of de patiënt somatisch gezien in staat was om naar huis terug te keren. Voorzitter: er is sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven eraan te twijfelen dat klager de wil van de patiënt vertegenwoordigt waar het gaat om het indienen van een klacht tegen deze verweerster. Op geen enkele wijze kan ergens uit worden opgemaakt dat de patiënt over haar had willen klagen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Voorzittersbeslissing van 15 oktober 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen:
[C],
arts,
werkzaam in [B],
verweerster,
gemachtigde: mr. D. Zwartjens, werkzaam in Leiden.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager heeft een klacht tegen verweerster ingediend over de behandeling van
zijn vriend
(hierna: de patiënt), die is overleden. De patiënt was opgenomen in het ziekenhuis.
De klacht gaat,
kort gezegd, over de beslissing om de patiënt met ontslag naar huis te laten gaan
zonder volledig
te onderzoeken of de patiënt in staat was om naar huis terug te keren. Klager heeft
daartoe
aangevoerd dat er geen röntgenfoto van de heupen van de patiënt was gemaakt en dat
niet was
onderzocht of de patiënt wel kon traplopen.
1.2 Verweerster was ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen psychiater
in opleiding. Zij
heeft de patiënt één keer gezien en hem toen psychiatrisch beoordeeld. Bij de somatische
beoordeling van de patiënt is zij niet betrokken geweest. Verweerster maakte ook
geen onderdeel uit
van het behandelend team van de patiënt.
2. De procedure
De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 30 oktober 2024;
- de brief van 13 december 2024 van de secretaris aan klager;
- de reactie per e-mail van klager, ontvangen op 18 februari 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 20 mei 2025;
- de repliek, ontvangen op 9 juli 2025;
- de dupliek, ontvangen op 14 augustus 2025.
3. Overwegingen
3.1 De voorzitter overweegt als volgt. Het recht van een betrokkene om een klacht
in te dienen
over een medische behandeling van een overleden patiënt berust niet op een eigen
klachtrecht van de
betrokkene, maar op een klachtrecht dat is afgeleid van de veronderstelde wil van
de patiënt. In
beginsel geldt dat de betrokkene geacht wordt de wil van de overleden patiënt te
vertegenwoordigen,
tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te
twijfelen.
3.2 De voorzitter is van oordeel dat er in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden
die
aanleiding geven eraan te twijfelen dat klager de wil van de patiënt vertegenwoordigt
waar het gaat
om het indienen van een klacht tegen deze verweerster. Ook aangenomen dat de patiënt
een klacht zou
hebben willen indienen over de beslissing om hem met ontslag naar huis te laten
gaan – wat niet
zonder meer kan worden aangenomen, aangezien uit het klaagschrift niet blijkt dat
de patiënt
hierover op enig moment heeft geklaagd of heeft willen klagen en in het klaagschrift
bovendien
alleen staat vermeld dat klager bezwaren heeft geuit tegen het ontslag van de patiënt
uit het
ziekenhuis, maar niet dat de patiënt zelf deze bezwaren heeft geuit – dan mag redelijkerwijs
worden
verondersteld dat deze klacht zich niet zou richten tot verweerster. Nergens blijkt
namelijk uit
dat verweerster als psychiater in opleiding betrokken was bij de beslissing om de
patiënt met
ontslag naar huis te laten gaan. Bovendien blijkt nergens uit dat zij betrokken
is geweest bij de
somatische beoordeling van de patiënt. Daarover kon verweerster als psychiater in
opleiding ook
geen uitspraken doen. Verweerster heeft de patiënt uitsluitend psychiatrisch beoordeeld.
Dit
betekent dat op geen enkele wijze ergens uit kan worden opgemaakt dat de patiënt
had willen klagen
over verweerster. Aan dit oordeel doet niet af de stelling van klager dat de patiënt
promotieonderzoek heeft gedaan teneinde een verbetering van inzichten in de wetenschap
te
bewerkstelligen, zodat het meer dan aannemelijk zou worden geacht dat de patiënt
er voorstander van
zou zijn geweest dat verbetering van de diagnostiek en de communicatie van
het ziekenhuis met de familie wordt nagestreefd. Beoordeeld moet worden of de patiënt
tegen deze
zorgverlener een klacht had willen indienen, omdat enkel kan worden geklaagd over
het daadwerkelijk
handelen van de zorgverlener. Een onderzoek naar algemene verbetering in diagnostiek
en
communicatie is onvoldoende om een daadwerkelijke klacht tegen deze zorgverlener
aan te nemen.
3.3 Aangezien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die aanleiding geven eraan
te twijfelen
dat klager de wil van de patiënt vertegenwoordigt, kan klager niet namens de patiënt
klagen en
dient klager in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn klacht.
3.4 Voor zover klager ook voor zichzelf heeft willen klagen, geldt dat het tuchtcollege
niet de
gevolgen van het medisch handelen van een zorgverlener en daarmee ook niet de schade
als gevolg van
het medisch handelen beoordeelt. Klager kan bij het tuchtcollege dus niet klagen
over het letsel
dat hij stelt te hebben opgelopen door de patiënt te helpen met traplopen om zijn
woning te
bereiken. Ook in deze klacht is klager niet-ontvankelijk.
4. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan op 15 oktober 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
in
tegenwoordigheid van D. van Grootveld, secretaris.