ECLI:NL:TGZRSHE:2025:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7239
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:106 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-09-2025 |
| Datum publicatie: | 03-09-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7239 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Verweerster, huisarts werkzaam in PI, wordt verweten dat zij in strijd heeft gehandeld met de voor haar geldende professionele standaard door geen/niet tijdig een diagnose te stellen, te lang af te wachten en klager niet serieus te nemen nadat hij met zijn hoofd op de wasbak is gevallen en aanhoudende klachten had. Ook wordt de huisarts verweten dat zij klager niet voldoende heeft geïnformeerd en er geen sprake is geweest van informed consent. Het college overweegt dat het door de huisarts ingezette beleid passend en toereikend was. Geen sprake van onvoldoende zorg, informatievoorziening of onjuiste behandeling. Klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 3 september 2025 op de klacht van:
[A],
verblijvende in [B], klager,
gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen, werkzaam in Sittard,
tegen
[C],
huisarts, werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager, verblijvende in een Penitentiaire Inrichting (PI), is behandeld door
de huisarts
nadat hij met zijn hoofd op de wasbak is gevallen. Klager heeft daarna last gekregen
van hoofdpijn,
concentratieproblemen, woordvindingsproblemen en kon harde geluiden en licht niet
verdragen. Klager
is, kort gezegd, van mening dat de huisarts zijn klachten niet serieus heeft genomen
en te
afwachtend heeft gehandeld en dat er geen sprake is geweest van informed consent.
Ook vindt klager
dat er een onjuiste behandeling is ingezet. De huisarts is van mening dat zij niet
tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 30 mei 2024;
- de brief van 19 juni 2024, van de secretaris aan de gemachtigde van klager;
- de brief met bijlage, van de (vorige) gemachtigde van klager ontvangen op 9 juli
2024;
- de brief van 18 juli 2024 van de secretaris aan de gemachtigde van klager;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek;
- de dupliek met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 1 januari 2024 is klager in zijn cel met zijn hoofd op de wasbak gevallen.
Klager heeft
dit op 2 januari 2024 gemeld bij de medische dienst van de PI, waar hij verblijft
en de huisarts
werkzaam is.
3.2 In het medisch dossier van klager is op 2 januari 2024 door een verpleegkundige
het volgende
genoteerd (citaten inclusief taal- en typfouten):
“S RFE: ogen checken, zie mail
[initialen verpleegkundige]; Dhr kwam naar de medische dienst om zijn ogen te laten
checken. Dhr
verteld dat hij gestruikeld was, en hiervoor met zijn gezicht op de wastafel gekomen
is. Dhr geeft
wel aan wat hoofdpijn te hebben gehad op de dag zelf, maar dit is nu niet meer aan
de aanwezig.
O Niet misselijk-, Dhr ziet niet dubbel/wazig-, Hoofdpijn-, Druk op het hoofd/ogen-,
Onder beide
ogen hematoom aanwezig.
E Blauw oog
P -Expectatief. Dhr trekt aan de bel als hij klachten krijgt.“
3.3 Op 5 januari 2024 is klager gezien door de huisarts. Zij heeft in het dossier
genoteerd:
“S RFE:ha; steeds meer klachten duizeligheid neemt toe voelt zich niet goed wil
graag toch
vrijdag huisarts zien na val van van de week waar hij even buiten bewustzijn is
geweest
[initialen huisarts]; met oud en nieuw gestruikeld en met aangezicht op de wasbak
gevallen. zegt 30
seconden buiten bewustzijn te zijn geweest. nu aanhoudende misselijkheid. niet gebraakt.
zegt
hoofdpijn te hebben. Heeft niets gebruikt geeft dhr. aan. voelt zich snel duizelig.
