ECLI:NL:TGZRSHE:2025:105 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7477

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:105
Datum uitspraak: 03-09-2025
Datum publicatie: 03-09-2025
Zaaknummer(s): H2024/7477
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in klacht tegen verpleegkundige. Patiënte klaagt over onjuiste diagnostiek, onjuiste behandeling en eenzijdige beëindiging van de behandelingsovereenkomst. Geen behandelrelatie. Verweerder heeft niet gehandeld in zijn hoedanigheid van verpleegkundige. Geen weerslag op de individuele gezondheidszorg. Het handelen kan niet worden getoetst aan de eerste en tweede tuchtnorm.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 3 september 2025 op de klacht van:

[A],
wonende in [B], klaagster,

tegen

[C],
verpleegkundige, werkzaam in [D], verweerder,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Verweerder is sinds 1 juni 2023 werkzaam als teamleider van het verpleegkundig team van de 
kliniek Psychiatrie en Psychologie van een ziekenhuis. Klaagster was sinds september 2022 onder 
behandeling van een psychiater in deze kliniek. Deze behandeling is per 9 november 2023 afgesloten. 
Klaagster heeft in december 2023 een klacht over haar behandeling ingediend bij de 
klachtenfunctionaris van het ziekenhuis. Op 22 mei 2024 vond een gesprek plaats over de klacht van 
klaagster, waarbij de psychiater, de klachtenfunctionaris, het hoofd beveiliging en verweerder 
aanwezig waren. Klaagster verwijt verweerder onjuiste diagnostiek, onjuiste behandeling, afgifte 
van onjuiste documenten en het eenzijdig beëindigen van de behandelingsovereenkomst. Verweerder 
heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in haar klacht. 
Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 1 augustus 2024;
-  het verweerschrift, ontvangen op 6 november 2024;
-  de brief van 26 november 2024 van de secretaris aan klaagster;
-  de brief van 18 december 2024 van klaagster, ontvangen op 19 december 2024;
-  het aanvullend verweerschrift, ontvangen op 21 januari 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De klacht en de reactie van verweerder
3.1  Klaagster verwijt verweerder:
a) onjuiste diagnostiek;
b) onjuiste behandeling;
c) afgifte van onjuiste documenten;
d) het eenzijdig beëindigen van de behandelingsovereenkomst.

3.2   Verweerder heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht 
dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat 
beoordelen, heeft verweerder het college verzocht de klacht kennelijk ongegrond te verklaren.

3.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college

Is klaagster ontvankelijk?
4.1   Verweerder heeft primair naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht. 
Allereerst omdat verweerder niet persoonlijk betrokken is geweest bij de verwijten die genoemd zijn 
in alinea 3.1. Daarnaast stelt verweerder dat de klachtonderdelen niet zien op het handelen van 
verweerder in zijn hoedanigheid van verpleegkundige, waarop zijn BIG- registratie ziet. Verweerder 
heeft als Teamhoofd Kliniek Psychiatrie & Psychologie geen behandelrelatie met klaagster en is in 
die functie ook niet verantwoordelijk voor de behandeling van klaagster. Verweerder heeft op geen 
enkele wijze bemoeienis gehad met medische documenten uit het dossier van klaagster. Verweerder 
heeft klaagster éénmaal ontmoet, tijdens het gesprek dat op 22 mei 2024 plaatsvond naar aanleiding 
van de door klaagster bij het ziekenhuis ingediende klacht. Subsidiair stelt verweerder zich op het 
standpunt dat hem tuchtrechtelijk geen verwijt treft en dat de klacht als kennelijk ongegrond dient 
te worden afgewezen.

4.2   Vanwege het primaire verweer dat is gevoerd, heeft het college allereerst de vraag te 
beantwoorden of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. Het college overweegt daartoe als 
volgt.

Tuchtnormen
4.3   In artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) zijn twee 
normen geformuleerd waaraan het handelen of nalaten van een zorgverlener kan worden getoetst. De 
eerste tuchtnorm heeft betrekking op tekortschieten ten opzichte van een patiënt of de naaste 
betrekking van een patiënt. De tweede tuchtnorm betreft gedragingen die niet onder de eerste norm 
vallen, maar in strijd zijn met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Als algemene 
voorwaarde van het toepassen van de tweede tuchtnorm geldt het al langer door het Centraal 
Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) gehanteerde weerslagcriterium. Dit houdt in dat het 
handelen zijn weerslag moet hebben op de individuele gezondheidszorg.

4.4   Verweerder is teamhoofd van de afdeling waar klaagster onder behandeling was van een 
psychiater. Verweerder verleende geen zorg aan klaagster. Tussen klaagster en verweerder bestond 
geen behandelrelatie. Dit betekent dat het betreffende handelen niet kan worden getoetst aan de 
eerste tuchtnorm.

4.5   De vraag ligt dan voor of het handelen of nalaten van verweerder valt onder de tweede 
tuchtnorm. Volgens vaste jurisprudentie moet in dat geval het handelen of nalaten van verweerder 
voldoende weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg. Verweerder was sinds 1 juni 2023 
werkzaam als teamhoofd van de kliniek. Verweerder was niet werkzaam als verpleegkundige en heeft 
zich bij zijn optreden als teamhoofd niet begeven op het terrein waarop hij de deskundigheid bezit 
waarvoor hij is ingeschreven in het BIG- register. Het handelen van verweerder als teamhoofd heeft 
ook geen enkele directe invloed op de behandeling van klaagster en haar (mentale) gezondheid. 
Daarmee is in dit geval geen sprake van weerslag op de individuele gezondheidszorg. De 
betrokkenheid van verweerder lijkt te zijn beperkt tot het gesprek van 22 mei 2024. Dat gesprek 
heeft echter plaatsgevonden nadat de behandelovereenkomst tussen de psychiater en klaagster al was 
beëindigd. Het ligt dus niet voor de hand dat dit gesprek weerslag heeft gehad op de individuele 
gezondheidszorg en klaagster heeft dat ook niet gesteld. Dit betekent dat het betreffende handelen 
ook niet kan worden getoetst aan de tweede tuchtnorm.

4.6  Het college zal de klacht daarom niet inhoudelijk bespreken en beslissen dat klaagster 
niet-ontvankelijk is.

5. De beslissing
Het college:
-  verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht.


Deze beslissing is gegeven door T. Dohmen, voorzitter, G.J.T. Kooiman en M. IJzerman, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris, en in het openbaar uitgesproken 
door de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op
3 september 2025.