ECLI:NL:TGZRSHE:2025:102 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7779
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:102 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-08-2025 |
| Datum publicatie: | 27-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7779 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen arts in opleiding tot longarts. De echtgenoot van klaagster had longkanker. Klaagster verwijt verweerder dat kort na de behandeling met chemotherapie en bestraling, tegen zijn wens in en zonder controle van zijn eiwitwaardes, is gestart met immuuntherapie, waarna hij een maand later snel achteruit is gegaan en is overleden. Klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 27 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
arts in opleiding tot longarts,
werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend over de zorgverlening aan haar echtgenoot
(hierna:
patiënt), die is overleden. Patiënt had longkanker en is daarvoor behandeld met
chemotherapie en
bestraling. Klaagster verwijt verweerder dat kort na die behandelingen, tegen de
wens van patiënt
in en zonder controle van zijn eiwitwaardes, is gestart met immuuntherapie, waarna
patiënt een
maand later snel achteruit is gegaan en is overleden. Zij verwijt verweerder ook
dat zij niet op
tijd is gebeld om nog afscheid te kunnen nemen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht,
maar de klacht
kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen
aan de partijen te
stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna
licht het
college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2024;
- de brief van de secretaris aan klaagster, van 13 september 2024;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 28 oktober 2024;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de aanvullende informatie, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 26
maart 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht, samen met de gelijkluidende klacht in de zaak met
dossiernummer
H2024/7541, in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld
heeft op basis
van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 In februari 2024 is na onderzoek in het ziekenhuis vastgesteld dat bij patiënt
sprake was van
een tumor (niet-kleincellig plaveiselcelcarcinoom) in de linkerlong van 82 mm. Patiënt
was toen 73
jaar.
3.2 Verweerder was destijds in het ziekenhuis werkzaam in zijn derde jaar van de
opleiding tot
longarts. Verweerder in de zaak met dossiernummer H2024/7541 (hierna: de specialist
longgeneeskunde/supervisor) was daar werkzaam als specialist longgeneeskunde en
supervisor op de
polikliniek longgeneeskunde.
3.3 Op 19 februari 2024 is patiënt besproken in het multidisciplinair overleg (hierna:
MDO) van
de thoraxoncologie van het ziekenhuis, waarbij het beleid is bepaald. Daarna is
patiënt behandeld
met chemotherapie en bestraling.
3.4 Op 9 april 2024 is een CT-thorax bij patiënt verricht. Daaruit is gebleken dat
de tumor in de
long na deze behandelingen was geslonken tot 38 mm.
3.5 Op 15 april 2024 heeft patiënt het poliklinische spreekuur bezocht van een collega
van
verweerder. Tijdens dit consult zijn de bevindingen van de CT-scan besproken en
is voorgesteld te
starten met immuuntherapie (met het middel durvalumab). In het medisch dossier is,
voor zover van
belang, genoteerd (alle citaten zijn inclusief eventuele taal- en typfouten):
“(…)
A: meer hoesten, droge ogen, eczeem op de wang en toename van de tremor. Vragen
over
dendritisceltherapie.
(…)
Conclusie
NSCLC PCC cT4NOMO massa in de linkerbovenkwab, stadium IIIa, wv cCRTx in sneltraject
Evaluatie na K1.
Beleid voorbesproken met [college: naam van de specialist longgeneeskunde/supervisor]
- start adjuvant durvalumab, traject aangelegd, kuur 1 vrijgegeven
- co poli + lab hier prikken over 4 weken”.
3.6 Op 22 april 2024 heeft patiënt de eerste dosis durvalumab gekregen.
3.7 Op 17 mei 2024 heeft patiënt het poliklinische spreekuur van verweerder bezocht
vanwege
toenemende hoest- en benauwdheidsklachten. In het medisch dossier is genoteerd:
“(…)
Conclusie
(…)
Acuut progressieve dyspneu en hoesten met verhoogde levertesten, dd infectieus,
dd pneumonitits dd
le
levertesten iom mdl arts nu parainfectieus duiden en nog geen prednison, bij persisterend
afwijkend
danopnieuw overleg en over 1w om eventueel steroiden te starten
Beleidiom. [college: naam van een longarts/supervisor]
- kuur 1w uitstellen
- nu naar spoedsroom
(…)”.
Op de spoedstroom longoncologie is een CTA-thorax gemaakt. Daarop zijn geen aanwijzingen
gezien
voor een longembolie of -ontsteking. Patiënt heeft antibiotica gekregen.
3.8 Op 20 mei 2024 heeft patiënt de Spoedeisende Hulp longgeneeskunde bezocht vanwege
toenemende
benauwdheidsklachten. Verweerder heeft patiënt onderzocht en in overleg met een
longarts/supervisor
besloten tot opname en behandeling met prednison en bevespi/ventolin. In het medisch
dossier is
genoteerd:
“(…)
Conclusie en Beleid:
(…)
1. Forse progressieve dyspneu DD AECOPD danwel toch een immuungemedieerde pneumonitis
2. Toenemende verhoogde leverenzymmen dd medicamenteus/parainfectieus DD immuungemedieerde
hepatitis
(…)”.
3.9 In de dagen daarna is patiënt door collega’s van verweerder en ook door artsen
van andere
disciplines onderzocht. Patiënt heeft geen tweede dosis durvalumab gekregen. Ondanks
ingezette
vervolgbehandelingen verslechterde de situatie van patiënt.
3.10 Op --- is het bewustzijn van patiënt steeds verder afgenomen als gevolg van
een verhoogd
koolzuurgehalte in het bloed (hypercapnie), waarvan de oorzaak onduidelijk was.
Klaagster is
telefonisch verzocht om naar het ziekenhuis te komen. Later die dag is patiënt overleden.
4. De klacht en de reactie daarop
4.1 Klaagster verwijt verweerder dat:
a) tegen de wens van patiënt in is gestart met een behandeling met immuuntherapie;
b) geen onderzoek is gedaan naar eiwitwaardes om te controleren of patiënt in aanmerking
kwam voor
de immuuntherapie;
c) patiënt is overleden als gevolg van de immuuntherapie;
d) klaagster niet op tijd is gebeld om nog afscheid te kunnen nemen van patiënt.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 Het is verdrietig dat patiënt door het ziekteverloop na de chemotherapie en
de bestraling in
korte tijd snel achteruit is gegaan en uiteindelijk is overleden. Begrijpelijk is
dat dat
emotioneel zwaar is (geweest) voor klaagster. Dat neemt niet weg dat het college
in deze tuchtzaak
moet beoordelen of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden en dat is
een zakelijke toetsing. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende
arts in
opleiding tot longarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor verweerder
geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt
dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen en dat het
gevolg van hun
handelen bij de beoordeling buiten beschouwing blijft.
De bespreking van de klacht(onderdelen)
5.2 Vanwege de samenhang tussen de verschillende klachtonderdelen zal het college
deze gezamenlijk
bespreken.
5.3 De klacht van klaagster houdt in de kern in dat op ongefundeerde gronden is
besloten tot
behandeling met immuuntherapie, waarbij voorbij is gegaan aan de wens van patiënt
en geen gedegen
vooronderzoek is gedaan, en dat patiënt als gevolg daarvan is overleden.
5.4 Klaagster heeft ter onderbouwing van haar klacht aangevoerd dat de arts van
de kliniek waar
patiënt is bestraald, had voorgeschreven om na de laatste bestraling zes à zeven
weken te wachten
voor rust en herstel. Daarna zou een scan worden gemaakt om de situatie opnieuw
te beoordelen. De
vooruitzichten waren volgens die arts zeer goed. Toen patiënt twee weken later een
afspraak bij
verweerder had, heeft verweerder volgens klaagster op patiënt ingepraat en gezegd
dat zo snel
mogelijk met immuuntherapie moest worden gestart om uitzaaiingen te voorkomen. Daarbij
heeft hij
niet gevraagd of patiënt dat wenste en geen uitleg gegeven over de risico’s. De
specialist
longgeneeskunde/supervisor was niet bij dat consult aanwezig. Klaagster heeft erop
gewezen dat
eerst de eiwitwaardes onderzocht moesten worden om te bepalen of patiënt wel met
die therapie zou
kunnen starten. Dat is volgens haar niet gedaan, terwijl dat van cruciaal belang
was. Later bleek
namelijk dat deze therapie dodelijk was voor patiënt. Twee dagen na de eerste dosis
kreeg hij al
klachten. Een paar weken later werd hij zo ziek dat hij moest worden opgenomen.
In de dagen daarna
ging het steeds slechter en kreeg hij lever-, schildklier- en nierfalen. Toen klaagster
op --- in
het ziekenhuis kwam, kreeg ze hem niet meer wakker en daarna is hij overleden.
5.5 Verweerder heeft aangevoerd dat het beleid is bepaald in het MDO en dat niet
hij, maar een
andere AIOS longgeneeskunde tijdens het consult in april 2024 het voorstel om te
starten met
immuuntherapie met patiënt heeft besproken. Dit is in overleg met de specialist
longgeneeskunde/supervisor gedaan. Verweerder heeft patiënt pas in mei 2024 voor
het eerst tijdens
een consult gezien. Dit verweer wordt ondersteund door de notities in het medisch
dossier van
patiënt, die hiervoor (deels) zijn weergegeven onder 3. Nu niet is gebleken van
enige betrokkenheid
van verweerder in deze fase van de behandeling, kan verweerder naar het oordeel
van het college
niet tuchtrechtelijk worden aangesproken ter zake van (de wijze van) het starten
van de
immuuntherapie bij patiënt. Overigens is het college uit het medisch dossier niet
gebleken dat
patiënt bezwaren heeft geuit tegen deze behandeling.
5.6 Daarbij was het gevoerde beleid volgens verweerder in lijn met de geldende (ESMO-)
richtlijn
uit 2021. Daarin volgt het college verweerder. Die richtlijn schrijft bij de behandeling
van een
tumor van dit type in stadium 3 voor om aanvullend te behandelen met durvalumab
en adviseert om
binnen een termijn van maximaal zes weken na de chemo- en radiotherapie daarmee
te starten. Het
college is niet gebleken dat er aanwijzingen waren om de richtlijn in het geval
van patiënt niet te
volgen. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat er wel voorafgaand onderzoek
is gedaan naar
de eiwitwaardes van patiënt. Volgens verweerder is op 16 februari 2024 weefsel bij
patiënt
afgenomen en gecontroleerd op PD-L1, zoals de hiervoor genoemde richtlijn adviseert.
Ook dit
verweer wordt ondersteund door het medisch dossier van patiënt. Daaruit blijkt van
een bij patiënt
gemeten waarde “PD-L1: TC 25 tot
<50%”. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiwitwaardes niet bepalend
zijn voor de
keuze om wel of niet te starten met durvalumab bij dit type longkanker in stadium
3. Bovendien was
de betreffende eiwitwaarde in het geval van patiënt verhoogd en daarmee goed. Nu
conform de
richtlijn is gehandeld, kan niet worden geconcludeerd dat er een onaanvaardbaar
risico op
schadelijke en daardoor mogelijk fatale gevolgen is genomen door binnen drie weken
na de laatste
bestraling bij patiënt te starten met de immuuntherapie.
5.7 Verweerder heeft aangevoerd dat hij op de dag dat patiënt is overleden geen
dienst had. Van
betrokkenheid van verweerder op die dag blijkt ook niet uit het medisch dossier
van patiënt. Om die
reden kan hij naar het oordeel van het college niet tuchtrechtelijk worden aangesproken
over de
wijze waarop toen contact is opgenomen met klaagster.
Slotsom
5.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 27 augustus 2025 door R.A. Steenbergen, voorzitter,
P. Baas en J.J.C.M. Rooijmans-Rietjens, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door I.W.M. Dirksen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
de vaste
voorzitter, K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.