O helder en alert, emv maximaal
ogen pearrl, normale volgbewegingen, geen diplopie barre negatief
symm kracht en sens armen en benen normaal looppatroon
top neus; gb
aangezicht; tweetal kleine hematomen onder ogen, geen crepitaties, neus; gb, hersenzenuwen;
gb
E contusie
P uitleg, rustig aan doen, week ao. alarmsignalen besproken, controle zn, over
1 week bij vpk”
3.4 Op 12 januari 2024 is klager door een collega-huisarts gezien die de diagnose
hersenschudding
bevestigde. Op 19 januari wordt klager door een verpleegkundige gezien, waarbij
klager aangaf nog
last te hebben van hoofdpijn. In verband met de aanhoudende klachten en een verhoogde
bloeddruk nam
een verpleegkundige op 24 januari telefonisch contact op met de huisarts. De huisarts
gaf het
advies dat klager door een collega-huisarts gezien moest worden. Door de collega-huisarts
werd aan
klager tramadol 50 mg, 3 maal daags 1 capsule, voorgeschreven. Op 25 januari 2024
werd klager weer
door een verpleegkundige gezien. Klager gaf aan bezorgd te zijn over zijn hoofdpijn
en nog steeds
veel klachten te ervaren.
3.5 Op 26 januari 2024 heeft de huisarts klager weer gezien en als volgt genoteerd:
“S (…) dhr geeft aan nog altijd hoofdpijn te ervaren, met name in de nacht. maakt
zich zorgen. met
sporten toename van hoofdpijn. bang dat er iets in zijn hoofd aan de hand is. normale
spraak,
normaal gevoel armen en benen
O dhr is erg opgefokt, dwingend in contact, weigert bloeddruk controle emv maximaal.
normale
spraak. druk verbaal sterk.
E contusie
P dhr erg bezorgd over zijn hoofdpijn, uitleg dat drukte en opgefokte hierover
juist klachten
erger maken, proberen rust te nemen en rustig te blijven, hiervoor hulp aangeboden,
dhr wil dit
niet, wil een mri scan, uitleg dat hier geen indicatie voor is. rr controle weigert
dhr, volgende
week nog eens rr controle door vpk aanbieden”.
Na het consult heeft klager een klacht ingediend bij de PI, omdat hij zich niet
gehoord voelde en
bang was dat er meer aan de hand was.
3.6 Naar aanleiding van de klacht van klager, heeft de huisarts klager uitgenodigd
en gezien op 29
januari 2024:
“S [initialen huisarts]; dhr opgeroepen nav beklag. besproken dat ik het idee had
dat dhr vrijdag
wel tevreden de deur uit ging. dhr geeft aan zich echt veel zorgen over hoofdpijn
te hebben. bang
dat er iets in zijn brein aan de hand is, voelt zich niet gehoord. kan door mij
niet goed
gerustsgesteld worden. wens verder onderzoek. hoofdpijn achterhoofd, trekt naar
voren. geen
bewustzijn verlies. geen uitval. wel klachten geheugen misselijkheid. duizeligheid.
O alert, adequaat , 182/87
ogen pearrl, normale volgbewegingen normaal looppatroon
barre gb
E Migraine
P zeer uitgebreid gesprek met dhr. hoge bloeddruk blijft, lab uitsluiten schildklier,
hb,
bloedbeeld.
besproken geen medische indicatie neurloog, maar gezien aanhoudende grote zorgen,
hoge rr vw
neuroloog. daarnaast bloeddruk opvallend bij deze jonge man. ook uitgebreid gesproken
met dhr nav
beklag, geeft aan klacht in te willen trekken als hij gehoord is, vindt het fijn
naar neuroloog te
mogen. andere huisartsen aangeboden, dhr wil dit niet, wil graag bij mij blijven,
is verder
tevreden was gewoon heel bezorgd.
P Verwijsbrief neuroloog, 29-01-2024”
3.7 Op 30 januari 2024 wordt klager gezien op de medische dienst op zijn verzoek om
zijn bloeddruk
te laten meten. Door een verpleegkundige wordt opgenomen in het medisch dossier:
“(…) dhr geeft aan vannacht een slechte nacht te hebben gehad, schrikt wakker, heeft
dan het gevoel
dat zijn hard tekeer gaat in zijn borst en heeft een bonkend gevoel bij de slaap.
dhr verteld
gister een goed gesprek te hebben gehad met de HA, maar maakt zich wel
zorgen om zijn hart en RR(…)”.
3.8 De huisarts heeft de uitslag van het bloedonderzoek met klager besproken op 5
februari 2024.
Zij noteerde:
“S [initialen huisarts]; met dhr besproken dat zijn prolactine verhoogt is, dhr
heeft geen
melkuitvloed bemerkt, ook geen vergrote borsten. klachten idem, besproken dat hij
binnenkort naar
neuroloog gaat, is hier blij mee.
E Verhoogde bloeddruk [ex. K86,K87]
P lab met verhoogt prolactine naar neuroloog gemaild. Met dhr. uitslag besproken
en dat ik
bovenstaand aan neuroloog heb laat hem weten ter beoordeling, zeker in combinatie
met zijn
klachten. beleid neuroloog afwachten, dhr akkoord.
3.9 Op 8 februari heeft de verpleegkundige genoteerd:
“ (…) Ook in het verslag is niets te lezen over de toegezonde bloeduitslagen.
Echter mijn inziens vreemd, dat bloeduitslagen niet besproken zijn gezien zijn Prolactine
verhoogd
is, vaak is dit een indicatie voor een MRI? Gebeld met de poli Neurologie, en gevraagd
aan de
secretaresse of dat de bloeduitslagen wel doorgekomen zijn bij de Neuroloog. De
secretaresse geeft
aan dat dit wel bij het consult voor de Neuroloog is gezet, maar dat ze niet zeker
weet of dat de
Neuroloog hiernaar gekeken heeft. Gevraagd aan de secretaresse om de vraag bij de
Neuroloog neer te
leggen, of dat het verhoogde Prolactine gezien is, en of dit dan de indicatie is
voor een MRI (…).
3.10 Op 9 februari 2024 is door de huisarts in het dossier opgenomen:
“(…) tc met neuroloog fax met uitslag prolactine en consult neuroloog hebben elkaar
gekruisd.
verhoogt Prolactine is wel een indicatie voor een MRI scan en een verwijzing naar
de endocrinoloog.
de neuroloog verwijst dhr. hiervoor een vraagt de mri-scan aan.
E Migraine
P vpk informeert dhr hierover. tevens nog navragen of dhr metaal in lichaam heeft
in verband met
mri scan, zo ja dan doorgeven aan afd neurologie.”
3.11 Op 29 februari 2024 is door de verpleegkundige genoteerd:
“(…) dhr ervaart nog steeds dezelfde klachten, het komt en het gaat in vlagen. Voelt
zich gewoon
anders dan anders en kan de klachten moeilijk omschrijven omdat het niet constant
aanwezig is. Hoe
dhr het probeert uit te leggen heeft hij hoofdpijn en soort van wazig zien, alsof
de helft van zijn
hoofd in slaap valt. Dhr heeft met de neuroloog gesproken. Op de MRI zijn géén afwijkingen
te zien.
De MRI laat natuurlijk alleen de structuur van de hersenen en de hypofyse zien maar
gaat niet over
de functie ervan. Daarvoor is vanuit de neuroloog het advies om meneer door te verwijzen
naar een
endocrinoloog om uit te zoeken waar het
verhoogd prolactine vandaan komt. (…)”
3.12 Op 11 maart 2024 noteerde de huisarts:
“(…) prolactine stabiel iets verhoogt, verwijzing endocrinoloog [naam ziekenhuis]
gestuurd,
vraag of we dit mogen vervolgen of su nodig is (…)”.
3.13 Klager is op 27 maart gezien door de endocrinoloog. Door de huisarts wordt klager
weer op 26
april 2024 gezien. Zij heeft het volgende genoteerd:
“(…) gesprek over hoofdpijnklachten, dhr heeft nu 5 maanden klachten. voelt dat
er iets mis is. bij
teveel doen. wordt er depressief van, is hele dag met de hoofdpijn bezig. bij tv
kijken snel
overprikkelt. is wel minder dan 5 maanden geleden. zit niet tussen zijn oren geeft
hij aan. snapt
niet dat prolactine nu ineens normaal is. met name in de ochtend ineens is het er,
wazig gevoel (…)
uitgebreid gesprek, goede mri-scan, goed lab, nu ook goed prolactine, dhr kan dit
moeilijk
accepteren, voelt dat er iets mis is, uitleg over spanningshoofdpijn, dhr heeft
de neiging te
hyperfocussen op lichamelijke klachten, psycholoog aangeboden, leren vertrouwen
op eigen lichaam en
goede uitslagen, wil dit niet, wil nu wel naar de fysiotherapie omdat het mogelijk
uit de nek komt
(akkoord, geen ruimte in gesprek nu omdat dhr het nu op geen enkele manier accepteren).
(…)”
3.14 Op 22 juli 2024 noteerde de huisarts:
“S [initalen huisarts]; gesprek met dhr en psycholoog. dhr geeft aan zich niet
serieus genomen te
voelen, gevoel alsof hij bij de rechter zit bij bezoek aan huisarts. Heeft nog altijd
klachten na
klap op hoofd, ziet sterretjes, kan geen tv kijken, kan niet tegen licht en geluid,
wisselende
stemming in negatieve zin. er moet wat zijn.
O hoog in aggitatie/frustratie
E Contusie
P lang gesprek maar moeizaam, samen met psycholoog proberen uit te leggen we denken
dat frustratie
en zorgen de klachten juist in stand houden, dat dit ook de reden is van verwijzing
naar
psycholoog, psycholoog biedt ook fysiotherapie aan. dhr blijft terugkomen op dat
hij geen gesprek
met de neuroloog heeft gehad, of het geen migraine bijv kan zijn. wil verbetering
van zijn
gezondheid. mi post commotio beeld met beperkte coping en solk, nu aangeboden dat
we nog eenmalig
de neuroloog vragen (wel besproken dat neuroloog de verwijzing ook kan afwijzen,
gezien hiervoor al
geweest en goede scan), fysio opstarten en psycholoog vervolgen. ondanks aanbod
neurologie blijft
dhr gefrustreerd en lijkt niet tevreden met uitkomt van gesprek. ik weet niet goed
wat ik dhr nog
verder moet/kan bieden. (…)”.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat zij:
a) in strijd heeft gehandeld met de voor haar geldende professionele standaard
door niet, althans
onvoldoende tijdig een diagnose te stellen. Het expectatieve beleid heeft te lang
geduurd en klager
voelt zich niet serieus genomen;
b) klager voorafgaand aan en gedurende de behandeling niet, althans onvoldoende
heeft
geïnformeerd over de aard en omvang van de behandeling en evenmin over eventuele
ontwikkelingen.
Daarom is er geen sprake van informed consent;
c) afspraken niet is nagekomen en klager niet verder heeft geholpen;
d) een verkeerde diagnose heeft gesteld en een onjuiste behandeling is gestart;
e) onvoldoende informatie over de behandeling heeft verstrekt;
f) een onjuiste verklaring of onjuist rapport heeft opgesteld;
g) verkeerde medicijnen heeft voorgeschreven of verstrekt;
h) klager ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een andere beroepsbeoefenaar.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De
huisarts betreurt
het feit dat klager ontevreden is over de zorg die zij hem heeft verleend, maar
is van mening dat
de klachten berusten op een verkeerde voorstelling van zaken.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat
een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a) in strijd gehandeld met NHG-standaard Hoofdtrauma door niet,
althans onvoldoende
tijdig een diagnose te stellen. Expectatief beleid heeft te lang geduurd en klager
voelt zich niet
serieus genomen.
5.3 Klager is op 1 januari 2024 met zijn hoofd op de wasbak gevallen en heeft
zich op 2 januari
gemeld bij de medische dienst, waar hij die dag is gezien door een justitieel verpleegkundige.
De
huisarts heeft klager pas op 5 januari gezien. Klager gaf toen aan dat hij kort
buiten bewustzijn
zou zijn geweest na de val, dat hij voortdurend misselijk was en
last van hoofdpijn en duizeligheid had. De huisarts kwam tot de conclusie dat klager
leed aan een
hersenschudding. De NHG-standaard Hoofdtrauma ziet met name op het herkennen van
alarmsignalen
binnen de eerste 24 uur nadat het hoofdtrauma is opgetreden, en die eerste 24 uur
waren ruim
verlopen op het moment dat de huisarts klager zag. Er was daarom geen sprake meer
van een acuut
stadium. De standaard beveelt handelen met spoed indien wordt ingeschat dat er sprake
is van een
patiënt met hoofdtrauma met een sterk verhoogd risico op intracranieel letsel. Omdat
de huisarts
klager pas zag na het verstrijken van 24 uur na de val, kan het verwijt dat zij
heeft gehandeld in
strijd met de standaard in zoverre al niet slagen. Verder onderschrijft het college
het door de
huisarts op 5 januari 2024 ingezette onderzoek en beleid. Er waren geen alarmsignalen
op het moment
dat de huisarts klager zag en uit het dossier blijkt dat de huisarts voldoende heeft
doorgevraagd
en klager een passend vangnetadvies heeft gegeven, namelijk het nemen van rust en
een
controleafspraak na een week. De huisarts heeft volgens het medisch dossier de alarmsignalen
met
klager besproken en een controle na een week bij de verpleegkundige afgesproken.
Het verwijt dat
het expectatieve beleid te lang heeft geduurd, is daarom niet terecht. Ook bij de
opvolgende
consulten heeft de huisarts telkens naar klager geluisterd en passende adviezen
gegeven.
Van het bagatelliseren van klagers klachten of het niet serieus nemen van klager,
is daarom geen
sprake. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.4 Voor zoverre dit klachtonderdeel betrekking heeft op (de inhoud van) het consult
van 2
januari 2024 met een verpleegkundige, overweegt het college dat de huisarts alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk is voor haar eigen, persoonlijk handelen. Bij het consult van 2
januari 2024 was
de huisarts niet persoonlijk betrokken, en daarmee dus ook niet tuchtrechtelijk
aan te spreken. De
huisarts heeft overigens door overlegging van stukken nader onderbouwd dat een verpleegkundige,
werkzaam in de justitiële sector, eerstelijnsgezondheidzorg verleent en daarmee
eigen bevoegdheden
en taken heeft, waaronder het signaleren, stellen van verpleegkundige diagnoses,
uitvoeren van
verpleegkundige interventies en verwijzen. Ook dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
5.5 Klachtonderdeel b) klager niet/onvoldoende geïnformeerd over de behandeling en
ontwikkelingen.
Geen sprake van informed consent.
Klager stelt dat de huisarts hem niet voldoende heeft geïnformeerd en geen overleg
met hem heeft
gevoerd. Daarom zou geen sprake zijn van informed consent. De huisarts voert daarentegen
aan dat
zij het beleid heeft vastgesteld in samenspraak met klager en het beleid heeft uitgelegd,
met klager heeft besproken en heeft laten accorderen door klager. Het college oordeelt
dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Uit het dossier van klager is gebleken dat de
huisarts tijdens de consulten adequaat overleg heeft gevoerd met klager over de behandeling.
Er
zijn weliswaar momenten geweest waarop de communicatie tussen de huisarts en klager
minder soepel
verliep, maar aanknopingspunten voor de stelling dat de huisarts klager niet of
onvoldoende heeft
geïnformeerd over de behandeling en ontwikkelingen, waardoor er geen sprake was
van informed
consent, heeft het college in de stukken niet kunnen vinden.
5.6 Uit de aantekeningen in het dossier blijkt dat de huisarts klager op 5 januari
2024 uitleg
heeft gegeven en alarmsymptomen met hem heeft besproken. Ook op 26 januari 2024
heeft de huisarts
klager uitleg gegeven met betrekking tot de aanhoudende klachten van hoofdpijn.
Ook heeft de
huisarts uitgelegd waarom er geen indicatie was voor een MRI-scan, waar klager om
vroeg. Ondanks
dat klager volgens het medisch dossier erg opgefokt was en dwingend was in het contact,
heeft de
huisarts klager geïnformeerd. Verder heeft de huisarts op 29 januari 2024 een zeer
uitgebreid
gesprek gehad met klager. Ook heeft zij besproken dat zij klager, ondanks het feit
dat er geen
medische indicatie voor was, naar de neuroloog zou verwijzen omdat hij zich zorgen
bleef maken. De
huisarts heeft verder genoteerd dat klager het fijn vond dat hij naar de neuroloog
mocht en bij de
huisarts wilde blijven, ondanks de klacht die hij had ingediend. Klager gaf aan
heel erg bezorgd te
zijn, maar verder tevreden te zijn over de huisarts. Ook het gesprek dat de huisarts
op 26 april
2024 had, is volgens de aantekeningen een uitgebreid gesprek geweest. Het consult
op 22 juli 2024
verloopt volgens de aantekeningen in het dossier moeizaam, maar de huisarts heeft
samen met de
psycholoog aan klager uitleg gegeven over het aanhouden van de klachten. Derhalve
is er geen
aanwijzing om aan te nemen dat de informatievoorziening door de huisarts richting
klager niet
voldoende is geweest, en dat daarom geen sprake zou zijn van informed consent.
Klachtonderdeel c) afspraken niet nagekomen/klager niet verder geholpen
5.7 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel onvoldoende door klager
is onderbouwd.
Klager heeft geen voorbeelden genoemd van afspraken die niet zijn nagekomen. Het
college kan dan
ook niet vaststellen dat er sprake is geweest van onzorgvuldig of verwijtbaar handelen
door de
huisarts. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel d) verkeerde diagnose/onjuiste behandeling
5.8 Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Het college ziet geen aanwijzing voor
de stelling dat de
huisarts een onjuiste diagnose heeft gesteld en/of klager een onjuiste behandeling
heeft gegeven.
De huisarts heeft blijkens het medisch dossier op 5 januari 2024 voldoende uitgevraagd
en heeft
terecht de diagnose hersenschudding kunnen stellen en is vervolgens ook een juiste
behandeling
gestart. De diagnose is later ook door een collega- huisarts bevestigd.
Klachtonderdeel e) onvoldoende informatie verstrekt aan klager over behandeling
5.9 Op basis van het medisch dossier heeft het college geen aanknopingspunten
kunnen vinden die
kunnen leiden tot gegrondheid van dit klachtonderdeel. Het college ziet in het medisch
dossier
juist terug dat de huisarts telkens overleg heeft gevoerd met klager en dat klager
akkoord is
gegaan met het ingestelde beleid. Het college verwijst hierbij ook naar wat ten
aanzien van
klachtonderdeel b) is geoordeeld. Dit klachtonderdeel is daarom ook ongegrond.
Klachtonderdeel f) onjuiste verklaring/onjuist rapport
5.10 Het college kan hier niet vaststellen dat er sprake is geweest van onzorgvuldig
of
verwijtbaar handelen door de huisarts. Klager heeft namelijk niet nader onderbouwd
op welke
verklaring of rapport van de huisarts dit klachtonderdeel betrekking heeft. Dit
klachtonderdeel kan
daarom ook niet slagen.
Klachtonderdeel g) verkeerde medicijnen voorgeschreven of verstrekt
5.11 Aangezien uit het medisch dossier van klager niet is gebleken dat de huisarts
aan klager
medicatie heeft verstrekt en/of voorgeschreven, treft dit klachtonderdeel geen doel.
Klager heeft
verder ook niet gespecificeerd om welke medicatie het zou gaan en wanneer deze zou
zijn
voorgeschreven of zou zijn verstrekt. Het college is overigens van oordeel dat terughoudendheid
bij
het voorschrijven van pijnmedicatie is aan te bevelen. Dat de huisarts, zoals zij
heeft aangevoerd
in haar verweer, klager heeft verwezen naar het gebruik van paracetamol acht het
college dan ook
toereikend en passend.
Klachtonderdeel h) ten onrechte niet doorverwezen
5.12 Het medisch dossier wijst aan dat de huisarts klager wel heeft doorverwezen.
Op 29 januari
2024 heeft de huisarts klager verwezen naar een neuroloog. Op 11 maart 2024 wordt
klager door de
huisarts verwezen naar de endocrinoloog. Op 26 april 2024 heeft de
huisarts klager een verwijzing naar de fysiotherapeut aangeboden. Ook heeft de huisarts
op 22 juli
2024 klager aangeboden klager nog eenmalig te verwijzen naar de neuroloog.
Derhalve kan het verwijt dat de huisarts klager ten onrechte niet heeft doorverwezen,
niet slagen.
Slotsom
5.13 Alle onderdelen van de klacht zijn kennelijk ongegrond.
Kostenveroordeling
5.14 Klager heeft verzocht de huisarts te veroordelen in de proceskosten die hij
heeft gemaakt in
deze procedure. Op grond van artikel 69 lid 5 Wet BIG is een kostenveroordeling
mogelijk als het
college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel
oplegt. Nu
de klacht ongegrond is, wordt het verzoek van klager afgewezen.
6. De beslissing
Het college:
-verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 3 september 2025 door T. Dohmen, voorzitter, E. Jansen
en
N.B. van der Maas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Karatepe, secretaris,
en in het
openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk.