ECLI:NL:TGZRSHE:2025:101 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7157
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:101 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-08-2025 |
| Datum publicatie: | 27-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7157 |
| Onderwerp: | Onzorgvuldige dossiervorming |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster klaagt tegen de eerdere huisarts van haar tweelingzus omdat deze medische gegevens over haar, die per abuis in het dossier van haar tweelingzus zijn opgenomen, zonder haar toestemming uit dit dossier heeft verwijderd en in een apart dossier heeft geplaatst. Ook klaagt zij erover dat hij geen contact met haar heeft opgenomen en niet heeft gereageerd op een mail van haar. Het college oordeelt dat er onvoldoende bewijs is dat het verweerder is die de gegevens heeft verwijderd en een nieuw dossier heeft aangemaakt. Ook is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder geen contact opnam of niet reageerde op de e-mail, aangezien hij geen behandelaar van klaagster was en de behandelrelatie met haar zus al was beëindigd en er geen medische noodzaak bestond op de e-mail te reageren. Klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 27 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende [B],
klaagster,
tegen
[C],
huisarts,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de huisarts.
1. De procedure
1.1. De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 april 2024;
- de brief van 16 mei 2024 van de secretaris aan klaagster;
- de aanvulling van klaagster op het klaagschrift, ontvangen op 17 mei 2024;
- de USB-stick, ontvangen van klaagster;
- de begeleidende brief van klaagster, ontvangen op 24 mei 2024;
- de tweede USB-stick, ontvangen van klaagster;
- de brief van de secretaris aan klaagster van 28 juni 2024;
- de gewijzigde klacht met bijlagen, zoals geformuleerd in brief van klaagster
aan de secretaris
gedateerd 30 juni 2024;
- de derde USB-stick, ontvangen van klaagster;
- de brief van de secretaris aan klaagster van 17 juli 2024;
- de brief van de secretaris aan klaagster van 6 augustus 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 4 september 2024;
- de transcriptie van een gesprek, ontvangen van klaagster op 2 oktober 2024;
- nadere stukken van klaagster, ontvangen op 16 oktober 2024.
1.2. De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Hiervoor is tweemaal een datum
gepland maar
klaagster heeft beide afspraken kort van tevoren afgezegd/moeten afzeggen. Een verzoek
van
klaagster tot nadere aanhouding is niet gehonoreerd, omdat de voortgang van de procedure
– die het
college ambtshalve in het oog moet houden - dan te zeer in het gedrang zou komen.
1.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
2. Wat is er gebeurd?
2.1 Verweerder was in de periodes 2007-2009 en 2011-eind juli 2014 huisarts van
de tweelingzus
van klaagster. Op enig moment zijn er per vergissing gegevens van klaagster, die
dateren uit
1994-1995 en die gaan over een opname van klaagster in een GGZ-instelling, in het
dossier van haar
tweelingzus terechtgekomen. Dat heeft volgens klaagster geleid tot problemen voor
haar tweelingzus.
Bij deze vergissing was verweerder niet betrokken.
2.2 Op enig moment zijn de gegevens die klaagster betroffen (kennelijk) uit het
dossier van de
tweelingzus verwijderd en is een afzonderlijk dossier van klaagster opgemaakt waarin
de verwijderde
gegevens zijn opgenomen.
2.3 Verweerder is sedert 1 januari 2023 geen medepraktijkhouder meer. Hij is tot
1 juli 2024 nog
wel waarnemer geweest in deze praktijk.
2.4. Klaagster heeft de hiervoor genoemde gegevens c.q. haar dossier bij de huidige
praktijkhouder
opgevraagd. Op 7 oktober 2024 heeft de huidige praktijkhouder de volgende gegevens
verstrekt:
3. De klacht en de reactie van verweerder
3.1 Klaagster klaagt erover dat verweerder:
1. zonder haar toestemming medische gegevens uit het dossier van haar tweelingzus
heeft gehaald die
klaagster betroffen en een dossier voor haar heeft aangemaakt.
2. nooit contact met haar heeft opgenomen. Hij heeft in 2023 niet gereageerd op
haar e-mail.
3.2 Verweerder heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht
dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk
gaat
beoordelen, heeft verweerder het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
3.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
4 De overwegingen van het college
Kan klaagster worden ontvangen in haar klacht?
4.1 Verweerder voert als eerste verweer dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar
klacht omdat de
klacht hoofdzakelijk gaat over de medische gegevens van de tweelingzus.
4.2 Het college volgt dit standpunt van verweerder niet. De klacht gaat niet over
de medische
gegevens van de tweelingzus, maar over de medische gegevens van klaagster. Weliswaar
ontbreekt een
behandelrelatie tussen klaagster en verweerder – niet klaagster maar haar tweelingzus
was patiënt
van verweerder – maar het college acht klaagster toch ontvankelijk in deze klacht.
In artikel 65
lid 1 sub a Wet BIG is bepaald dat een klacht aanhangig kan worden gemaakt door
een rechtstreeks
belanghebbende. Om als rechtstreeks belanghebbende te kunnen worden aangemerkt,
dient sprake te
zijn van een concreet eigen belang dat kan worden geplaatst in het kader van de
individuele
gezondheidszorg. Naaste betrekkingen van een patiënt hebben bovendien een zelfstandig
klachtrecht
als de klacht een handelen of nalaten van de beroepsbeoefenaar betreft in strijd
met de zorg die
deze behoort te betrachten ten opzichte van deze naaste betrekkingen. Die situatie
doet zich in dit
geval voor. Het college acht klaagster dan ook ontvankelijk in haar klacht.
4.3 Het college is van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het
niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de
klacht niet
gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot dit oordeel
is gekomen.
De criteria voor de beoordeling
4.4 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) verweerder heeft zonder de toestemming van klaagster medische gegevens
uit het
dossier van haar tweelingzus verwijderd die klaagster betroffen en heeft een dossier
voor haar
aangemaakt.
4.5 Het college overweegt als volgt. Allereerst geldt dat het college niet kan
vaststellen
wanneer de gegevens van klaagster uit het dossier van haar tweelingzus zijn verwijderd.
Klaagster
neemt hier geen standpunt over in, verweerder vermoedt dat een en ander in of rond
2014 is gebeurd
en het college kan aan de hand van de gegevens die het tot zijn beschikking heeft,
een en ander
niet vaststellen. Echter, zelfs als het college ervan uitgaat dat de klacht tijdig
– dat wil zeggen
binnen tien jaar na het handelen of nalaten van de zorgverlener - is ingediend,
kan dit
klachtonderdeel niet gegrond worden verklaard. Het college kan aan de hand van de
gegevens die zich
in het dossier bevinden, niet vaststellen dat verweerder degene is geweest die de
gegevens van
klaagster uit het dossier van haar tweelingzus heeft verwijderd. Klaagster heeft
bovendien niet
toegelicht waarom haar toestemming nodig zou zijn voor het verwijderen van onjuiste
medische
gegevens uit het dossier van haar tweelingzus, ook al betreffen dit gegevens die
over klaagster
gaan. Het college ziet hiervoor in ieder geval geen wettelijke grondslag. Op dit
punt is het
klachtonderdeel ongegrond.
4.6 Dan klaagt klaagster erover dat verweerder (zonder haar toestemming) een dossier
over haar
heeft aangemaakt. Het college overweegt als volgt. Ook hier geldt dat het college,
om dezelfde
reden als hiervoor genoemd, niet kan vaststellen wanneer een afzonderlijk dossier
op naam van
klaagster is aangemaakt, zodat het ook hier de vraag is of de klacht tijdig is ingediend.
Zelfs als
het college daarvan uitgaat, kan ook dit klachtonderdeel niet gegrond worden verklaard.
Het college
kan alleen vaststellen dat de huidige praktijkhouder op 7 oktober 2024 de gegevens
die zijn
opgenomen onder punt 2.4, aan klaagster heeft verstrekt. Wanneer en door wie dit
“dossier” is
aangemaakt, blijkt daaruit niet en dat kan het college ook niet op een andere manier
vaststellen.
Daarvoor heeft klaagster geen aanknopingspunten gegeven. Het college kan dan ook
niet vaststellen
dat verweerder hiervoor verantwoordelijk is. Daarom kan niet worden geoordeeld dat
verweerder ten
aanzien van dit punt een tuchtrechtelijk verwijt treft. Dit klachtonderdeel is daarom
ook op dit
punt ongegrond.
Klachtonderdeel b) verweerder heeft nooit contact met klaagster opgenomen. Ook in
2023 heeft hij
niet heeft gereageerd op haar e-mail.
4.7 Klaagster klaagt verder erover dat verweerder nooit contact met haar heeft
opgenomen.
Klaagster heeft echter niet toegelicht waarom en waarover verweerder, met wie zij
geen
behandelrelatie had, contact met haar zou moeten opnemen. Dat de behandelrelatie
die verweerder met
de tweelingzus van klaagster had, dat noodzakelijk maakte is ook niet gesteld of
gebleken. Het
college laat dan verder nog daar dat die behandelrelatie eind juli 2014 is geëindigd,
zodat het ook op dit punt zelfs de vraag is of de klacht tijdig is ingediend.
Het college acht het klachtonderdeel op dit punt ongegrond.
4.8 Ten slotte klaagt klaagster erover dat verweerder niet heeft gereageerd op haar
e- mail van
13 april 2023. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat deze e-mail
van klaagster
voor hem heel onduidelijk was en dat hij geen herinnering meer heeft aan de gang
van zaken van meer
dan 10 jaar daarvoor. De e-mail kwam daarbij in de periode na de overdracht van
de praktijk en de
komst van een nieuwe praktijkhouder. Daarom heeft hij daarop niet gereageerd. Het
spijt verweerder
als dit klaagster stress heeft gegeven en daarvoor biedt hij zijn excuses aan.
4.9 Het college overweegt als volgt. Dat verweerder niet heeft gereageerd op de
e-mail van
klaagster van 13 april 2023, gericht aan de praktijk, acht het college niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar. Verweerder is nooit behandelaar geweest van klaagster en was ten tijde
van de
verzending van de e-mail ook al jaren geen behandelaar meer van de tweelingzus van
klaagster. Er
bestond ook geen medische noodzaak om op deze e-mail te reageren. Klaagster laat
in de e-mail weten
dat ze een schadeclaim gaat indienen en verzoekt, zo begrijpt het college de e-mail,
in verband
hiermee om contact op te nemen. Het is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder
niet hierop
heeft gereageerd. Dit klachtonderdeel is daarom ook op dit punt ongegrond.
Slotsom
4.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
5 De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 27 augustus 2025 door N.H.J. Lafghani, voorzitter,
N.B. van der Maas en J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door T. Nijenkamp, secretaris en uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk