ECLI:NL:TGZRSHE:2025:103 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7541
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:103 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-08-2025 |
| Datum publicatie: | 27-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7541 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen specialist longgeneeskunde. De echtgenoot van klaagster had longkanker. Klaagster verwijt verweerder dat kort na de behandeling met chemotherapie en bestraling, tegen zijn wens in en zonder controle van zijn eiwitwaardes, is gestart met immuuntherapie, waarna hij een maand later snel achteruit is gegaan en is overleden. Klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 27 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
specialist longgeneeskunde,
werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend over de zorgverlening aan haar echtgenoot
(hierna:
patiënt), die is overleden. Patiënt had longkanker en is daarvoor behandeld met
chemotherapie en
bestraling. Klaagster verwijt verweerder dat kort na die behandelingen, tegen de
wens van patiënt
in en zonder controle van zijn eiwitwaardes, is gestart met immuuntherapie, waarna
patiënt een
maand later snel achteruit is gegaan en is overleden. Zij verwijt verweerder ook
dat zij niet op
tijd is gebeld om nog afscheid te kunnen nemen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht,
maar de klacht
kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen
aan de partijen te
stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna
licht het
college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2024;
- de brief van de secretaris aan klaagster, van 13 september 2024;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 28 oktober 2024;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de aanvullende informatie, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 26
maart 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht, samen met de gelijkluidende klacht in de zaak met
dossiernummer
H2024/7779, in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld
heeft op basis
van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 In februari 2024 is na onderzoek in het ziekenhuis vastgesteld dat bij patiënt
sprake was van
een tumor (niet-kleincellig plaveiselcelcarcinoom) in de linkerlong van 82 mm. Patiënt
was toen 73
jaar.
3.2 Verweerder was destijds in het ziekenhuis werkzaam als specialist longgeneeskunde
en
supervisor op de polikliniek longgeneeskunde. Verweerder in de zaak met dossiernummer
H2024/7779
(hierna: de AIOS longgeneeskunde) was daar werkzaam als assistent longarts in zijn
derde jaar van
de opleiding tot longarts.
3.3 Op 19 februari 2024 is patiënt besproken in het multidisciplinair overleg (hierna:
MDO) van
de thoraxoncologie van het ziekenhuis, waarbij het beleid is bepaald. Daarna is
patiënt behandeld
met chemotherapie en bestraling.
3.4 Op 9 april 2024 is een CT-thorax bij patiënt verricht. Daaruit is gebleken
dat de tumor in de
long na deze behandelingen was geslonken tot 38 mm.
3.5 Op 15 april 2024 heeft patiënt het poliklinische spreekuur bezocht van een collega
van de
AIOS longgeneeskunde. Tijdens dit consult zijn de bevindingen van de CT-scan besproken
en is
voorgesteld te starten met immuuntherapie (met het middel durvalumab). In het medisch
dossier is,
voor zover van belang, genoteerd (alle citaten zijn inclusief eventuele taal- en
typfouten):
“(…)
A: meer hoesten, droge ogen, eczeem op de wang en toename tremor. Vragen over dendritisceltherapie.
(…)
Conclusie
NSCLC PCC cT4NOMO massa in de linkerbovenkwab, stadium IIIa, wv cCRTx in sneltraject
Evaluatie na K1.
Beleid voorbesproken met [college: naam verweerder]
- start adjuvant durvalumab, traject aangelegd, kuur 1 vrijgegeven
- co poli + lab hier prikken over 4 weken”.
3.6 Op 22 april 2024 heeft patiënt de eerste dosis durvalumab gekregen.
3.7 Op 17 mei 2024 heeft patiënt het poliklinische spreekuur van de AIOS longgeneeskunde
bezocht
vanwege toenemende hoest- en benauwdheidsklachten. In het medisch dossier is genoteerd:
“(…)
Conclusie
(…)
Acuut progressieve dyspneu en hoesten met verhoogde levertesten, dd infectieus,
dd pneumonitits dd
le
levertesten iom mdl arts nu parainfectieus duiden en nog geen prednison, bij persisterend
afwijkend
danopnieuw overleg en over 1w om eventueel steroiden te starten
Beleidiom. [naam collega longarts/supervisor]
- kuur 1w uitstellen
- nu naar spoedsroom
(…)”.
Op de spoedstroom longoncologie is een CTA-thorax gemaakt. Daarop zijn geen aanwijzingen
gezien
voor een longembolie of -ontsteking. Patiënt heeft antibiotica gekregen.
3.8 Op 20 mei 2024 heeft patiënt de Spoedeisende Hulp longgeneeskunde bezocht vanwege
toenemende
benauwdheidsklachten. De AOIS longgeneeskunde heeft patiënt onderzocht en in overleg
met een
longarts/supervisor besloten tot opname en behandeling met prednison en bevespi/ventolin.
In het
medisch dossier is genoteerd:
“(…)
Conclusie en Beleid:
(…)
1. Forse progressieve dyspneu DD AECOPD danwel toch een immuungemedieerde pneumonitis
2. Toenemende verhoogde leverenzymmen dd medicamenteus/parainfectieus DD immuungemedieerde
hepatitis
(…)”.
3.9 In de dagen daarna is patiënt door collega’s van de AIOS longgeneeskunde en
verweerder en ook
door artsen van andere disciplines onderzocht. Patiënt heeft geen tweede dosis durvalumab
gekregen.
Ondanks ingezette vervolgbehandelingen verslechterde de situatie van patiënt.
3.10 Op --- is het bewustzijn van patiënt steeds verder afgenomen als gevolg van
een verhoogd
koolzuurgehalte in het bloed (hypercapnie), waarvan de oorzaak onduidelijk was.
Klaagster is telefonisch verzocht om naar het ziekenhuis te komen. Later die dag is
patiënt
overleden.
4. De klacht en de reactie daarop
4.1 Klaagster verwijt verweerder dat:
a) tegen de wens van patiënt gestart is met een behandeling met immuuntherapie;
b) er geen onderzoek is gedaan naar eiwitwaardes om te controleren of patiënt in
aanmerking kwam
voor de immuuntherapie;
c) patiënt is overleden als gevolg van de immuuntherapie;
d) klaagster niet op tijd is gebeld om nog afscheid te kunnen nemen van patiënt.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Het is verdrietig dat patiënt door het ziekteverloop na de chemotherapie en
de bestraling in
korte tijd snel achteruit is gegaan en uiteindelijk is overleden. Begrijpelijk is
dat dat
emotioneel zwaar is (geweest) voor klaagster. Dat neemt niet weg dat het college
in deze tuchtzaak
moet beoordelen of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden en dat is
een zakelijke toetsing. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende
specialist
longgeneeskunde. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor verweerder
geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt
dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen en dat het
gevolg van hun
handelen bij de beoordeling buiten beschouwing blijft.
De bespreking van de klacht(onderdelen)
5.2 Vanwege de samenhang tussen de verschillende klachtonderdelen zal het college
deze gezamenlijk
bespreken.
5.3 De klacht van klaagster houdt in de kern in dat op ongefundeerde gronden is
besloten tot
behandeling met immuuntherapie, waarbij voorbij is gegaan aan de wens van patiënt
en geen gedegen
vooronderzoek is gedaan, en dat patiënt als gevolg daarvan is overleden.
5.4 Klaagster heeft ter onderbouwing van haar klacht aangevoerd dat de arts van
de kliniek waar
patiënt is bestraald, had voorgeschreven om na de laatste bestraling zes à zeven
weken te wachten
voor rust en herstel. Daarna zou een scan worden gemaakt om de situatie opnieuw
te beoordelen. De
vooruitzichten waren volgens die arts zeer goed. Toen patiënt twee weken later een
afspraak in het
ziekenhuis had, is volgens klaagster op patiënt ingepraat en gezegd dat zo snel
mogelijk met
immuuntherapie moest worden gestart om uitzaaiingen te voorkomen. Daarbij is niet
gevraagd of
patiënt dat wenste en geen uitleg gegeven over de risico’s. Verweerder was niet
bij dat consult aanwezig. Klaagster heeft erop gewezen dat eerst de eiwitwaardes onderzocht
moesten worden om te bepalen of patiënt wel met die
therapie zou kunnen starten. Dat is volgens haar niet gedaan, terwijl dat van cruciaal
belang was.
Later bleek namelijk dat deze therapie dodelijk was voor patiënt. Twee dagen na
de eerste dosis kreeg hij al klachten. Een paar weken later werd hij zo ziek dat hij
moest worden opgenomen. In de dagen daarna ging het steeds slechter en kreeg hij lever-,
schildklier- en nierfalen. Toen klaagster op --- in het ziekenhuis kwam, kreeg ze
hem niet meer wakker en daarna is hij overleden.
5.5 Verweerder heeft aangevoerd dat het beleid is bepaald in het MDO en dat het
gevoerde beleid
in lijn was met de geldende (ESMO-)richtlijn uit 2021. Daarin volgt het college
verweerder. Die
richtlijn schrijft bij de behandeling van een tumor van dit type in stadium 3 voor
om aanvullend te
behandelen met durvalumab en adviseert om binnen een termijn van maximaal zes weken
na de chemo- en
radiotherapie daarmee te starten. Het college is niet gebleken dat er aanwijzingen
waren om de
richtlijn in het geval van patiënt niet te volgen. Verweerder heeft in dit verband
aangevoerd dat
er wel voorafgaand onderzoek is gedaan naar de eiwitwaardes van patiënt. Volgens
verweerder is op
16 februari 2024 weefsel bij patiënt afgenomen en gecontroleerd op PD-L1 zoals de
(ESMO-)richtlijn
adviseert. Dit verweer wordt ondersteund door het medisch dossier van patiënt. Daaruit
blijkt van
een bij patiënt gemeten waarde “PD-L1: TC 25 tot <50%”. Verweerder heeft er verder
terecht op
gewezen dat eiwitwaardes niet bepalend zijn voor de keuze om wel of niet te starten
met durvalumab
bij dit type longkanker in stadium 3. Bovendien was de betreffende eiwitwaarde in
het geval van
patiënt verhoogd en daarmee goed. Nu conform de richtlijn is gehandeld, kan niet
worden
geconcludeerd dat er een onaanvaardbaar risico op schadelijke en daardoor mogelijk
fatale gevolgen
is genomen door binnen drie weken na de laatste bestraling bij patiënt te starten
met de
immuuntherapie.
5.6 Verweerder heeft verder aangevoerd dat het voorstel om te starten met immuuntherapie
tijdens
een poliklinisch spreekuur in april 2024 met patiënt is besproken door een AIOS
longgeneeskunde.
Die AIOS heeft het spreekuur zelfstandig gedaan, nadat het beleid om te starten
met de durvalumab
vooraf was afgestemd met verweerder in zijn rol als supervisor. Dit verweer wordt
ondersteund door
de notities in het medisch dossier van patiënt, die hiervoor zijn weergegeven onder
3.5. Dat
verweerder niet bij dat consult aanwezig is geweest, is naar het oordeel van het
college niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder was als specialist longgeneeskunde betrokken
bij de
besluitvorming in het MDO, waarin het beleid is bepaald en vervolgens als supervisor
bij de
voorbespreking van het betreffende spreekuur, waarna het beleid is uitgevoerd. Daaruit
blijkt dat
verweerder betrokken was bij en invloed had op de behandeling van patiënt. Het college
is niet
gebleken van aanwijzingen dat verweerder onvoldoende regie heeft gevoerd doordat
hij niet fysiek
aanwezig was bij consulten. Overigens is het college uit het medisch dossier ook
niet gebleken dat
patiënt bezwaren heeft geuit tegen behandeling met immuuntherapie.
5.7 Verweerder heeft aangevoerd dat hij op de dag dat patiënt is overleden geen
dienst had. Van
betrokkenheid van verweerder op die dag blijkt ook niet uit het medisch dossier
van patiënt. Om die
reden kan hij naar het oordeel van het college niet tuchtrechtelijk worden aangesproken
over de
wijze waarop toen contact is opgenomen met klaagster.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 27 augustus 2025 door R.A. Steenbergen, voorzitter,
P. Baas en
J.J.C.M. Rooijmans-Rietjens, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.W.M. Dirksen,
secretaris, en
in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk.