ECLI:NL:TGZRSHE:2025:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7476

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:104
Datum uitspraak: 03-09-2025
Datum publicatie: 03-09-2025
Zaaknummer(s): H2024/7476
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen psychiater. Patiënte klaagt onder meer over onjuiste diagnostiek, onjuiste behandeling en eenzijdige beëindiging van de behandelingsovereenkomst. Intensief behandeltraject met meerdere opnames, poliklinische contacten en ECT-behandeling. Een continu proces waarin diagnostiek plaatsvond. Zorgvuldig psychiatrisch onderzoek. Multidisciplinaire richtlijn Depressie. ECT-behandeling niet te snel gestart. Voldoende ingespannen voor passende nazorg. Beëindiging behandelingsovereenkomst. Geen medische indicatie meer voor voortzetten van de behandeling. Behandel- en begeleidingsmogelijkheden waren uitgeput. Gewichtige reden volgens KNMG-Richtlijn ‘Niet aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 3 september 2025 op de klacht van:

[A],
wonende in [B], klaagster,

tegen

[C],
psychiater
werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster werd in mei 2022 verwezen naar de polikliniek Psychiatrie en Medische Psychologie 
van een ziekenhuis, waar verweerster als psychiater werkzaam is.
In de periode van half september 2022 tot begin november 2023 stond klaagster onder behandeling van 
de psychiater. In die periode vonden meerdere poliklinische contacten plaats en werd klaagster vier 
keer opgenomen. Klaagster verwijt de psychiater onjuiste behandeling, onjuiste diagnostiek, de 
afgifte van onjuiste documenten, het eenzijdig beëindigen van de behandelingsovereenkomst, 
schending van privacywetgeving, schending van zorgvuldige documentatie en schending van haar 
inspanningsverplichting.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 1 augustus 2024;
-  het verweerschrift, ontvangen op 7 november 2024;
-  de bijlagen bij het verweerschrift, ontvangen op 15 november 2024;
-  de e-mail van klaagster van 19 november 2024 met een aanvulling op de klacht;
-  de brief van 26 november 2024 van de secretaris aan klaagster;
-  de brief van 9 december 2024 van de secretaris aan klaagster;
-  de brief van 18 december 2024 van klaagster ontvangen op 19 december 2024;
-  het aanvullend verweerschrift ontvangen op 20 januari 2025;
-  het proces-verbaal van het op 22 april 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
-  het addendum op het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van de secretaris.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   In verband met Somatisch Onvoldoende Verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK) werd klaagster 
in mei 2022 naar de polikliniek Psychiatrie en Medische Psychologie verwezen. Na een intake door 
een klinisch psycholoog op 22 augustus 2022, verrichtte verweerster psychiatrisch onderzoek bij 
klaagster. Zowel de klinisch psycholoog als verweerster onderzochten de eventuele aanwezigheid van 
een depressie. Zij concludeerden allebei dat daar op dat moment geen sprake van was.

3.2   Klaagster werd van 29 september 2022 tot en met 23 december 2022 op vrijwillige basis 
opgenomen op de afdeling psychiatrie. In de ontslagbrief schreef verweerster aan de huisarts van 
klaagster (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“Samenvatting
31-jarige vrouw bekend met autisme en een eetstoornis, werd opgenomen in verband met herhaaldelijk 
overbelast raken. Aanvankelijk werd gekeken of er onderliggend nog psychiatrisch beeld ter 
verklaring hiervan staat echter werd er geen geconstateerd en herhaaldelijke klachten werden 
toegeschreven aan autisme met beperkt coping vermogen. (…). Pas na 2 maanden viel op dat de reden 
voor omvallen niet zo zeer verschillende SOLK klachten zijn, maar migraine met aura, die haar voor 
1 week elke keer uitschakelt waardoor ze op dat moment door wanhoop een sterke doodswens heeft. In 
overleg met de neuroloog zijn we gestart met sumatriptan, waarmee de klachten goed onder controle 
zijn. Uiteindelijk kon ze op 23-12 in stabiele conditie met ontslag.
Beleid/nazorg
-Nazorg: patiënte gaat voor 4 dagen/week naar de overbruggende deeltijd bij ons in het ziekenhuis. 
Nadien zal ze poliklinisch vervolgd worden via de poli van [naam
verweerster].”(…)
Beloop
(…) De laatste weken nam patiënte al deel aan de overbruggende deeltijd alhier om voor haar de 
overgang naar ontslag soepeler te laten verlopen. Uiteindelijk ging ze op 23-12 met ontslag. Ze gaf 
aan tevreden te zijn over het verloop en ze heeft haar behandeldoelen
behaald.”

3.3   Klaagster werd van 4 januari 2023 tot 18 januari 2023 voor een tweede maal opgenomen. In de 
ontslagbrief aan de huisarts staat hierover opgenomen:
“Samenvatting
(…). Sinds 04-01 opnieuw opgenomen vanwege toename suïcidaliteit thuis t.g.v. opnieuw onderuit gaan 
bij toenemende somberheid en migraine (…). Uiteindelijk gestabiliseerd op de afdeling, in stabiele 
conditie met ontslag gegaan. Patiënte is op dat moment overtuigd van het feit dat haar klachten in 
remissie zullen blijven. Er is een crisisplan over de te nemen stappen als de somberheid toch weer 
op speelt.”

3.4   Er volgde een derde opname van 15 maart 2023 tot 5 april 2023. Tijdens deze periode was 
klaagster somber, inactief en deed suïcidale uitspraken. Zij werd op 20 maart 2023 overgeplaatst 
naar de besloten afdeling. In het voortgangsverslag van die dag staat als conclusie opgenomen: “pte 
bekend met ASS en mogelijke depressieve episode met oplopende wanhoop met daarbij toename in 
suicidale uitingen bij pt bekend met langdurige suicidaliteit.” In de ontslagbrief aan de huisarts 
staat onder meer vermeld:
“Samenvatting
(…) Eerdere opnames leidden uiteindelijk wel tot een gestabiliseerde situatie, maar patiënte 
vervalt vaak in alles of niets denken. Er is een crisisplan over de te nemen stappen als de 
somberheid toch weer op speelt, maar het lukt niet altijd goed dit toe te passen vanwege de 
plotselinge omslag. Gedurende de opname werd gestart met sertraline. Aanvankelijk leek sprake van 
enige verbetering, maar uiteindelijk nam suicidaliteit, wanhoop en acting-out toe, waarbij steeds 
meer restrictie noodzakelijk was, zonder dat dit de klachten deed afnemen.
Daarom werd in overleg met patiënte besloten de opname te beëindigen, waarbij zorg
ambulant intensief zal worden voortgezet.”
Klaagster kreeg voor zeven dagen medicatie mee, een crisisplan en een dagplanning voor de dagen na 
het ontslag. De nazorg bestond uit intensieve opvolging bij de overbruggende deeltijdbehandeling en 
poliklinische contacten met verweerster.

3.5   Tijdens een gesprek op 11 april 2023 besprak verweerster de opties voor een 
vervolgbehandeling met klaagster en haar moeder. Een van de mogelijkheden om de depressie te 
behandelen was electroconvulsieve therapie (hierna: ECT). Diezelfde dag besprak verweerster de 
situatie van klaagster in het ECT-overleg. Verweerster informeerde klaagster over de uitkomst van 
dit overleg, waarin ECT als behandeloptie werd goedgekeurd. Klaagster ging hiermee akkoord, evenals 
met de voorgestelde medicatiewijziging.

3.6   Klaagster werd opnieuw opgenomen van 20 april 2023 tot en met 5 juni 2023 vanwege toenemende 
somberheid en suïcidaliteit. Tijdens deze opname werd ECT gestart en vond omzetting van 
antidepressieve medicatie plaats. Wekelijks werd een vragenlijst afgenomen (Inventory of 
Depressieve Symptomatology Self Report, hierna: IDS) om de ernst van de depressie te meten. Over de 
behandeling staat in de ontslagbrief aan de huisarts genoteerd:

“Beloop tijdens opname
Patiënte is gestart met ECT op 2-5, IDS pas ingevuld op 11-5 om situatie voor start ECT weer te 
geven toen 44, van 12-5 is 30 en huidige ISD44. Wisselend beeld tav IDS wat niet overeenkomt met 
klinisch beeld, waarin stijgende lijn gezien wordt maar patiënte nog niet op oude niveau is. 
Patiënte benoemd na 3/4e ECT al forse verbetering te bemerken. Heeft het
zelf over alweer staken van ECT en retour huis. (…) In het MDO voor ECT besproken en
besloten dat dat er nog verbetering zichtbaar is, ECT wordt voortgezet. Vanwege
onvoldoende effect van sertraline is deze omgezet op venalfaxine (…).”

3.7  Van 5 juni 2023 tot 9 november 2023 was klaagster poliklinisch onder controle van verweerster.

3.8   Op 12 december 2023 sprak verweerster klaagster samen met haar moeder om nogmaals uitleg te 
geven over de reden van afsluiten van de behandeling bij verweerster en over de voorgestelde 
alternatieven. Met toestemming van klaagster informeerde verweerster de huisarts. In de afsluitende 
brief van 12 december 2023 aan de huisarts staat onder meer genoteerd: “Zoals reeds mondeling 
besproken is de behandeling van patiënte na een uitgebreid behandeltraject alhier op 9 november 
afgerond.
Patiënte is behandeld voor een depressie iez. bij co morbide autisme problematiek. (…) Op 9 
november heeft patiënte het laatste contact met mij gehad; we hebben goed terug kunnen kijken met 
patiënte en moeder over de afgelopen periode (…)
Tav de medicatie
(…)
Gezien de voorgeschiedenis, de familiaire belasting en de ernst van de depressieve klachten
adviseer ik langdurig antidepressieve medicatie als preventie voor te schrijven.”

3.9   Na afronding van de behandeling zocht klaagster nog vele malen contact met de afdeling. Gelet 
op de frequentie en aard van deze contacten ontving klaagster van de afdeling beveiliging van het 
ziekenhuis op 20 december 2023 een officiële waarschuwing.

3.10  Naar aanleiding van een door klaagster op 15 december 2023 bij het ziekenhuis ingediende 
klacht over haar behandeling, heeft verweerster op verzoek van de klachtenfunctionaris schriftelijk 
op deze klacht gereageerd.

4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1  Klaagster verwijt de psychiater:
1) onjuiste diagnostiek
2) onjuiste behandeling (geen onderzoek naar depressie);
3) afgifte van onjuiste documenten, te weten: documenten van andere patiënten;
4) eenzijdige beëindiging van de behandelingsovereenkomst;
5) dat zij zonder expliciete toestemming persoonlijke gegevens naar andere instanties heeft 
gestuurd;
6) dat de inhoud van het dossier onduidelijke informatie bevat, waardoor onjuiste zorg is geleverd.

4.2  De psychiater heeft het college verzocht de klacht kennelijk ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een 
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2  Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdelen 1) onjuiste diagnostiek en 2) onjuiste behandeling (geen onderzoek naar depressie)
5.3  Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.4   Klaagster stelt dat zij tijdens de eerste opname last had van zowel somatische als 
depressieve klachten, maar dat uitsluitend de somatische klachten zijn behandeld en dat er geen 
onderzoek plaatsvond naar haar depressieve klachten. Ook tijdens de tweede en derde opname werd 
hier geen onderzoek naar gedaan. Pas tijdens de vierde opname, in april 2023, werd aandacht besteed 
aan de depressieve klachten van klaagster. Klaagster is tijdens die vierde opname behandeld met 
ECT. Voorafgaand aan die behandeling is de richtlijn echter niet gevolgd; de stappen 2, 3 en 4 van 
de keuzevolgorde farmacotherapie zijn overgeslagen en er is gestart met ECT zonder dat eerst minder 
ingrijpende behandelingen zijn geprobeerd. Klaagster kreeg na die ECT-behandeling ernstige 
bijwerkingen, maar ontving geen passende nazorg.

5.5   Verweerster betwist dat er sprake zou zijn van onjuiste diagnostiek en/of onjuiste 
behandeling. Klaagster is de eerste keer opgenomen voor een diagnostisch traject. In dit traject is 
sprake geweest van zorgvuldige anamnese, hetero anamnese en observaties van zowel verweerster als 
van het team. Ter uitsluiting van somatische oorzaken is passend aanvullend onderzoek verricht, 
bestaande uit neurologisch onderzoek en laboratorium onderzoek. Klaagster is verwezen naar de 
neuroloog en daarnaast is zij medicamenteus behandeld. Bij de tweede opname waren er geen nieuwe 
gezichtspunten die een indicatie waren voor verdere diagnostiek naar de depressieve klachten. Bij 
de derde opname werd besloten om de werkhypothese comorbide depressie te hanteren. Ter bestrijding van de depressie werd de medicatie van klaagster aangepast, waarna als vervolgstap en conform het depressieprotocol een 
omzetting van de medicatie werd aangeboden. Gezien de ernst van de klachten van klaagster, is de 
optie van ECT in deze fase van de behandeling naar voren geschoven. Nadat in het ECT-overleg deze 
behandeloptie werd goedgekeurd, is deze aan klaagster aangeboden. Klaagster ging akkoord met de 
ECT-behandeling, die tijdens de vierde opname plaatsvond. Na een ECT-behandeling worden alle 
patiënten standaard gezien op de ECT-nazorgpoli. Hoewel dit gedeelte van nazorg bij klaagster om 
onduidelijke redenen niet tot stand is gekomen, heeft wel andere nazorg plaatsgevonden. Zo werd 
klaagster aansluitend op de ECT verwezen naar de overbruggende deeltijdbehandeling voor intensieve 
opvolging. Daarnaast was er tijdens de poliklinische contacten aandacht voor de geheugenklachten 
van klaagster en werd met haar besproken naar welke externe instelling zij kon worden doorverwezen 
ter behandeling van haar neuropsychiatrische klachten.
Klaagster zag echter af van deze doorverwijzing.

5.6   Het college oordeelt als volgt. Het verloop van het zeer intensieve behandeltraject van 
klaagster is vastgelegd in het patiëntendossier. Het college gaat uit van de juistheid van de 
daarin opgenomen aantekeningen, nu niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat de aantekeningen 
niet in overeenstemming zijn met de feitelijke gang van zaken. Op basis van dit dossier komt het 
college tot het oordeel dat de klachten van klaagster op zorgvuldige wijze zijn onderzocht en 
behandeld. Anders dan klaagster stelt, was al tijdens de eerste opname aandacht voor haar 
depressieve klachten; de verrichte diagnostiek naar depressieve kenmerken boden echter geen 
aanknopingspunten voor een depressieve stoornis. Uit de aantekeningen van de daarop volgende 
opnames valt op te maken dat sprake was van een continu proces waarin diagnostiek plaatsvond. Op 
basis van de bevindingen van deze procesdiagnostiek vond(en) heroverweging(en) plaats, werd de 
werkdiagnose comorbide depressieve stoornis toegevoegd en werd medicatie gestart en aangepast.

5.7   Van een te snelle start van de ECT-behandeling is geen sprake. Conform de - destijds geldende 
- Multidisciplinaire richtlijn Depressie (2013) mag in ernstige situaties van het stappenplan 
worden afgeweken. Gezien de ernst van de suïcidaliteit van klaagster, heeft verweerster deze 
behandeloptie bewust en gemotiveerd naar voren geschoven en in het
ECT-overleg besproken alvorens deze aan klaagster aan te bieden. Bovendien is de ECT- behandeling 
in overleg met klaagster gestart.

5.8   Voor zover klaagster klaagt over onvoldoende nazorg na de ECT-behandeling, oordeelt het 
college als volgt. Vast staat dat klaagster om onbekende redenen niet op de ECT-nazorgpoli is 
geweest, terwijl dat wel het standaard beleid in het ziekenhuis was. Dat betekent echter niet dat 
er sprake is geweest van onvoldoende of onzorgvuldige nazorg. Het college laat in het midden of het 
versturen van de uitnodiging voor de ECT-nazorgpoli onder de verantwoordelijkheid van de psychiater 
valt. In aansluiting op de ECT-behandeling vond er nazorg plaats in de vorm van poliklinische 
controles bij verweerster (van 5 juni 2023 tot 9 november 2023), waarbij de geheugenklachten onderwerp van gesprek waren. Tevens kreeg klaagster intensieve ondersteunende nazorg in de vorm van deelname aan de overbruggende deeltijdbehandeling. 
Ook sprak verweerster met klaagster over de mogelijkheden van een vervolgbehandeling bij 
verschillende expertisecentra en heeft zij klaagster bij meerdere centra aangemeld. Naar het 
oordeel van het college heeft verweerster zich in voldoende mate ingespannen voor passende nazorg 
aan klaagster.

5.9   Al met al is het college van oordeel dat zorgvuldig psychiatrisch onderzoek plaatsvond. Ook 
de verdere behandeling door verweerster kenmerkt zich door zorgvuldige toepassing van professionele 
maatstaven. Uit het voorgaande volgt dat van onjuiste diagnostiek en onjuiste behandeling geen 
sprake is. In het medisch dossier zijn hiervoor overigens ook geen aanwijzingen gevonden. Deze 
klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 3) afgifte van onjuiste documenten
5.10  Klaagster stelt dat in haar medisch dossier zich documenten bevinden die toebehoren aan 
andere patiënten, hetgeen een ernstige schending van privacy is.

5.11  Volgens verweerster mist dit klachtonderdeel feitelijke grondslag, omdat in het dossier van 
klaagster geen documenten van andere patiënten zijn aangetroffen.

5.12  De stelling van klaagster dat er documenten van andere patiënten in haar dossier aanwezig 
zijn, is door klaagster in het geheel niet onderbouwd en mist voor het overige ook feitelijke 
grondslag. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 4) eenzijdige beëindiging behandelingsovereenkomst
5.13  Volgens klaagster is de behandelingsovereenkomst eenzijdig door verweerster beëindigd. 
Klaagster stond niet achter de afsluiting van de behandeling.

5.14  Verweerster stelt zich op het standpunt dat er geen medische indicatie meer was voor het 
voortzetten van de behandeling. In de ondersteuning die verweerster kon bieden, was het maximale 
bereikt. Ook de behandel- en begeleidingsmogelijkheden van de afdeling waren uitgeput. Verweerster 
heeft klaagster passende specialistische vervolgbehandelingen voorgesteld en aangeboden. Klaagster 
was ook akkoord met de verwijzing naar een andere instelling. Verweerster mocht de 
behandelingsovereenkomst beëindigen.

5.15  Het college stelt vast dat verweerster meerdere keren met klaagster heeft gesproken over het 
niet meer passend zijn van de behandeling van klaagster. Verweerster heeft klaagster gewezen op de 
diverse mogelijkheden van doorverwijzing naar andere instellingen voor specialistische 
vervolgbehandeling. Uiteindelijk is klaagster, zij het schoorvoetend, akkoord gegaan met het 
voorstel van verweerster voor een vervolgbehandeling elders. Dat klaagster na het intakegesprek bij de andere instelling uiteindelijk niet gestart is met de vervolgbehandeling, doet daar niet aan af.

5.16  Zelfs al zou klaagster niet akkoord zijn gegaan met de afsluiting van de behandeling, dan nog 
was verweerster gerechtigd de behandelingsovereenkomst eenzijdig te beëindigen. Hiervoor is artikel 
3.1 van de KNMG-Richtlijn ‘Niet aangaan of beëindiging van de geneeskundige 
behandelingsovereenkomst’ van januari 2021 (hierna: de richtlijn) van belang. Hierin staat 
beschreven onder welke omstandigheden een arts de behandelingsovereenkomst kan opzeggen. De vijf 
meest voorkomende gewichtige redenen zijn:
a. De aard en/of omvang van de hulpvraag wijzigt wezenlijk en gaat de expertise of de mogelijkheden 
van de arts te buiten.
b. De patiënt vertoont zeer onheus of agressief gedrag.
c. De arts heeft een ernstig conflict met de patiënt en/of de patiënt wil niet meewerken aan de 
behandeling.
d. De patiënt weigert voortdurend de rekening te betalen.
e. De arts heeft een aanzienlijk belang bij het beëindigen van de behandelingsovereenkomst.

5.17  Het verloop van de behandeling van klaagster is door de aantekeningen in het medisch dossier 
goed te volgen. Op grond van die aantekeningen staat voor het college vast dat er geen medische 
indicatie meer was voor de door verweerster aan klaagster te verlenen zorg. Er konden door haar en 
de afdeling geen verdere resultaten meer worden behaald. De noodzakelijke behandeling en 
begeleiding kon niet meer vanuit de afdeling van verweerster worden geboden. De hulpvraag van 
klaagster was dusdanig gewijzigd, dat dit de expertise of de mogelijkheden van verweerster te 
buiten ging. Verweerster was dan ook op grond van artikel 3.1 sub a) van de richtlijn gerechtigd om 
de behandeling te beëindigen. Verweerster heeft daarbij ruim voldoende aandacht besteed aan een 
zorgvuldige overdracht. Zij heeft de medicamenteuze ondersteuning overgedragen aan de andere 
instelling en de huisarts van klaagster hierover geïnformeerd. Ook ten aanzien van de begeleiding 
in de thuissituatie heeft verweerster zorggedragen voor een warme overdracht. Daarnaast heeft 
verweerster opengestaan voor de vragen die klaagster had en is zij ook na de afsluiting van de 
behandeling open blijven staan voor de dialoog met klaagster. Dit klachtonderdeel is kennelijk 
ongegrond.

Klachtonderdeel 5) het sturen van persoonlijke gegevens naar andere instanties
5.18  Volgens klaagster heeft verweerster de persoonlijke gegevens van klaagster doorgestuurd naar 
meerdere instanties, wat een inbreuk op haar privacy is.

5.19  Verweerster geeft aan dat de voortgang van de behandeling van klaagster en de aanmelding voor 
mogelijke vervolginstanties met klaagster zijn besproken. In overleg met klaagster heeft zij 
klaagster aangemeld bij de geïndiceerde instanties. De voor deze aanmelding benodigde relevante en noodzakelijke gegevens van klaagster, heeft verweerster aan deze instanties verstrekt.

5.20  In het verlengde van wat in alinea 5.15 is overwogen, stelt het college vast dat verweerster 
in overleg met klaagster de voor de aanmelding relevante gegevens van klaagster heeft verstrekt. 
Van het verstrekken van gegevens zonder benodigde expliciete (schriftelijke) toestemming van 
klaagster is dan ook geen sprake. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 6) onduidelijke informatie in het dossier
5.21  Klaagster stelt dat de inhoud van de door verweerster gestuurde brieven onjuist is. Daardoor 
zou de juiste zorg aan klaagster onthouden zijn.

5.22  Verweerster betwist dat de inhoud van de brieven onjuist is.

5.23  Dat klaagster een andere mening heeft over de inhoud van de door verweerster gestuurde 
brieven, wil niet zeggen dat de inhoud van de brieven onjuist is. Door klaagster is niet of 
onvoldoende onderbouwd waarom de inhoud niet juist zou zijn. Het standpunt van verweerster wordt 
daarentegen door de dossieraantekeningen ondersteund. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk 
ongegrond.

Slotsom
5.24  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door T. Dohmen, voorzitter, L.A.J. Stouthamer-Verschuren en R.J.M. 
Lardinois, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris en in het openbaar 
uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 3 september 2025.